Bevredigend

Aan de overkant, bij het huis met de wilde wingerd die over een maand vuurrood zal zijn, staat op tien meter hoogte een man in de dakgoot, met zijn rug naar de straat. Hij is niet gezekerd en wrikt nonchalant een paar dakpannen los. Ik zie hem omdat ik het raam open voor een bromvlieg die onophoudelijk tegen het glas bleef tikken.

Er is een kortstondige gedachte, hoewel ‘gedachte’ al een te groot woord is, een glimp van wat een gedachte had kunnen worden, een passerende flits van iets wreeds waarop ik mezelf ternauwernood betrap, zo snel en grondig wordt ze overschreven, maar terwijl de bromvlieg door het halfgeopende raam naar buiten schiet registreer ik het verlangen naar een val.

Uiteraard volgt de voorstelling van die gebeurtenis; de mogelijke kreet, een suizen dat voorbij is voordat het wordt opgemerkt, de onaangename smak waarmee de man op de stoep zou belanden – een deel van zijn lichaam zou wellicht het fietsenrek raken, het voorwiel van die zwarte damesfiets of de bagagedrager van die blauwe – de schokgolf die zoiets teweegbrengt, het gillen van passanten, mijn machteloze gang de trap af, de deur uit, de straat over, maar wat nog te doen, wat nog te zeggen? Ik stap bij het raam weg om de val niet te hoeven zien, om de val niet te laten plaatsvinden zelfs; wie weet waar een vluchtig verlangen toe kan leiden, wie weet hoe een gedachte iets in beweging zet.

De laptop staat op de keukentafel. Voordat ik het raam ging openen was ik bezig een verzekeringsformulier door te nemen. Heeft u in de afgelopen drie jaar een bezoek aan de spoedeisende hulp gebracht? Mijn koffie is nog warm, het scherm is nog niet naar de pauze-stand geschoten, er is helemaal niets gebeurd. Alleen de bromvlieg is weg. En die man staat daar los in de dakgoot, hoog boven de grond, achter me, uit het zicht. Heeft u in de afgelopen drie jaar een psycholoog bezocht?

Ik moet denken aan de filmpjes waar mijn oudste zoon een paar jaar geleden graag naar keek; Oddly Satisfying Video’s. Soms stuurde hij een link door, met duimpjes en smileys erbij ter aanbeveling: een mes dat kaarsrecht door een plak boter snijdt, het wegtrekken van grote repen behang, een balletje dat precies in een inkeping past, een door schommelbewegingen symmetrisch aangebrachte verflaag. Er zat iets hoogst bevredigends in, moest ik toegeven. ‘Het is zo lekker omdat het klopt’, zei mijn zoon.

Zou dat het zijn? Dat je een wildvreemde kortstondig, ongemeend, haast instinctief dood wenst, simpelweg omdat wat omhooggaat vroeg of laat weer naar beneden moet komen? Het is ook niet ondenkbaar dat het verlangen naar een val, vlak vóór de bezorgdheid, de angst en het afwenden van de blik de boel weer keurig overnemen, een opflakkerende hunkering is naar boontjes die om loontjes komen, naar billenbranders die op blaren zitten. Naar iets wat klopt. Heeft u de afgelopen drie jaar een specialist bezocht? Ondertussen blijft het buiten stil; door het openstaande raam waaien vogelgeluiden en flarden passerend verkeer naar binnen. Geen suizen, geen klap, geen gillende passanten. De werkelijkheid, die nu eenmaal voor het grootste gedeelte bestáát uit glimpen en flitsen, om van bromvliegen nog maar te zwijgen, houdt zich voorlopig gedeisd.

Ik loop door de lange gang
op zoek naar de deur met mijn naam
tot ik er ben;
ik open hem en trap
hem aan de binnenkant weer toe.

O, de vreugde een deur te hebben
met Krol erop,
de vreugde dat mijn bestaan
wat dit betreft volledig klopt.

De deur,
Gerrit Krol Uit: Polaroid: Gedichten 1955-1976, Singel, 1976