Media

Bewijzen

Het NOS Journaal van zondag 1 september opende met John Kerry, Secretary of State , die wereldkundig maakte dat ‘er steeds meer bewijs is’ dat de Syrische regering gifgas tegen haar eigen burgers heeft gebruikt. Daarop schakelde het Journaal naar Washington-correspondent Wouter Zwart, die van Rob Trip de vraag kreeg waar die bewijzen vandaan kwamen. Het antwoord: ‘Dat weten we niet. Maar de bewijzen lijken wel keihard.’

Conclusie: Wouter Zwart kent de definitie van het woord ‘bewijs’ niet.

Ik maak er nu een grapje over, maar het achterliggende probleem waarvan deze uitspraak een symptoom is, baart wel zorgen: de controle van de macht is tanende. Overheden, inlichtingendiensten en grote bedrijven weten steeds meer over ons, maar wij weten steeds minder over hen. Gegevens van burgers, variërend van onze complete digitale communicatie tot de ziektes die we onder de leden hebben, tot onze laatste aankopen in de supermarkt, worden massaal verzameld in databases waar we nauwelijks nog zicht op hebben – laat staan controle. En zelfs bij het rijp maken van de geest voor zoiets ingrijpends als het wel of niet ten strijde trekken tegen een dictatoriaal regime in het Midden-Oosten blijft de grond ervoor grotendeels in nevelen gehuld. Keurig samengevat in de contradictio in terminis: ‘De bewijzen lijken keihard.’

Naar massavernietigingswapens in Irak wordt overigens nog druk gezocht.

De oorzaken van dit gebrek aan echte democratische controle zijn legio. Te beginnen bij de radicale professionalisering van de communicatiesector in de afgelopen veertig jaar. Overheden en bedrijven hebben miljoenen, zo niet miljarden gestoken in steeds verfijndere technieken om de informatievoorziening, en daarmee de publieke opinie, te sturen en te manipuleren. Pr-afdelingen, communicatieprofessionals, spindoctors: er zijn inmiddels tienduizenden mensen fulltime bezig met het naar hun hand zetten van de manieren waarop, in welke mate en via wie informatie naar buiten komt. Alles, maar dan ook alles, is beeldvorming geworden.

Trek een willekeurig product uit de schappen en je weet: wat op de verpakking staat is precies misleidend genoeg om net geen leugen te mogen heten. Luister naar een speech van een politicus en je weet: wat hij zegt is precies nietszeggend genoeg om niet onwaar te zijn. Vraag een hoofd inlichtingendienst welke gegevens hij allemaal over burgers verzamelt en je weet: nou ja, helemaal niks. Want: staatsgeheim.

Een tweede oorzaak is de marktideologie die vanaf eind jaren tachtig is geïmplementeerd, met als gevolg dat het publieke domein – van openbare diensten tot het dagelijkse bestuur – voor een steeds groter deel buiten het bereik van democratische controle is komen te staan. Van gedereguleerde banken tot geprivatiseerde ziekenhuizen: niemand weet meer echt wie wat doet en waar verantwoordelijk voor is. Journalisten staan erbij en kijken ernaar, de burger heeft het nakijken. Belachelijke bonussen in de zorg? Niets aan te doen. Ondoorgrondelijke hypotheekproducten? Das ist einmal.

Om deze privatisering – lees: oncontroleerbaarheid – van het publieke domein nog enigszins in toom te houden zijn er talloze toezichthouders, commissies en andersoortige ‘controlerende instanties’ in het leven geroepen. Die moeten ervoor zorgen dat de democratie niet volledig uit ons bestel wegloopt. Maar ook hier is het intransparantie en machteloosheid troef: in veel gevallen zijn de controlerende organen zélf belanghebbende in de sectoren die ze in de gaten moeten houden, vaker nog zijn het tandeloze tijgers die, omringd door machtige lobby’s en gigantische kapitaalstromen, nauwelijks iets te zeggen hebben. De financiële crisis is daar het ultieme bewijs van: banken laten zich, tot op de dag van vandaag, niets gelegen liggen aan de roep om meer openheid van zaken, zuiverdere producten en minder perverse bonussen.

Daarbij komt dat, met name in Nederland, het openbare bestuur dat nog wél tot het publieke domein behoort op z’n zachtst gezegd ook niet bepaald uitblinkt in controleerbaarheid en transparantie. Probeer maar eens te achterhalen wat de parlementariër aan wie jij je stem hebt toevertrouwd na vier jaar in de Tweede Kamer allemaal heeft gedaan. Praktisch onmogelijk. Wat heeft hij gestemd? Welke wetten heeft hij in het leven geroepen? Door wie wordt zijn partij eigenlijk gefinancierd? Het is niet te vinden en als het te vinden is, is het nauwelijks te krijgen: een Wob-verzoek, waarmee journalisten en burgers allerhande documenten van de overheid kunnen opvragen, duurt vaak maanden om gehonoreerd te worden. Als het al wordt gehonoreerd.

Zo hebben journalisten en burgers nauwelijks nog zicht en grip op hen die ons besturen en op de belangen die daarachter schuilgaan. Het democratisch tekort neemt onhoudbare vormen aan. Echt aantonen kan ik dat niet. Maar de bewijzen lijken keihard.