Bevroren tijd

Het zou me niets verbazen als Het lied en de waarheid, althans het lange eerste deel ervan, de laatste autobiografische roman is waarin een gelukzalige jeugd in Nederlands Indië wordt beschreven. De sfeer van tempo doeloe, de kruidige geuren en de exotische gewassen - de kleuter Louise Benda laat het allemaal ten volle op zich inwerken. Maar het boek vormt waarschijnlijk ook een van de laatste boeken waarin de oorlog en onderduik vanuit eigen ervaring worden weergegeven.

Helga Ruebsamen heeft dan ook heel lang gewacht met het te boek stellen van haar eigen geschiedenis. Ze maakte, al in de jaren zestig, furore met sardonische verhalen over de Haagse beau monde. Ze schreef over bacchantische uitspattingen en verloedering, over onberispelijke heren die zich in gecamoufleerde bordelen aan orgiën overgeven, en over de geneugten van de sterke drank. Na een merkwaardige stilte van zeventien jaar ging ze in Op Scheveningen door met het schrijven over de vervallen Haagse chic.
Na het lezen van Het lied en de waarheid ben je geneigd te denken dat die lange periode van zwijgen ook te maken heeft gehad met het boek dat ze moest schrijven maar dat zich nog niet liet schrijven. In haar schilderachtige verhalen is Ruebsamen een geamuseerde buitenstaander die scherp ziet en niet oordeelt; in haar lijvige autobiografische roman kijkt ze even nauwgezet, maar het perspectief ligt bij het kind dat ze vroeger was. De haast voyeuristische afstand van haar verhalen vind je terug in Het lied en de waarheid, alleen is het nu de afstand van een eenzelvig kind dat veel aan haar lot wordt overgelaten.
Het eerste deel, ‘In de tuinen van Dewi Koesoema’, speelt zich af op de waranda en in de weelderige tuin bij het huis in Bandoeng waar de kleine Louise met haar familie leeft. Ruebsamen beschrijft een typische hortus conclusus, die veel weg heeft van de hof van Eden. De tjitjaks klimmen er langs de muren van het huis, je hoort er de geluiden van de tokeh en andere nachtdieren, als de zon is ondergegaan begint het leven van de inheemse 'nachtmensen’ die Louise verwennen met siroop en groene en roze kleefkoek. In de tropische tuin zijn de oosterse sprookjes levend: in de waringinboom is de prins die ooit in een boom veranderde nog duidelijk te herkennen, zijn geliefde prinses Dewi Koesoema ligt trouw als een vijver aan zijn voeten. Het paradijs kent geen tijd, het is er elke dag zomer, de ene gelukkige dag is niet van de andere te onderscheiden.
Ruebsamen weet heel mooi Louises magische ervaring van de wereld om haar heen vast te leggen. Ze schrijft consequent vanuit het perspectief van het kind dat veel ziet maar nog lang niet alles kan begrijpen. Voor Louise is de grens tussen werkelijkheid en fantasie vloeiend; de volwassen lezer krijgt langzaam maar zeker een beeld van de ingewikkelde familieverhoudingen. In haar onschuld drijft Louise die verhoudingen op de spits. Op een gegeven moment wil ze met haar tante Margot een nieuw spel spelen, 'het zwarte tafelspel’, waarbij je heftig rollend, steunend en hijgend moet bewegen. Als tante Margot begrijpt dat het spel is geïnspireerd op haar zus en haar eigen verloofde die ’s nachts door het kind zijn betrapt, komt er een doem over het geluk te hangen.
Die doem zet door: de familie verlaat in de lente van 1939 het paradijs en maakt de lange zeereis naar Europa. Het kinderperspectief werkt hier schrijnend: ook al heeft Louise oog voor de blauwe brieven die als gevaarlijk fladderende vogels uit Europa komen aanvliegen en voor de onheilspellende kranteknipsels die zijn bijgevoegd, ze betrekt het vertrek uit de tuin vooral op zichzelf. Ze geeft, onbegrijpend als ze is, zichzelf de schuld van het verdriet van tante Margot, de ruzies en de val uit het paradijs.
Vanaf de zeereis gaat het van kwaad tot erger. Aan boord van de Garoeda maakt Louise kennis met Koning Winter: de warmte, de koestering, de geuren, alles trekt uit haar weg, 'daarvoor in de plaats was die koude gekomen, maar eigenlijk niet, want koude bestond immers niet, het was juist iets dat er pijnlijk niet was, een gemene leegte.’ Op de boot staat net als in de tuin de tijd stil, de dagen rijgen zich aaneen als een lange dag. Voor de heerlijke tijdloosheid is een ellendige bevroren tijd in de plaats gekomen.
Louise komt, na een verblijf in een akelig winters Parijs, in Den Haag terecht, in het huis van haar grootmoeder. Ook daar vangt ze van alles op dat ze niet begrijpt. Ze zit onder de tafel, aan het zicht onttrokken door de Perzische kleden, en hoort de volwassenen praten over de naderende oorlog en over wat er met de joden in Duitsland gebeurt. Ook hier kan de lezer zijn eigen conclusies trekken uit Louises observaties: de familie van haar vader is joods, het dreigende onheil heeft op haarzelf ook betrekking.
In het vierde deel van de roman, 'Het waterland’, beschrijft Ruebsamen de onderduik van Louise en haar vader op het platteland. Ze zijn 'kamermensen’ geworden, verborgen voor de buitenwereld. De tijd staat beklemmender stil dan ooit. In Indië kon Louise nog vrijelijk van de werkelijkheid in de fantasie stappen; na het tafelspel is ze op haar hoede en houdt ze haar geheime nachtleven voor zichzelf. Ze splitst zichzelf in twee Louises. De 'slome Louise’, zoals ze het zelf noemt, is aangepast en braaf, die ligt ’s avonds keurig in bed terwijl de andere, ongrijpbare Louise zich inbeeldt dat ze onzichtbaar is en op avontuur uit gaat.
Gelukkig is het Ruebsamen gelukt haar kindertijd op papier te krijgen. In Het lied en de waarheid maakt ze zowel het geluk in de tropen als de traumatische gebeurtenissen in Europa werkelijk voelbaar. Gelukkig schrijft ze niet over haar pijnlijke kinderervaringen; ze roept het kind in prachtig proza weer tot leven.
Die paar passages die over de volwassen Louise gaan of die het geheugen bespiegelen, hadden wat mij betreft geschrapt mogen worden. Ze noteert bijvoorbeeld ergens: 'Het geheugen is een eigenzinnige verzamelaar, die zijn collectie slordig beheert. Wat werd opgeslagen, is niet gerangschikt in volgorde van belangrijkheid, met oog voor een fraaie samenhang. Loze kreten zijn nauwkeuriger gearchiveerd dan dure eden. Onbeduidende ontmoetingen zijn zorgvuldiger bewaard dan gebeurtenissen die keerpunten bleken te zijn.’ Zo'n passage is nodeloos plechtstatig en overbodig, want Het lied en de waarheid is zelf een heel mooie verbeelding van een eigenzinnige verzameling.