Profiel: Liesbeth Venetiaan

Bevlogen first lady van Suriname

In de meeste republieken blijven first ladies op de achtergrond. Ze doen aan liefdadigheid en vergezellen hun echtgenoot bij officiële gelegenheden. Dit was ook de gewoonte in Suriname. Tot de komst van de huidige first lady: Liesbeth Venetiaan-Vanenburg. Ze is een bekende verschijning en het lijkt alsof iedereen haar persoonlijk kent: kamermeisjes, mensen op de markt, taxichauffeurs, tourgidsen en studenten. Iedereen lijkt positief over haar, ook de kritische geesten uit de vrouwenbeweging.

Mythevorming is deze mensen niet vreemd. Het verhaal wil zelfs dat ze met haar man in een juru oso (huurhuis) woont. Dit om aan te geven hoezeer ze in mentaliteit verschilt van de elite van recente oud-presidenten, ministers, rijstboeren, drugsbaronnen en hun buitenvrouwen die in kapitale villa’s zijn gevestigd. De mensen spreken over haar met een emotionele loyaliteit die het gevolg lijkt van jarenlang militair geweld, mismanagement en corruptie. Haar volgelingen uiten zich louter in superlatieven als ze goedheid zien of vermoeden. Hun loftuitingen zijn daardoor niet alleen een statement, maar ook een uiting van hoop en vertrouwen, een bezwering en een gebed om verlossing. Suriname balanceert immers op de rand van de afgrond en de tweede regering-Venetiaan wordt algemeen gezien als Surinames laatste hoop om een veilige, welvarende democratie te worden. De presidentsvrouw is ondertussen het boegbeeld van de gewone Surinamer. Zij kan haar goedheid en eerlijkheid inzetten, denkt iedereen.

Liesbeth Venetiaan is echtgenote van president Ronald R. Venetiaan die deze week een bezoek brengt aan Wim Kok en het Kwakoe-festival. Ze is moeder van vier kinderen. Ze is een kleine, volslanke creoolse vrouw met een vriendelijk gezicht en een gulle, meisjesachtige lach. Ze praat graag, maar vermijdt in de regel diplomatiek gevoelig liggende onderwerpen, zoals de dans om de zeshonderd miljoen gulden ontwikkelingsgeld die Suriname nog van Nederland tegoed heeft. Ook de hangijzers Bouterse en Wijdenbosch vindt ze te heet om aan te pakken.

Tijdens het regime van Bouterse stond Liesbeth Venetiaan na een onderduikperiode met haar gezin onder huisarrest. Hoewel hun leven niet direct gevaar liep, vond ze de voortdurende aanwezigheid van gewapende soldaten rond het huis bedreigend. Het was een bizarre situatie. De soldaten waren vaak hongerig. Uit medelijden en als voorzorgsmaatregel gaf zij ze eten en drinken.

Tijdens de regering-Wijdenbosch zat haar man in de oppositie en moest ze toezien hoe alles verloren ging wat door hem op de rails was gezet. De gezondheidszorg en het onderwijs bereikten een dieptepunt. Zaken als veiligheid, sociale zekerheid en stadsreiniging werden van de politieke agenda afgevoerd. Miljoenen guldens verdwenen. Nu haar man weer president is, is ze ervan overtuigd dat de verantwoordelijken voor hun misdaden zullen worden gestraft.

In het dagelijks leven werkt de first lady als maatschappelijk werkster bij het ministerie van Volksgezondheid. Mensen kunnen haar daarom gemakkelijk benaderen en hebben het gevoel dat zij hen persoonlijk steunt. Omdat er zo veel problemen zijn en zo weinig middelen, kan ze meestal alleen de directe nood lenigen. Als iemand geen eten heeft, of een lekkend dak dat gerepareerd moet worden, zoekt ze net zo lang tot ze een potje met geld vindt. Hierin wordt ze bijgestaan door hulpgroepen als Stop Armoede in Suriname en de Stichting Netwerk Vrouwen Suriname en Nederland, waarvan zij voorzitter is. Deze mensen zamelen belangeloos tweedehands spullen in, zoals naaimachines en ander gereedschap. Het is geen structu rele hulp, maar voor degenen die het nodig hebben is het beter dan niets. Een Nederlands bejaardentehuis schonk tot haar grote vreugde eens een partij van 48 afgeschreven stoelen aan een tehuis in Suriname.

Voor de oplossing van grotere, meer structurele problemen probeert Liesbeth Venetiaan met gebruikmaking van haar positie fondsen te werven. Via Japan poogt ze geld te krijgen voor enkele zogenoemde grassroots-projecten. Veel dorpen hebben ten gevolge van de binnenlandse oorlog tussen Bouterse en rebellenleider Brunswijk in 1986 geen water, licht en sanitaire voorzieningen meer. Het Japanse geld kan daarvoor worden gebruikt. Ze zoekt ook hulp voor de inlandse jongeren die door diezelfde oorlog jarenlang geen scholing hebben gehad en ook niet meer beschikken over een sociaal vangnet omdat hun samenlevingsstructuren grondig zijn vernietigd.

In de First-Lady Conferences, een samenwerkingsverband van presidentsvrouwen uit de Latijns-Amerikaanse landen, de Cariben en de USA, bespreekt zij problemen die Suriname met deze landen gemeen heeft, zoals tienerzwangerschappen, voortplantingskwesties en de gehandicaptenzorg. Ze streeft naar regionale oplossingen. Nederland, «met zijn barrières, vertragingstactieken en abstracties», vindt ze in dit licht wat al te ver weg.

Andere maatschappelijke activiteiten onderneemt ze vanuit het Fonds voor Sociale Aktie. Tot 1996 heette dit het Fonds Echtgenotes Regering Suriname. Eenmaal per maand komt ze samen met de echtgenoten van vroegere en huidige ministers en bespreekt de problemen en de aanvragen om hulp. Hoewel het fonds voornamelijk uit vrouwen bestaat, ligt de nadruk niet op vrouwenkwesties maar op algemene armoede bestrijding. Volgens haar is de armoede niet gefeminiseerd zoals in Nederland. In Suriname trekt armoede zich niets aan van geslacht, leeftijd en etniciteit, vindt ze. Daarom volstaat het niet de armoede vanuit een specifieke groep te bestrijden. In de hogere echelons van de vrouwenbeweging is men het hier niet helemaal mee eens. Zo vindt Sharda Ganga, directeur van de vrouwenorganisatie Projecta, dat gender een thema-issue is dat samenhangt met de andere problemen en dat de vooruitgang van de situatie van de vrouw daarom extra aandacht verdient. Als haar situatie verbetert, verbetert ook die van de kinderen. Als de vrouw economisch weerbaar is, komt dit ook de economie ten goede, meent Ganga.

Liesbeth Venetiaan onderschrijft deze redenering, maar vindt het niet haar taak om één invalshoek te benadrukken. Daar zijn de vrouwenorganisaties voor. Wel heeft ze zo haar ideeën en waar mogelijk geeft ze haar man graag een duwtje in de goede richting. Zo ondertekende ze samen met hem op 8 maart, Wereldvrouwendag, de verklaring Samenwerken voor duurzame ontwikkeling. In deze verklaring eisen de vrouwenorganisaties dat de regering de internationale verdragen die ze heeft ondertekend omzet in wet- en regelgeving en dat ze actieplannen die door niet-gouvernementele organisaties zijn geformuleerd, implementeert. Ook willen ze een vertegenwoordiger van de vrouwenorganisaties in de Staatsraad en de Sociaal Economische Raad. Ze ondertekenden de verklaring van het Vrouwenparlement Forum dat zijn wereldwijde campagne Fifty-fifty by 2005: Get the Balance Right ook in Suriname heeft gelanceerd. Forum probeert voor elkaar te krijgen dat wettelijk geregeld wordt dat de kiezerslijsten en de gekozenen voor vijftig procent uit vrouwen bestaan.

In Suriname gebeurt meer dan men in Nederland denkt. De presidentsvrouw betreurt het dat niet alles lukt, zoals in het geval van de spoorlijn «van ergens naar nergens» uit het boek Enkele reis Paramaribo van Iwan Brave. Volgens haar zijn zowel mislukte als gelukte initiatieven, «een blijk van veerkracht, vindingrijkheid en potentie». Critici snoert ze de mond met de opmerking dat Suriname er anders zou uitzien als het slechts de helft van al die kansen zou krijgen die het Westen voor zichzelf schept. Ze is trots op Suriname en de Surinamers en wijst erop dat de democratie zonder bloedvergieten is hersteld. Ze denkt dat Suriname het wel zal redden met Gods hulp. Want gelovig is ze. Ze is lid van een liturgiegroep die bij gebrek aan voldoende paters meehelpt de katholieke mis op te dragen.

Haar man is ook gelovig. Vertederd noemt ze hem «Vene». Ze ontmoette hem in 1964 op een studentenfeest in Leiden. Hij studeerde daar wiskunde en speelde gitaar in een bandje. Hij was toen al politiek geëngageerd. Tevens was hij feestneus en dichter. Hij organiseerde culturele bijeenkomsten rond 1 juli (afschaffing van de slavernij in Suriname). Liesbeth studeerde tussen 1961 en 1965 aan de katholieke sociale academie in Den Haag en woonde er op kamers. In die tijd waren er nog weinig Surinamers in Nederland. De Surinaamse studenten hadden meestal een beurs en gingen na hun studie terug om het land te helpen opbouwen. Het was een hechte groep die bijeenkwam om te feesten en te discussiëren over politiek, kolonialisme, identiteit en de betekenis van het zwart-zijn. Er waren ook enkele Afrikanen. Anders dan de Afrikanen die nu naar Europa komen, behoorden die tot de elite. Ze waren in Engeland goed opgeleid en behandelden de Surinamers uit de hoogte, als nakomelingen van slaven. Omdat Liesbeth Venetiaan toen met haar roots bezig was, beschouwde ze hen als afstammelingen van haar voorouders. Ze was teleurgesteld over de houding van de Afrikanen.

In 1966, na voltooiing van haar studie terug in Suriname, trouwde ze met Vene. In een land waar huidtint, haarstructuur en fysionomie nog steeds een grote rol spelen in het sociale contact, viel het op dat zij als bruine, gestudeerde vrouw koos voor een zwarte man met Afrikaanse trekken. Ze heeft zich daar nooit iets van aangetrokken, gevormd als ze was door de ideeën van Black Power. Onder invloed van Angela Davis en de Black is Beautiful-beweging knipte ze in 1969 haar ontkroeste haren af. Iedereen was geschokt over haar korte kroeshaar, dat een statement was. Ze wil nog steeds dat iedereen de schoonheid van kroeshaar inziet.

Ze mag graag zeggen dat Suriname uit negatieve ontwikkelingen is ontstaan en dat het land desondanks rijk is, en de mensen mooi zijn. «We komen er wel», is haar stellige overtuiging. Ze heeft ook vertrouwen in de Surinamers in Nederland, die ze bij gelegenheid een hart onder de riem steekt. «Westerlingen hebben altijd het idee dat ze alles het beste weten», zegt ze. «Pas wanneer ze duidelijk positieve dingen van je ervaren, plaatsen ze je op gelijke voet. Dan ligt het vervolgens aan jou — en dat vraagt een heleboel energie — om jezelf te zijn en te blijven.»

Anders dan de meeste zwarten met een hoge status ontkent of bagatelliseert ze het bestaan van racisme niet. Zonder enig diplomatiek voorbehoud is ze van mening dat zwarten honderden jaren geestelijk en lichamelijk kapot zijn gemaakt en dat dit nog steeds gebeurt. Ze moeten hun ogen hiervoor niet sluiten en zich bewust zijn van hun zwartheid, zonder achterdochtig te worden. Het initiatief van het Platform Slavernij verleden om een slavernijmonument op te richten is een beginpunt om «recht te doen aan de zwarte mens», vindt ze. Het verwondert haar niet dat dit idee niet in Suriname is ontstaan en dat het daar ook niet zo leeft. De meeste mensen hebben er immers andere prioriteiten. Armoedebestrijding houdt ze het meeste bezig.

De presidentsvrouw heeft de ambitie om binnen de constitutionele beperkingen van haar functie voor de mensen die het nodig hebben een beter leven mogelijk te maken en bovenal een positievere mentaliteit teweeg te brengen. Dit is geen sinecure binnen de door mannen en het Internationaal Monetair Fonds veroorzaakte chaos.