Bevlogen meester

Voor het eerst naar de Zuidvleugel-nieuwe-stijl van het Rijksmuseum. Goed toeven is het daar.

Dat was het altijd al, want ze hebben prachtige negentiende-eeuwers, en dat die in een vervallen en haast geheim deel huisden waar je het rijk, vlak bij de Rembrandt-drukte, alleen had, maakte deel uit van de charme. Maar de verbouwing is fraai en doet volop recht aan Maris en Breitner en misschien nog wel meer aan de Aziatische kunst. Bij de achttiende eeuw kon het al niet meer stuk: ik permitteerde me een grap over een fors doek met vrolijke weldoorvoede kinderen en hun dito gouvernante van een naar mijn smaak ‘minor painter’, om daarna te lezen dat de maker Willem Bartel van der Kooi was. Ik bedoel: we waren gevieren en heten allen zoals de Friese schilder. Nou ja, van hem bestaat ook werk dat ik zó voor een schappelijk prijsje mee zou nemen. Kon het alleen niet vinden. Dacht dat een prachtig klein schilderijtje van een boekwinkel van hem was, maar dat bleek van ene Jelgersma.
Ach, het geheugen… Op mijn dertiende leerde ik van mijn onvolprezen geschiedenisleraar Van Huet perioden, stijlen en schilders onderscheiden, zoals ik de Köchelnummers van vriend Mozart kende. Zinloze 'encyclopedie’ wellicht en louter training in de canon van de goede smaak - maar toch ook de kick van het weten en opstap naar het ware genieten.
Met het genieten zit het wel goed, beter zelfs, maar de feitenkennis neemt af. Toen de kleine nog klein was, we vaak door musea struinden en het voor haar ook een beetje leuk moest zijn, bedacht ik: wat zou je uit deze zaal mee naar huis willen nemen?
Verdomd dat het werkte, en dat we dubbend tot keuzes kwamen, resulterend in een schitterende gedroomde collectie van middeleeuws devoot, via Vermeer (die Rembrandt versloeg) tot Matisse en later.
Het educatieve foefje werd een manier van kijken. Vaak vraag ik me af wat ik zou willen hebben. De optelsom van keuzes vormt een 'smaak’ waarvan ik me de achterliggende criteria maar deels bewust ben. In des Rijks 'achttiende, vroeg-negentiende eeuw’ hangt nogal wat dat ik voor geen goud…
Maar opeens is daar een juweel: De schrijver van Jan Ekels de Jonge - jongeman op de rug gezien, maar voor een spiegel die z'n gezicht weerkaatst, terwijl hij geconcentreerd de ganzeveer bijslijpt. Of Amsterdams wintergezicht van Wouter Johannes van Troostwijk met het niet meer bestaande Raampoortje. Onmiddellijk trekken ze mijn blik. Door hun kwaliteit? Door mijn smaak? Of doordat ze, besef ik later, ooit door Openbaar Kunstbezit zijn uitverkoren ter bespreking op de radio en ter vermenigvuldiging voor abonnees?
Wie bedenkt dat het onopvallende gezicht van een willekeurige voorbijganger plots betekenis zou krijgen wanneer zij/hij frequent op de televisie verscheen, die vraagt zich ook af of het schokje bij het zien van een schilderij door kwaliteit of herkenning wordt veroorzaakt.
Was ik, in de Alte Pinakothek, ook zo geraakt geweest door een kleine Giotto te midden van zeeën schilderijen, als ik niet op mijn dertiende had geleerd dat daar voor het eerst in de kunstgeschiedenis de apostelen rond de tafel waren gezet?
Ach, wat doet het er toe. Ik wens ieder bevlogen juffen en meesters die kennis van en(liefde voor de kunsten paren aan het vermogen die over te dragen.
Zoals Henk van Os, over wie dit stukje had moeten gaan.