KUNST

Beween de doden

Christian Lemmerz

De Denen zijn doorgaans lutheraans van religie, maar hun kerkgebouwen lijken als twee druppels water op de Nederlandse: kalme Hendrick de Keyser-achtige Renaissance-architectuur in rode baksteen, met fraaie klokkentorens en verwaarloosde interieurs – want ook in Denemarken bloedt het kerkbezoek dood. Daarmee zijn de strenge lutherse sentimenten echter nog niet verdwenen, evenmin als de calvinistische bij ons. Dat verklaart, misschien, de grote status van de Duits-Deense beeldhouwer, schilder en performance-kunstenaar Christian Lemmerz (Wuppertal, 1959). Lemmerz, die in Carrara en Denemarken werd opgeleid, geldt enigszins als het enfant terrible van de Deense beeldhouwkunst. Als een ouderwetse kanselredenaar stort hij de donder en bliksem van de vergankelijkheid over zijn medemensen uit. In Nederland was hij in 2002 te zien in Den Haag, tijdens Den Haag Sculptuur 2002: Europe’s Image, Myth & Religion.
In de jaren tachtig openbaarde Lemmerz een obsessieve belangstelling voor dood en verderf. Hij veroorzaakte een pre-Damien Hirst-schandaal met Body(mirror), een serie grote glazen vitrines waarin de karkassen van varkens lagen te rotten. Kort geleden nog schopte hij de goegemeente tegen de schenen met City of God (CPH), een replica van een Kopenhagense straat na een bomaanslag.
In diezelfde stad is nu een plechtige presentatie te zien, Largo, die Lemmerz’ hele werk in zekere zin samenvat. ‘Largo’ is in muzikale zin bedoeld, het tempo van statige, droevige muziek, want dit is een tot stilstand gekomen treurmars. Langs de wand hangen zeven zeer grote bronzen reliëfs, ruw, asfaltkleurig. In de ruimte staan vijf grote bronzen vrijstaande beelden. De reliëfs zijn getiteld Graf, en de losse objecten – een doodskist, een schep, een kerkklok – maken van de museumzaal een sacrale, rituele ruimte. Het is of je in de grafkapel van een van die oude lege lutherse kerkgebouwen staat. Die kerkklok past daar bij: in Duitse steden liggen nogal eens gehavende kerkklokken in een hoekje van de kerk, die naar beneden zijn gekomen tijdens een WO II-bombardement, en gebarsten bleven liggen. De reliëfs zijn lelijk: ze zien eruit als een grafveld waarvan de aarde wegspoelt zodat de schedels voorzichtig aan de oppervlakte komen. De kist en de schep laten weinig aan de verbeelding over.
Maar waar het hier om gaat is om het materiaal. Lemmerz is een voortreffelijke vakman, maar hij worstelt met het feit dat de klassieke materialen voor rouw en herdenking – marmer en brons – in zijn ogen besmet zijn, besmet door kitsch en door geschiedenis. Bronzen beelden zijn het mikpunt van hysterische emotie, opgefokt publiek rouwbeklag. Met oprecht verdriet hebben ze weinig meer te maken. Marmer, zei Lemmerz ooit, is zoiets als Walt Disney, of Wagner: een gevaarlijk kleverige substantie, die in de hedendaagse kunst alleen nog in een ironische context – Koons, Quinn – kan worden gebruikt.
Het brons van Largo is daarom in verschillende soorten aanwezig. Grof en lava-achtig, in de reliëfs; glanzend, in een grote bloem; stemmig bruin in de sarcofaag. Die verschillende stadia van het metaal zou je kunnen zien als stadia van het leven zelf, variaties van warm en levend naar koud en hard. In de stolling moet dan ergens de ziel zichtbaar worden. Uiteindelijk maakt de inscriptie op de klok het ’t duidelijkst: FUNCTUS PLANGO, VIVOS VOCO, FULGURA FRANGO. Ik beween de doden, ik roep de levenden, ik breek de bliksem. Het is Lemmerz, die dat zegt.

Christian Lemmerz, Largo. Statens Museum for Kunst, Kopenhagen. T/m 6 maart 2010. www.smk.dk