Bewaren

De ‘tijdelijke eeuwigheid’ – een dichter wiens naam ik ben vergeten heeft dat ooit gedicht.

Ik moest aan die woorden denken toen ik een gephotoshopte foto zag.

Ik herinner me dat toen de digitale fotografie en photoshop in de mode kwamen ik af en toe iets las over de angst dat de ‘echte fotografie’ nu wel zou ophouden te bestaan.

Het lijkt een wetmatigheid: er wordt iets nieuws uitgevonden, zoals foto, film, televisie en de computer, en vervolgens wordt dan meteen het in memoriam uitgesproken van het voorafgaande.

Maar het oude verdwijnt niet. Het ontwikkelt zich gewoon verder.

Toen ik in de jaren zeventig studeerde, waren er regelmatig ‘symposia’ over het einde van de roman. Iemand stelde eens in die jaren: ‘Alle mogelijke verteltechnieken zijn geanalyseerd; er is geen auteur die daar nog iets aan kan toevoegen.’

Ik herinner me nog dat we in het café dit voorlegden aan Willem Wilmink.

‘Het sonnet bestaat ook al sinds de dertiende eeuw, maar er worden tegenwoordig nog steeds heel goede sonnetten gemaakt’, zei Willem.

Daarin heeft hij gelijk.

Daarom zal de roman ook niet verdwijnen, het boek niet, het schilderij niet, en de film ook niet. Mijn voor de hand liggende stelling is derhalve: alles wat bewaard kan worden, blijft bestaan.

Tegenwoordig staat er in bijna alle boeken die worden gedrukt een FSC-logo, wat betekent dat het papier van ‘verantwoorde herkomst’ is. Ik ben wel eens bang dat daardoor misschien wel de bomen gered worden – wat een goede zaak is, natuurlijk – maar dat het papier eerder uit elkaar valt. En daarmee verdwijnt het boek.

Papier, goed deugdelijk papier, is juist een van die zaken die het langst blijven bestaan.

Een groot deel van mijn archief op computer kan ik moeilijk terughalen. Ik heb geen computer meer die mijn oude schijven en disks kan lezen, en daarnaast zijn er sommige programma’s verouderd (zoals Apple Works) waarvan ik gebruik maakte toen ik schreef. Ik heb destijds mijn oude Atari moeten weggooien omdat hij het niet meer deed – en waarin halve boeken, brieven en aantekeningen stonden. Ik heb nu een extra harde schijf, maar die kan gestolen worden, en dus werk ik nu met memory keys, maar die stellen me ook niet gerust.

Ik moet leren dat niet alles bewaard kan worden.

Maar het verdwijnen van cultuur is wat ik zonde vind.

Ik weet dat Julius Caesar nog literair werk heeft gemaakt – waaronder een Oedipous-verhaal – dat wij niet kennen. Het is teloorgegaan. Zonde. Sommigen zeggen dat Caesar gedichten heeft geschreven. Weg. We kennen alleen maar fragmenten van Sappho. De rest is verdwenen. Het kan natuurlijk dat ze ooit nog eens opduiken, maar daar heb ik nu niets aan.

Onlangs was ik in een boekhandel en zag ik een boek van Harry Mulisch liggen.

‘Koopt iemand dat nog wel eens?’ vroeg ik.

‘Zelden’, was het antwoord.

Ik troostte me met de gedachte dat al zijn werk op te zoeken is.

Ooit kan iemand er iets aan hebben.

Maar hoe heette die dichter van de tijdelijke eeuwigheid?

Het was een slechte dichter, dat weet ik nog. Een kleine schrijver.

Maar zelfs die kleine schrijver heeft iets voor de tijdelijke eeuwigheid gedaan.