KUNST

Beweeglijk en innemend

Alexander Calder

Centre Pompidou heeft nu een tentoonstelling in huis over de zeven Parijse jaren van de Amerikaanse beeldend kunstenaar Alexander Calder (1898-1976) en die afbakening is een goede beslissing. In 1926, als Calder naar de stad verhuist, is Parijs de plek waar kunst automatisch lijkt te ontstaan, een magnetisch veld voor schilders en schrijvers en andere creatieve krachten die nu in keurige opsommingen de geschiedenisboeken bevolken. Ook voor Calder is de stad een fait accompli, ‘the place to go, on all accounts of practically everyone who had been there’, zoals hij het zelf uitdrukt.
Calder arriveert niet als een heel jonge man in Parijs. Zijn ouders – vader is beeldhouwer, moeder kunstschilder – hebben hem gewaarschuwd voor het onzekere kunstenaarsbestaan en hij is dan ook opgeleid tot ingenieur. Handig is Alexander altijd geweest: vanaf zijn achtste vervaardigt hij zijn eigen speelgoed. Maar na zijn 25ste schrijft hij zich toch in aan een kunstacademie en neemt hij tekenopdrachten aan. De expositie opent met een kleine verzameling van zijn getekende werk voor The Police Gazette (1925). Vlotte en vermakelijke voorstellingen zijn het – ingebed tussen talrijke advertenties voor vuurwapens – over de nieuwe film van Chaplin of over de legendarische Finse hardloper Paavo Nurmi (1897-1973). In Parijs wordt Cirque Calder (1926-1931) zijn eerste grote project, een circus van zelfgemaakte poppen. Geïnspireerd door het Ringling Brothers Barnum & Baily Circus maakt Calder met ijzerdraad, kurk, vilt en verf zijn spelers en beesten voor een ring zo breed als een regenton. Door ingenieuze mechanica koppen twee zeehonden zonder veel menselijke inmenging een bal over en springt een vrouwelijke acrobaat op de rug van een rijdend paard. Calder bedient alles met de hand, hij treedt op met twee uur durende shows voor betalend publiek, maar ook voor bevriende kunstenaars als Joan Miró en Marcel Duchamp.
Behalve aan zijn circus werkt hij aan zijn draadsculpturen, waarvan de tentoonstelling een fraaie verzameling heeft opgenomen. Figuren uit ijzerdraad, luchtig en beweeglijk, maar onmiddellijk innemend en overtuigend. Bijzonder zijn ook zijn gevlochten portretten van bijvoorbeeld Jimmy Durante (1893-1980) of Kiki de Montparnasse (1901-1953). Na een bezoek aan het atelier van Mondriaan komt Calder op het idee van zijn andere uitvinding: de mobiles, staande of hangende kinetische sculpturen, tegenwoordig vooral bekend van de wieg en babykamer. Het zal zijn afscheidsgeschenk aan Parijs blijken.
Als kunst het creëren van geestelijke ruimte voor een verbeeldingsvolle visie op de werkelijkheid betekent, dan is Calder een groot kunstenaar. Zijn circus en draadsculpturen zijn effectief impliciet, ze leveren een exact minimum aan aanwijzingen om hun vormen tot leven te wekken. Op YouTube zijn korte filmpjes te zien van Cirque Calder, fragmenten van een film die ook in Pompidou wordt vertoond. Een gezette, grijsharige man op zijn knieën, achtergrondmuziek van een krakende lp, als ieders favoriete grootvader bedient Calder zijn poppen en machines. De wereld is fictie, de oude ringmeester doet er niet moeilijk over, een man steekt zijn hoofd in de muil van een leeuw, de trapezeartiest vliegt als een vogel. Alles zo werkelijk als onze verbeelding ons wil doen geloven.

Alexander Calder: Les années parisiennes, 1926-1933, Centre Pompidou, Parijs, t/m 20 juli; www.cnac-gp.fr