Bewegingen van het hart

ZOALS HET CENTRUM van de wereld lange tijd de omphalos van Delphi is geweest, zo heeft men lang gedacht dat het centrum van de mens zijn navel was. Via de navelstreng zijn we allemaal verbonden met de eerste mens, laten we hem Adam noemen, die natuurlijk géén navel had. Of eigenlijk met Eva, uit een rib van Adam gemaakt, die louter een navel ter versiering had, want anders is de buik van de vrouw wel erg kaal. Zoals nog steeds gaat (voor de man) de schoonheid van de vrouw uit vóór haar nut.

Het heeft mij wel eens verbaasd dat men nooit het geslacht van de mens als zijn middelpunt heeft gezien. Het hoofd heeft men als zodanig nooit beschouwd. Wel zijn hart.
Vraag je eens af hoeveel je van een mens af kunt halen zonder zijn ‘ik’ uit te wissen. Een romp met een hoofd is nog een persoon. Waarschijnlijk kun je zo ver gaan als een borstbeeld toestaat - dat wil zeggen dat je de scheiding zo ongeveer bij het middenrif moet maken. Maar waar blijft de ziel van de mens, zetel van zijn persoonlijkheid, of zijn bewustzijn, als je hem onder de guillotine legt? Nergens, in geen van beide helften, want bij de dood verlaat 'de ziel’ het lichaam. De persoonlijkheid schuilt allerminst in de stoffelijke resten. Een hoofd is geen mens meer; een hoofd heeft geen persoonlijkheid.
Toch vind ik de deling van Descartes heel bruikbaar in het dagelijkse leven. Het lichaam sleep je moeizaam met je mee en het verstand is de directiekamer van de fabriek. Behalve het tastzintuig zitten de overige zintuigen ook aan de kop: neus, mond, oren en ogen. Daarmee verwerken wij onze indrukken. Maar zodra het de gevoelens of emoties betreft, is dat hoofd van ons niet meer genoeg. Het kan alleen maar hoofdpijn hebben.
In spreekwoorden en zegswijzen speelt voor de gevoelens vanouds het hart een centrale rol. Nu is ook dat betrekkelijk, want in Italië bijvoorbeeld speelt de lever eerste viool. Wanneer wij zeggen: pas op, je hart kan dat niet aan, zeggen de Italianen dat de lever het niet verwerken kan. 'Heb niet het hart om dat te doen!’ heet in dat land: geen lever hebben. Geen lef, geen lever. Fysiologisch gezien heeft de lever ook veel meer functies dan het hart. Een harttransplantatie is kinderwerk vergeleken bij een levertransplantatie. Alle cardiologen die mij gevisiteerd hebben, beweerden dat het hart louter een mechanische functie heeft - die van een pomp. En zo zakelijk praten ze erover en werken ze ermee. Maar laten we de medische branche eventjes met haar eigen handel. Ook de takken daarvan die zich met de hersens bezighouden, neurologen, of met de ziel, de psychiaters. Beide categorieën neigen naar het biologische standpunt dat gevoelens in de kop worden aangemaakt. Dat is een zakelijke en wellicht efficiënte houding, maar eerst treed ik liever even terug.
BIJ HART DENK IK in de eerste plaats aan het mooie woord hartstochten, dewelke Aristoteles noemt moti animae, ofwel de bewegingen van de ziel. En laat ik nu in plaats van 'hart’ of 'ziel’ het woord 'gemoed’ gebruiken (de kwestie van het bewustzijn buiten beschouwing latend). Volgens mijn woordenboek is het gemoed het binnenste van de mens als zetel van zijn geestelijk gevoel (veelal in tegenstelling met het verstand), ofwel inborst - dat wat de Grieken thumos noemden. 'Gemoedsaandoening’ is een gewaarwording van het gemoed. 'Gemoedsbeweging’ een sterke aandoening of emotie, en 'gemoedsleven’ het 'hogere leven ofwel het innerlijke leven’. We kunnen ook spreken van mijn oudtante Agatha, die een 'groot gemoed’ bezat, dat wil zeggen: geweldig grote tieten, maar dat is een eufemisme. 'Gemoeds- of stemmingsstoornissen’ - daarmee ben ik ook goed bekend, in tegenstelling tot persoonlijkheidsstoornissen. Maar over de pathologische aspecten van het gemoed wil ik het later hebben.
Kunstenaars hebben niet alleen vaak te kampen met hun stemmingen en stemmingswisselingen, zij hebben de hartstochten ook nodig voor hun werk, voor zover zij bij anderen bepaalde gemoedsbewegingen willen oproepen. Geen wonder dat zij in de eerste plaats hun eigen hartstochten verkennen, en zelfs opzwepen om er de uitersten van te bereiken. Vanuit een dramatisch standpunt is het duidelijk dat de wildste hartstochten het meest bruikbaar zijn, al was het om de eenvoudige reden dat rust en evenwicht het ontbreken van elke handeling vooronderstellen - totaal onbruikbaar voor de dichter wiens doel het nou net is om een handeling uit te beelden waarin verschillende krachten met elkaar in conflict komen.
Gemoedsbewegingen kunnen op die manier als door God aangereikte instrumenten zijn om de mens tot het goede of het kwade te bewegen. Van oudsher wordt hun zetel in de daartoe ontvankelijke ziel gezien. Daarin zijn de hartstochten verzameld als de wilde dieren in de ark van Noach. Wanneer zij door de hun gestelde grenzen heenbreken, laten zij de menselijke geest hun vernietigende werking voelen, zoals ik zelf mocht ervaren. Maar met de middelen van de retorische affectenleer (affect is het technische woord voor gemoedsbeweging) is de schrijver ook een instrumentarium ter hand gesteld, met behulp waarvan hij naar believen op het klavier van de menselijke ziel kan spelen!
Het is een voorschrift van de retorische voordracht dat de redenaar zelf 'bewogen’ moet zijn om zijn publiek te kunnen bewegen. Dit principe is door andere kunsttheorieën (allemaal gemodelleerd naar de retorica) overgenomen, zowel in schilderkunstige traktaten als, vooral, door de figurenleer van de muziek. Het idee dat de liefdesdichter eerst zelf de gepassioneerde hartstochten moet kennen en voelen om overtuigend over te komen, bijvoorbeeld, is geenszins conform de romantische eis dat men onmiddelbaar uiting aan zijn eigen gevoelens moet geven, maar is eerder terug te voeren op deze retorische voordrachtsregels. Alleen op die manier kan hij een koude en levenloze geaffecteerdheid vermijden. De middelen ter overreding werden mettertijd de affectieve technieken of trucjes van de poëzie en het fictieve proza. De verschillende manieren om de feiten voor te stellen met het doel de rechters te overtuigen, werden overgenomen door poëzie, schilderkunst en muziek om de emoties gestalte te geven.
SINDS DE HOOG-RENAISSANCE was de afbeelding van uiterlijke trekken nooit het werkelijke doel van de kunst der nabootsing. Noodzakelijk natuurlijk, maar altijd ten dienste (zoals Plato het wilde) van het onthullen van liefde en haat en alle andere hartstochten die aangenaam of pijnlijk zijn voor de ziel. In zijn traktaat over de schilderkunst schrijft Leonardo als eerste dat geen afbeelding van een personage prijzenswaardig kan zijn als die niet de hartstochten van de ziel laat zien. Elke handeling moet de intentie laten zien van degene die hem uitvoert. Elk verhaal is evenzeer bedoeld om, in de botsende contrasten, zulke hartstochten uit te beelden én op te roepen als woede, pijn, angst, paniek, smart en dergelijke.
De humanistische theorieën maakten dan ook geen onderscheid tussen bewegingen (moti) en emoties (moti d'anima). In de woorden van Aristoteles hebben de lichaamsbewegingen een directe verwantschap met de bewegingen van de ziel: de ziel is een samenklank, of bezit harmonie. Een echo daarvan is bij Cicero te vinden, volgens wie het hele menselijke lichaam, de fysiognomie en de klank van de stem allemaal trillen als de snaren van een lier, volgens de bewegingen van de ziel die ze in beweging brengt.
De Grieken maakten een onderscheid tussen hartstochten die de ziel en het lichaam in beroering brengen (pathos), hartstochten die kalmte en evenwicht teweegbrengen (ethos) en hartstochten die een staat van verwekelijking of lust veroorzaken (volgens Plato en de antieken dienen die te worden vermeden).
Het pathos van de Grieken - de algemene term voor het aanspreken van de affecten - wordt in de moderne tijd de pathetiek van het gemoed, met name voor de uitdrukking van grote smart of uitbundige vreugde. Lust en smart, of vreugde en pijn, zijn vanaf Aristoteles de twee polen waartussen het gemoed zich kan bewegen. Samengestelde aandoeningen ontstaan dan uit de onderscheidbare mengverhoudingen van deze simpele oergevoelens.
HET HEEFT MIJ ALTIJD geïntrigeerd om, naar analogie van het Periodiek Systeem, een carte du tendre te vinden, waarin de verschillende emoties zo genuanceerd mogelijk onderscheiden worden. Verschillende indelingen zijn daartoe voorhanden. In de eerste plaats was het mij zelf al duidelijk geworden dat het 'in beweging brengen’ van het gemoed een stap terug betekent van het emotionele evenwicht waarin de mens zich normaliter bevindt. De aanstoot tot de beweging wordt altijd gegeven door het verlangen iets te winnen (de liefde van een vrouw) of te vermijden (dat ze weer wegloopt).
Vervolgens werd ik gewaar dat er gemoedstoestanden van langere duur zijn, zoals liefde, haat, afgunst en angst, maar dat diezelfde toestanden ook heel plotseling en in snelle afwisseling tot uitbarsting kunnen komen. (Zoals in de tragedie haat voor de schurk wordt gewekt, medelijden met de held en bewondering of afkeer voor een bepaalde daad.)
Je zou de gemoedsbewegingen kunnen verdelen volgens het criterium 'op het heden betrekking hebbend’ of 'op de toekomst betrekking hebbend’, maar ook in een onderscheid tussen vermeend goed versus vermeend kwaad. Dan veroorzaakt een onverstandige mening over aanwezige dingen en mensen lust, en een onverstandige mening over toekomstige zaken begeerte. Het moedwillig verlaten van de harmonische toestand van evenwicht is altijd onverstandig, maar kunstenaars moeten daar nu eenmaal mee werken. Een misvatting over huidige narigheid of kwaad zorgt voor pijn, over toekomstige angst. Je kunt tegengestelde paren maken van grondemoties als toorn versus mildheid, en medelijden tegenover verachting.
Zoals we gezien hebben is de eerste klassificatie van de retorica die tussen pathos en ethos (gemoed in beweging en gemoed in rust, ofwel gemoedsrust). Thomas van Aquino neemt in de ziel als oorspronkelijke tegenstelling vooral een begerende en een afwerende soort gemoedsbewegingen waar. De antieke medicijnman Galenus heeft zijn eigen indeling; de Stoïci onderscheiden als hoofdvormen lust, pijn, hoop en angst (allemaal te vermijden!). Verder terug ging Plato uit van de tweedeling tussen lust en pijn, en werkt Aristoteles deze twee uit tot een twaalftal grondbewegingen van het gemoed (de motuum genera). De middeleeuwse Brandolinus voegt de tegenstellingen tussen goed en kwaad en tussenheden en toekomstig samen tot hij vier grondtypen onderscheidt: 1. begeerte en hoop (goed en toekomstig); 2. genot en vreugde (goed en tegenwoordig); 3. angst en vrees (negatief en op de toekomst betrekking hebbend); en 4. pijn of smart (negatief en op het heden betrekking hebbend).
De meest uitgebreide onderverdelingen heb ik gevonden in de muziekhandboeken van baroktheoretici als Andreas Werckmeister, Mauritius Vogt en Johann Mattheson. Burmeister was daarin een van de eersten, toen hij in 1598 het vroegst overgebleven traktaat publiceerde over de (van de retorica) afgeleide muziekfiguren die gebruikt konden worden om verschillende emoties weer te geven en op te wekken. In de tijd van Monteverdi kon de componist beschikken over een schema van muzikale figuren die waren ingedeeld als de emoties zelf en die gebruikt werden om deze emoties in muzikale taal weer te geven en op te roepen.
Wat de dichtkunst en het proza betreft heeft de beschrijvende (stijl- en gedachten)figurenpsychologie met Peachams Garden of Eloquence (1593) in Engeland een hoogtepunt en graad van verfijning bereikt die nooit meer overtroffen is. Aan deze en soortgelijke stijlleren is de hoge bloei en kwaliteit van de elizabethaanse poëzie te danken. Peacham onderscheidt een tot dan toe onbekend aantal (meer dan 200) retorische figuren voor het opwekken en weergeven van gemoedsbewegingen.
ALS IK TOT NOG TOE als letterlijke vertaling van affect gemoedsbeweging of gemoedsaandoening heb gebruikt, zal het de moderne lezer toch opvallen dat, in ieder geval buiten het domein van de kunsten, het woord aandoening toch meestal een negatieve, zo niet pathologische betekenis heeft. Ik heb hierboven al gezegd dat het verlaten van de harmonieuze toestand waarbij de stemmingen in evenwicht zijn, niet zonder gevaar is. Dat heb ik aan den lijve, of liever aan de ontstemming van mijn ziel (of aan het ontregeld raken van de chemische balans in mijn kop) mogen ondervinden. Vandaar dat ik mij ben gaan interesseren voor wat de psychiatrische literatuur te bieden heeft aan onderverdelingen van gemoedsbewegingen.
De biologische invalshoek van de moderne psychiatrie kijkt vooral naar de werking van bepaalde neurotransmitters in de hersenen. Voor het hart hebben zij helemaal geen belangstelling, voor de 'zielkunde’ waaraan zij hun naam te danken hebben, nog maar matige interesse, en het was voor mij een teleurstelling dat ze voor de sentimenten, gevoelens of hartstochten doorgaans alleen aandacht hebben wanneer die aan positieve (manische) of negatieve (depressieve) kant het maatschappelijk toelaatbare overschreden hebben. De verschillende diagnostiekmodellen die het psychiatrisch DSM IV-handboekje oplevert, zijn enerzijds nogal grof en anderzijds te kunstmatig. Zij houden zich dan ook eerder bezig met min of meer duurzame karaktertrekken van de hele persoonlijkheid dan met kortdurende bewegingen van het gemoed.
Een veelgebruikte (onder andere door het DSM-boekje) indeling is die in klusters, waarbij men een 'excentrische groep’ onderscheidt, waaronder paranoïde, schizoïde en schizofrene persoonlijkheden vallen; een 'dramatische groep’ (narcistische en aanstellerige persoonlijkheidsstructuren, borderliners en anti-sociale typen); en een 'fobieëngroep’ (compulsieve, afhankelijke, passief-agressieve, ontwijkende of autistische, sadistische en autodestructieve persoonlijkheden), waarvoor dan bij ieder onderdeel een aantal karaktertrekken wordt genoemd waaraan je een bepaald type zou kunnen herkennen. Er bestaat al een oudere indeling in vier groepen van 'passief afhankelijk’ tot 'actief onafhankelijk’. En ook de antieke indeling in flegmatische, sanguine, melancholische en cholerische temperamenten wordt vertaald in schizoïde, hypomanische, depressieve en anti-sociale of hysterische typeringen. Al deze en nog andere modellen kunnen samengevoegd en gemengd worden, zoals bijvoorbeeld beschreven in Michael Stone’s Abnormalities of Personality (1993). Deze in borderline gespecialiseerde auteur heeft ook geprobeerd uit woordenboeken een zo volledig mogelijke lijst van aanduidingen voor negatieve en positieve karaktertrekken samen te stellen, waarbij - niet verwonderlijk - de laatste groep ver in de minderheid verkeert.
IEDEREEN KAN MET zulke indelingen zijn voordeel doen, en pychiaters werken ermee, maar het blijft meer over karaktertrekken gaan dan over (eventueel uit de hand gelopen) hartstochten; het blijft bij pathologische (en dus doorgaans negatieve) aandoeningen; en voor zover ik het kan bekijken blijven al deze modellen en indelingen ver achter bij de veel verfijndere nuanceringen van de muziekhandboeken uit de barok, en de elizabethaanse verhandelingen over gedrag en stijlfiguren. De ethische kant van karaktertrekken of gemoedsbewegingen wordt al helemaal ondergeschoven, terwijl de forensische psychiatrie daarmee toch dagelijks te maken krijgt. De kunstenaar wist allang dat hij met vuur speelt door een ziekelijke belangstelling aan de dag te leggen voor de extreme kanten van gedrag en gemoed. Hij heeft wellicht meer aan antieke voorbeelden en de zeventiende-eeuwse beschrijvingen van zwaarmoedigheid of melancholie dan aan de medische omschrijvingen van een depressie - om een weerbericht gaat het immers niet. De vragen van de moderne medicijnman naar je gevoelstoestand komen meestal niet verder dan wel of geen slapeloosheid, eetlust, werkplezier, vermogen of onvermogen om te genieten, gevoelens van angst of paniek, concentratievermogen en gedachten aan zelfmoord.
'Ja, dokter, ik moet vaak zuchten.’ De Tudor-dichters, die (op platoonse wijze) meenden dat een zucht een stukje van de ziel is dat het lichaam verlaat, maakten onderscheid tussen forced sighs, stormy sighs, burning sighs, so ready sighs en sighs that boil, opdat deze emoties zo passend mogelijk de gemoedsbewegingen van verdriet, smart, rouw, snikken, zuchten, gierend janken en ook opluchting kunnen weergeven, om maar wat te noemen.
Ontslagen uit het gekkenhuis en in het niet onplezierige of onbruikbare bezit van een heel nieuw scala aan waargenomen of zelfbeleefde gemoedstoestanden en -bewegingen, werd ik een jaar later getrakteerd op een evenzeer levensgevaarlijke hartkwaal, die zich onverwacht en onvoorbereid aandiende. Volslagen oninteressant vond ik deze ordinaire aandoening; een mechanisch onderdeel van mijn robot (oftewel het autonome zenuwstelsel) liet het afweten. En in de banaliteit van de hartfunctie (en in die van de hartboeren zelf die ik versleten heb) werd ik alleen maar gesterkt door de cardiologie. 'Het hart is een banale pomp; u kunt binnenkort kiezen tussen een varkenshart en een elektronisch aangedreven pompje uit Japan.’ Voorlopig heb ik daarvoor bedankt; ook voor de harten van tienermeisjes of kerngezonde accountants van middelbare leeftijd die te vroeg verongelukt zijn - god hebbe hun ziel (en dan liefst met hun eigen hart erbij).
Ik dacht, ik wilde dat ik ook over deze kwestie rationeel kon blijven.
TWEE DINGEN ZIJN mij achteraf echter opgevallen. Ten eerste dat ik mentaal gezien véél meer van de kaart ben geraakt door deze lichamelijke kwaal dan door mijn ongelukkige geestelijke dispositie. (Tijdens mijn depressie bleef mijn schrijfvermogen onaangetast, ofschoon ik de zin erin tijdelijk was verloren; in de naweeën van de louter lichamelijke panne bleef mijn schriftuur lange tijd beneden alle peil - slordig en warrig.)
Ten tweede, en ten leste, dat mijn eigen hart mij toch lief is, al is dat misschien in overdrachtelijke zin. Dat hart dat ik zo vaak letterlijk heb voelen opspringen bij verliefdheden; dat letterlijk tikken heeft overgeslagen bij schrik of angst; dat mij onhoudbaar in de borst klemde op momenten van metafysische paniek; dat over kan lopen van geluk en van trots (rechtstreeks voelbaar in de hartstreek, vanwaar de gewaarwording zich door het hele lichaam verspreidt, totdat je het gevoel hebt dat elke cel in je lichaam is omgekeerd, net als bij een goed orgasme, waarbij het lijkt of met je zaad ook je ziel in de geliefde wordt uitgestort); dat zwaar kan voelen van zorgen (nee, dat voel ik niet tot in mijn schoenen, en zakken voel ik het ook niet); dat sneller kan gaan kloppen van opwinding of verwachting, en dat kan ontvlammen in woede en weer snel uitdoven in verveling. Die dingen heb ik - niet in de kop - maar op een plaats in de borstkas gevoeld, niet één keer maar mijn hele leven lang.
Zodat ik van lieverlee ben gaan denken, nu ik nog maar een half hart heb dat zwak klopt, dat het wel degelijk mijn opgezweepte emoties zijn geweest waarmee ik dat orgaan altijd zo zwaar belast heb (is er een absoluut maximum aan het aantal orgasmen dat een normaal hart aankan?), die voor de breuk hebben gezorgd.
Alweer heel letterlijk: dat mijn hart het deels begeven heeft omdat het, voor de zoveelste keer en nu definitief, gebroken is.