Essay: De essentie van een democratie

Bevrijd de politiek van de onverbloemde waarheid!

In de persoon van Geert Wilders heeft zich een politicus met een grimmige zendingsdrang in het centrum van de macht genesteld. Hij vindt het legitiem om iedereen die afwijkt van zijn beeld van de ware Nederlander met neerbuigendheid of zelfs verbale agressie te bejegenen. Tijd om het begrip ‘waarheid’ in de politiek te relativeren.

DE POLITIEK IS een nooit eindigend debat over een reeks van voorstellen om op een bepaalde wijze tegen de werkelijkheid aan te kijken. Bij de ene politicus kan de werkelijkheid er dan ook onherkenbaar anders uitzien dan bij de andere. Het is daarom oppassen geblazen met politici die de waarheid als doel van politiek zien en hun eigen voorstelling van de werkelijkheid als de enige ware. Dat kan grimmigheid en fanatisme in hun optreden brengen.
Tot het aantreden van het kabinet-Rutte bleven politieke groeperingen met zo'n zendingsdrang buiten de centra van de macht. Dat is nu anders. Het politieke verbond van VVD en CDA met het rancuneuze populisme van Wilders heeft een vorm van boze politiek in een invloedrijke positie gebracht. Wilders toont in zijn openbare optreden geen enkele twijfel over zijn eigen beeld van de ware Nederlander. Hij voelt zich gelegitimeerd iedereen die van dat beeld afwijkt met neerbuigendheid, argwaan of zelfs verbale agressie te bejegenen. Dat lot treft moslims, rechters die een uitspraak doen in strijd met het gesundes Volksempfinden, kunstenaars en ook politici van een andere snit. Politici die zachtheid in hun woorden leggen, teneinde op goede voet te blijven met andersdenkenden, houden zich met moeite staande in de gure wind die de groepering van Wilders aanblaast.
Alle reden om eens wat langer stil te staan bij de rol die waarheid en waarheidsvinding in de politiek spelen. ‘Het is zinloos om het begrip waarheid toe te passen op de democratie’, schrijft de politicoloog Jos de Beus. Een politicus kan volgens hem onkreukbaar, waarachtig zijn, zonder dat hij altijd en overal de onverbloemde waarheid spreekt. Wil hij resultaat boeken, maar zich ook bewust tonen van de verantwoordelijkheid die zijn publieke ambt met zich meebrengt, dan benut hij de rekkelijke grenzen van een berekenend machiavellisme ten volle zonder te vervallen in aperte leugens. Een goede politicus weet dat het effect des te groter zal zijn als hij zijn slinksheid maskeert met charme en een beetje theater. Een hilarisch voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis is hoe PVDA-politicus Thijs Wöltgens een debat waarin zijn VVD-collega Frits Bolkestein hem in de hoek had gedreven toch in zijn voordeel wist te beslechten. 'U rekent op mijn consistentie…’, glimlachte Wöltgens. Na een korte pauze vervolgde hij: 'En dat kunt u niet.’
Een politicus leeft van de scheppende kracht van het woord en alleen daarom al is een objectief waarheidsbegrip in de politiek onbestaanbaar. Metaforen, hyperbolen en andere stijlmiddelen uit de retorica zijn de wapens in het debat, met het doel de tegenstanders te overtuigen van de noodzaak van een andere politieke koers. Het ene of het andere woord kan een heel verschil maken in de werkelijkheid die een politicus schetst. In de woorden van geschiedfilosoof Frank Ankersmit: 'Er bestaat een zekere losheid in de relatie tussen taal en werkelijkheid, die retorisch geëxploiteerd kan worden om nieuwe politieke realiteiten te scheppen.’
Ook de wetenschapsfilosoof Karl Popper onderscheidde wetenschappelijke waarheid van de democratische werkelijkheid, zij het dat hij de methode van de vrije wetenschap wel ten voorbeeld stelde aan politici: 'De zoektocht naar de waarheid vereist op z'n minst voorstellingsvermogen, leren door vallen en opstaan, de geleidelijke ontdekking van eigen vooroordelen en kritisch debat.’ Deze principes van de rationele discussie dragen de voorwaarden voor democratisch fatsoen in zich, meende Popper. Hij omschreef deze voorwaarden als: 'Openstaan voor een andere zienswijze, rechtvaardigheidsgevoel en de bereidheid tot compromis.’
Eigenschappen als ontvankelijkheid voor andere denkbeelden en compromisbereidheid zullen minder goed tot ontplooiing komen bij politici die weigeren hun waarheid te middelen met de waarheid van andere politici. Zo kan het debat in de greep komen van de mores van de getuigenispolitiek, met politici die zijn verschanst in het eigen gelijk. De politieke arena wordt in dat geval een strijdtoneel waarin de tegenstander hoe dan ook niet deugt. Een open afweging van het eigen argument tegen dat van de ander maakt dan plaats voor het gevecht om de beste oneliner, slechts bedoeld om de andere partij in de hoek te drijven.
Dat kan een destabiliserend effect sorteren op de werking van een politiek bestel als het Nederlandse. Daartoe behoort dat partijen elkaar tegemoet treden in het besef van een gedeelde democratische ruimte. Hoe hartgrondig, in felle bewoordingen zij ook met elkaar van mening verschillen, aan het einde van het debat valt een besluit en respecteren zij elkaar over en weer. Dat is de gepaste houding in een vertegenwoordigende democratie, waarin de een van de ander weet dat hij een deel van de samenleving representeert.

DAAROM HECHT DE Britse filosoof Isaiah Berlin (1909-1997) zoveel waarde aan het besef van diversiteit, tolerantie en relativeringsvermogen. In zijn klassieke tekst Twee opvattingen van vrijheid (1958) vraagt Berlin zich af waarom we in de natuur- of wiskunde geen vrije gedachten toestaan en in de politiek of de moraal wel. Het antwoord is dat mensen verschillend zijn en, anders dan de exacte wetenschap, allemaal hun eigen levensbeschouwelijke waarheid hebben. De erkenning van dat pluralisme is volgens Berlin de levensvoorwaarde van een democratie. Want zelfs als er wel één waarheid in de politiek mocht bestaan, wie beslist dan welke waarheid dat is? Zodra een machthebber zich die bevoegdheid toeëigent, zal het leven van andersdenkenden benauwd en onvrij zijn, waarschuwt hij.
Berlin onderkent tegelijkertijd dat mensen ertoe neigen de eigen levensovertuiging als waar en onbetwistbaar te beschouwen. Dat geeft hun het houvast waaraan ze van nature behoefte hebben. Een politicus kan eigenlijk niet zonder die zekerheid van het eigen gelijk, wil hij de overtuigingskracht ontplooien die zijn vak vereist. Aan de hand van deze waarnemingen formuleert Berlin wat vrijheid in een democratie waarlijk inhoudt. Die vrijheid stoelt op het besef dat een ieder vrij moet zijn z'n diepste overtuiging onversaagd uit te dragen, zolang hij anderen maar niet dwingt te doen en laten wat hij zelf juist acht. Want dan beslist hij voor hen dat zij hun vrijheid niet waard zijn.
In een democratie kan niemand dus volledig zijn zin krijgen. Een politicus die zich daarvan bewust is streeft daar ook niet naar. In de complexe realiteit van een land als Nederland is buigzaamheid soms geboden om groepen burgers met uiteenlopende belangen fatsoenlijk met elkaar te laten samenleven.
Er is, kortom, reden tot zorg nu het Nederlandse bestel in een klimaat is beland waarin het schipperen en inschikken in een slecht licht staat. De consensusdemocratie, gericht op compromissen waarin ieder zijn deel krijgt, lijdt onder de destructieve kracht die het populisme uitoefent. Het wapen van de groepering van Wilders is dat zij alles wat onvermijdelijk traag en complex is in de democratie als een nodeloze zwakte neersabelt. Het kost andere partijen moeite zich daartegen te verweren. Wanneer zij proberen zorgvuldigheid te betrachten in een weerbarstige kwestie, met allerlei tegenstrijdige belangen, dan zullen de populisten roepen dat 'ze’ het moeilijker maken dan het is, geen knopen durven door te hakken en niet naar het volk luisteren.
In zijn tijd heeft Berlin meer dan genoeg voorbeelden gezien van de wreedheden en intolerantie die inherent zijn aan politieke systemen gestoeld op de idee van het eigen gelijk. 'Alle gesol met mensen, alle bemoeizucht, alle manieren om hen tegen hun wil naar ons patroon te vormen, om hun gedachten te beheersen en hen te conditioneren, komen neer op een ontkenning van datgene wat mensen tot mensen en hun waarden tot ultieme waarden maakt’, noteert hij.
Mijn stelling is dan ook dat een afscheid van de waarheid als doel van de politiek bevrijdend kan werken. Zo'n afscheid maakt meer ruimte voor wat politiek in de kern is: een vreedzame wijze van omgaan met verschillen.
Deugden als 'altijd en overal de waarheid spreken’ behoren tot de ethiek van de privé-sfeer. Daarin is het een onmisbaar uitgangspunt in de opvoeding van kinderen en in de omgang tussen partners en vrienden, hoewel zij ook daarin soms hun toevlucht moeten nemen tot een leugentje om bestwil om de verhoudingen goed te houden. In de publieke sfeer geldt evenwel een ander ethisch register. Daar laat de regel 'altijd en overal de waarheid spreken’ geen ruimte voor beredderen, schikken en plooien. Zoals rechtsfilosofe Dorien Pessers stelde: 'Zodra de burger zijn huis verlaat en in de openbaarheid treedt, behoort hij een acteur te worden en zich aan te passen aan de formele rollen die hij in de publieke sfeer speelt. Deze inauthenticiteit is geen kwestie van misleiding of een valse voorstelling van de eigen persoon. Integendeel, in het theater van de wereld verschijnen mensen met maskers op, in hun rollen van werknemer, docent, arts, ambtenaar, politicus of burger.’
Pim Fortuyn is met zijn motto 'zeggen wat je denkt en doen wat je zegt’ in de politiek de katalysator geweest van het proces waarin de mores van de privé-sfeer het publieke domein zijn binnengedrongen. Pessers citeert de Tsjechische schrijver Milan Kundera om te laten zien welke bedreiging voor het openbare leven deze tendens vormt: 'Iedereen die in het publieke leven dezelfde is als in het intieme leven kan een monster zonder zin voor verantwoordelijkheid zijn. Privé kan ik bijvoorbeeld over een gezamenlijke vriend die iets stoms heeft gedaan zeggen dat hij een idioot is, dat zijn oren moeten worden afgesneden, dat hij ondersteboven moet worden gehangen. Dezelfde tekst uitgesproken voor de radio zou geen grapje maar onverdraagbare ernst zijn.’
Daarom gelden volgens Pessers buitenshuis de wetten van het theatrum mundi, het theater van de wereld, een geheel van gedragscodes die mensen in staat stellen in het sociale leven te verkeren met medeburgers die zij privé niet zouden kunnen luchten of zien. Een politicus die onder alle omstandigheden onbekommerd zijn eigen waarheid wil ventileren kan een destructief effect uitoefenen, zowel op de maatschappelijke verhoudingen als op het politieke proces.

IN BREDER PERSPECTIEF gezien staat de politieke ordening onder druk waarin de verscheidenheid van de Nederlandse samenleving tot uitdrukking komt. Die ordening wordt belichaamd in de subtiliteiten en ongeschreven regels, de normen, procedures en tradities van het bestel. Gaandeweg ontstaat een klimaat dat het publieke vertrouwen in dat geheel ondergraaft, waarbij het optreden van de populisten als katalysator werkt.
De politicoloog André Krouwel en de Belgische socioloog Koen Abts spreken van een groeiend gebrek aan 'systeemvertrouwen’ bij de kiezers. 'Naast hun bovenmatige invloed op inhoud en stijl van de andere partijen, zit het gevaar van populisten in hun ondermijnende effect op het denken over representatieve democratie’, zegt Krouwel. 'Ze stellen alle vertegenwoordigende organen in een democratie voor als deel van de elite die zichzelf bevoordeelt. Politieke partijen, maatschappelijke organisaties, vakbonden, werkgeversorganisaties, allemaal foute boel. Ze maken alles onnodig ingewikkeld. Ook parlementen zijn eigenlijk overbodig. Al dat gepraat, dat duurt maar en dat duurt maar. Moeilijk doen terwijl het makkelijk kan.’
Krouwel en Abts signaleren dat de traditionele partijen de populistische retoriek over het falende Den Haag in afgezwakte vorm overnemen, waardoor zij bijdragen aan de negatieve spiraal van het politieke ongenoegen. De auteurs zijn somber over het perspectief: 'We vrezen dat de populistische besmetting van de massa én van de elite eerder dreigt uit te draaien in de ondermijning van de rechtsstaat en van het systeemvertrouwen dan dat deze politiek het volk daadwerkelijk perspectief en macht teruggeeft. Op lange termijn lijkt zulke populistische politiek de boemerang van nog meer politieke wanhoop, cynisme én vervreemding.’
Een kenmerk van totalitaire politieke systemen is dat zij pretenderen de waarheid in pacht te hebben. Navrant is dat het communisme, het politieke systeem dat in naam van zijn eigen waarheid miljoenen slachtoffers heeft gemaakt, zijn officiële orgaan Pravda, 'waarheid’, doopte. Ook in Nederland gaf de communistische partij haar krant deze naam. Volgens Frank Ankersmit zijn wij 'nette mensen’ geworden dankzij het besef dat we met de waarheid voorzichtig moeten omspringen: 'Veel ellende in de geschiedenis van de wereld is voortgekomen uit waarheidszoekerij, uit grote speculatieve systemen als het nazisme en communisme. Als de waarheid op dat niveau haar intrede doet in de politiek, is het uitkijken geblazen.’
Jos de Beus maakt daarom een onderscheid tussen de waarheid als middel en de waarheid als doel van politiek. De waarheid is in een democratie het onmisbare middel waarmee politici kunnen fungeren als controleurs van de machthebbers. De Beus citeert met instemming de voormalige Tsjechische president Václav Havel, een van de slachtoffers van het regime ten tijde van de communistische dictatuur. Ook Havel meent, met De Beus, dat een politicus weliswaar niet op elk moment de onverbloemde waarheid hoeft te zeggen, maar wel wordt hij geacht integer en onkreukbaar gebruik te maken van de grote verantwoordelijkheden en bevoegdheden die hem voor een bepaalde tijd worden toegekend. Daarop moeten zijn controleurs hem beoordelen.
Een machthebber die zijn verantwoordelijkheid voor integer handelen al te licht neemt, loopt het risico de legitimatie van zijn eigen beleid te ondergraven. Zo bezien is het ook in zijn eigen belang politiek in waarheid te leven. Hoe gerechtvaardigd de inval in Irak destijds wellicht ook was om wille van de veiligheid van de wereld, president George Bush verspeelde veel van zijn politieke krediet door de minister van Buitenlandse Zaken, Colin Powell, voor de Verenigde Naties te laten liegen over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in dat land.
Een politicus moet dus integer en onkreukbaar handelen gezien zijn verantwoordelijkheid voor het publieke belang. Tegelijkertijd is datzelfde publieke belang erbij gebaat dat geen politicus zijn eigen doel met de 'waarheid’ vereenzelvigt, laat staan dat doel beschouwt als de scheidslijn tussen goed en kwaad. Het blijft hoe dan ook zijn beeld van de werkelijkheid, waarmee hij van opvatting zal verschillen met anderen.
Een democratie heeft er dus een probleem bij als zich een politicus meldt die een absolute claim op de waarheid legt en zich aan het debat over beelden van de werkelijkheid onttrekt door anderen 'flauwekul’ of 'onzin’ te verwijten. En zelfs als hij de waarheid aan zijn zijde mocht hebben, dan nog kan het in een democratie ongewenst zijn naar die waarheid te handelen. Stel dat Wilders gelijk heeft met zijn beeld van de islam als een gewelddadige ideologie. Wat moet Nederland dan met die waarheid aan? De consequentie die Wilders eraan verbindt is dat hij de moslims in Nederland het leven zuur wil maken en hen tot tweederangsburgers degraderen, met minder rechten dan andere Nederlanders. Daarmee tornt hij aan het uitgangspunt dat alle burgers voor de wet gelijk zijn. Dat is het funderend beginsel van de democratische rechtsstaat en een onmisbare voorwaarde voor vreedzaam samenleven.
'In een democratische samenleving wordt resoluut afscheid genomen van de aanspraak op waarheid door een staat’, schrijft De Beus. 'Politiek is iets heel anders dan wetenschap of strafrecht. Zij draait niet om waarheidsvinding maar om voortgaande meerderheidsvorming inzake de vraag wat het algemeen belang van vrije en gelijke burgers inhoudt en wat dit betekent voor de praktische doelen en prioriteiten van de overheid.’

DAT DE WAARHEID in de politiek niet altijd het hoogste recht hoeft te zijn, bleek in het debat, eind juni 2006, over het paspoort van het VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali. VVD-minister Verdonk (Vreemdelingenzaken) dreigde het paspoort in te trekken omdat ze gerede twijfel had of het Kamerlid de waarheid over haar naam had gesproken, toen zij in de jaren negentig asiel in Nederland aanvroeg. De Kamer realiseerde zich destijds met een schok de relativiteit van die waarheid, nu de asielzoeker deze keer het gezicht had van het medelid Ayaan Hirsi Ali. Door de regel dat wie geen juiste naam opgeeft in Nederland automatisch ongewenst vreemdeling is, raakte de Kamer verzeild in absurdistische taferelen over de vraag of de vrouw die iedereen kende als Hirsi Ali was wie zij zei dat ze was. Dat absurdisme was tegelijkertijd de winst van het debat. Het bracht, in elk geval voor dat moment, de Kamer tot het besef dat de eigen logica van een 'restrictief vreemdelingenbeleid’ bizarre uitkomsten kon hebben. Die logica verhief de bureaucratische waarheid over de juiste naam en het juiste geboortejaar boven het echte verhaal van asielzoekers die, zoals Hirsi Ali, naar Nederland kwamen omdat zij hun leven in eigen hand wilden nemen.
Het 'Ayaandebat’ maakte duidelijk dat rechtvaardigheid in het asielbeleid het slachtoffer kan zijn van rigiditeit in de toepassing van de regels. In deze rigiditeit doet de waarheid van het vluchtverhaal van een asielzoeker er niet toe en ontstaat een eigen uitleg van de werkelijkheid, waarin elke afgewezen vluchteling een fraudeur en gelukszoeker is. In het debat omarmde Verdonk de bureaucratische waarheid. De vrouw die ook zij al jaren kende als Hirsi Ali bestond voor haar niet meer als Nederlander: 'Iemand komt in dit land, geeft een naam op en meldt na enige tijd dat zij in werkelijkheid anders heet. Dat kan toch niet!’
In de barre jaren dertig in Duitsland zag de journalist Sebastian Haffner (1907-1999) hoe allerlei instituties van de rechtsstaat lange tijd van buiten dezelfde gedaante behielden en onderwijl van binnen sluipend van karakter veranderden. Hij beschrijft de dag dat de vechtjassen van Hitler het gebouw van het gerechtshof in Berlijn binnenvielen, waar hij als jurist werkte. Die dag zag eruit als alle andere dagen. Haffner zat in de bibliotheek met een dossier, net als zijn collega’s: 'In het ruime vertrek heerste, als alle dagen, de onhoorbaar krakende stilte van veelvoudige, geconcentreerde geestelijke arbeid. Terwijl men met het potlood over het papier ging, haalde men de onzichtbaar fijne schaaf en vijl van de juridische procedure over een zaak, bracht rangschikking aan, vergeleek, woog de betekenis van een woord in het een of andere contract, onderzocht welke portee het hoogste gerechtshof toekende aan een bepaald artikel.’ Dat schouwspel liet zich ook schetsen nadat de SA het gebouw was binnengedrongen om Haffners joodse collega’s weg te voeren: 'Toen ik het gerechtshof verliet, stond het er grauw, koel en onbewogen bij als altijd, statig wat achteraf, weg van de straat, achter de bodem van het park. Men zag het er niet aan af dat het zojuist als instituut ineen was gestort.’
Haffner voert het ijzingwekkende tafereel op om zijn verhaal over de 'verborgen essenties’ van een democratie kracht bij te zetten. Hier gaat het om de essentie dat de politiek een nooit eindigend debat is over een reeks van voorstellen om op een bepaalde wijze tegen de werkelijkheid aan te kijken. Wat een goede politicus onderscheidt van een slechte politicus is dat deze essentie voor hem niet verborgen blijft.


Dit is een ingekorte, geactualiseerde versie van een essay in het Jaarboek parlementaire geschiedenis 2010. Dat verschijnt in de derde week van november bij uitgeverij Boom