Sjiïtisch Irak zal geen theocratie worden

Bewind zonder tulbanden

Het nieuwe Irak zal net als Iran worden geleid door sjiïeten. Maar anders dan in Iran streven de toekomstige sjiïtische leiders van Irak geen theocratische staat na.

Afgelopen zondag werden de voorlopige resultaten van de Iraakse parlementsverkiezingen bekendgemaakt. De sjiïtische Verenigde Iraakse Alliantie kreeg 48,2 procent van de stemmen, de samenwerkende Koerdische partijen uit Noord-Irak 25,6 procent. De seculiere sjiïtische premier Ayad Alawi haalde 13,8 procent van de stemmen binnen. Al zullen ze moeten samenwerken met de Koerden, de sjiïeten zullen veruit de belangrijkste macht zijn in het 275 leden tellende parlement. De soennieten die twintig procent van de bevolking uitmaken en onder Saddam Hoessein het bestuur domineerden, boycotten de verkiezingen. Het ziet ernaar uit dat er slechts één soennitische partij in het parlement komt, met vijf zetels.
De toonaangevende sjiïtische geestelijke ayatollah al-Sistani en de ayatollahs die hem volgen, beweren dat ze niet van plan zijn Irak in te richten volgens het Iraanse model met een direct geestelijk gezag. «We streven naar een grondwet die niet alleen religieuze en maatschappelijke verscheidenheid respecteert, maar ook ruimte biedt voor de islamitische identiteit van het Iraakse volk en een maatschappij nastaat die niet in tegenstrijd is met de islam», aldus Jalal Eddin al-Sagheer, een geestelijke vertegenwoordiger van al-Sistani in Bagdad. Al-Sistani heeft aangegeven dat politieke betrokkenheid een corrumperend effect kan hebben op de religieuze leiders en hun boodschap. Tegelijkertijd laat hij weten dat hij graag ziet dat Irak een veel islamitischer koers gaat varen dan het geval was onder het seculiere regime van Saddam Hoessein. Zonder twijfel zal de man met de zwarte tulband en lange witte baard ook na de Iraakse verkiezingen een sturende invloed hebben op de ontwikkeling van de grondwet door van tijd tot tijd religieuze decreten over morele en sociale aangelegenheden uit te vaardigen.
Ayatollah al-Sistani, die tijdens het bewind van Hoessein flink geïntimideerd werd en na de door de Amerikanen aangevoerde campagne in Irak een aantal moordaanslagen wist te overleven, spreekt nauwelijks in het openbaar en heeft meer dan eens laten zien dat zijn invloed bij de bevolking van groter gewicht is dan de plannen van de Amerikanen en hun Iraakse bondgenoten. Hoewel hij de afgelopen zes jaar slechts één keer zijn woning heeft verlaten (voor een hartoperatie in Londen in augustus 2004), heeft hij een beslissende rol gespeeld in de Iraakse overgangsfase en kwam hij tijdens twisten met Amerikaanse overheidsvertegenwoordigers keer op keer als winnaar uit de bus.

Toen de Amerikaanse bewindvoerder Paul Bremer in de zomer van 2003 een Iraakse grondwet probeerde door te drukken die door Amerikaanse vertegenwoordigers was opgesteld, vaardigde al-Sistani een religieus decreet oftewel fatwa uit waarin hij meldde dat de grondwet alleen door een verkozen orgaan mocht worden geschreven. De Amerikanen trokken zich hierop terug. In november 2003, toen Bremer door middel van een aantal benoemingen en indirecte stemming een interim-regering in het zadel wilde helpen, verklaarde al-Sistani dat hiervoor louter directe verkiezingen toereikend zouden zijn. De Amerikaanse overheidsvertegenwoordigers in Irak beweerden dat de situatie in het land te turbulent was voor vrije verkiezingen en dat een stemming pas mogelijk was zodra er een volledige volkstelling was uitgevoerd. De assistenten van al-Sistani reageerden hierop met de aanbeveling dat de voedselbonnen die aan alle Iraakse gezinnen werden verstrekt als registratiedocumenten voor de verkiezingen zouden kunnen worden gebruikt. Dat is precies wat is gebeurd.
Hoewel al-Sistani tot dusver een bemiddelende rol heeft gespeeld en heeft gepleit voor de noodzaak van vrije verkiezingen en de bescherming van de rechten van de soennieten en andere minderheden binnen om het even welke Iraakse regering, is hij geen voorstander van een strikte scheiding tussen kerk en staat. Hij heeft zich altijd gekant tegen het gedachtegoed van ayatollah Ruhollah Khomeini, die in Najaf in ballingschap leefde alvorens de Iraanse Islamitische Revolutie aan te voeren en wilayat al-faqih, oftewel de voogdij van de geestelijke macht over de rechterlijke macht in te voeren. Al-Sistani heeft echter ook geschreven over de noodzaak van geestelijke invloed op het politieke leven. Hij heeft het in zijn fatwa’s wel degelijk over de voogdij over de rechterlijke macht inzake sociale aangelegenheden. Wel heeft hij het Iraakse volk en de Amerikaanse overheidsvertegenwoordigers de garantie gegeven dat hij geen voorstander is van een regeringsmodel op Iraanse leest. De groot ayatollah heeft beloofd dat geestelijken zich ver van de politieke arena zullen houden en louter een adviserende rol zullen spelen.

Tijdens het Ottomaanse Rijk was Irak in handen van een soennitische Arabische elite. Toen de Britten in de jaren twintig van de vorige eeuw de moderne staat Irak bij elkaar knutselden, waren zij voornamelijk afhankelijk van de oude Ottomaanse bewindslieden en Amir Faisal, een soennitische Arabier die zij importeerden als toekomstige koning van Irak. In het begin van de jaren twintig kwamen de Britten met gedeeltelijke verkiezingen die hun visie van Irak moesten bekrachtigen en legden ze een militair verdrag vast dat de Britten de meeste macht over het land verschafte. Deze beslissing was de oorzaak van een groot deel van de turbulentie en revolutie die de toon zetten voor de vroegste jaren van Irak. In die tijd vaardigden de ayatollahs in Najaf fatwa’s uit die hun volgelingen opriepen zich van stemming te onthouden aangezien het verkiezingsproces alleen maar op een onrechtvaardige orde zou uitlopen. Als gevolg van hun onthouding verloren zij echter alle invloed over het proces. Deze keten van gebeurtenissen resulteerde in de Baath-revolutie en het regime van Saddam Hoessein, tijdens welke de sjiïeten het zwaar moesten verduren.

In de jaren twintig was het standpunt van de sjiïtische leiders dat het verkeerd was om tijdens een bezetting verkiezingen te houden. Dit komt exact overeen met het huidige standpunt van de soennieten. Het waren uiteindelijk de Britten die de Iraakse grondwet opstelden. De sjiïeten zagen al snel hun fout in en zwoeren om deze bij de eerstvolgende gelegenheid te herstellen. Die eerste gelegenheid deed zich op 30 januari voor. Al-Sistani wilde er zeker van zijn dat dezelfde fout niet nog een keer werd gemaakt, dus trokken de sjiieten massaal naar de stembus.
Een overheersende sjiïtische invloed bin nen de nieuwe regering kan echter olie op het vuur zijn van de soennitische militia die alles op alles stelden om het verkiezingsproces te ondermijnen. Tijdens het geweld dat aan de verkiezingen vooraf ging, eiste een reeks autobommen die Bagdad op zijn grondvesten deed schudden het leven van ten minste 26 personen. De explosies werden gevolgd door zelfmoordaanslagen die meer dan honderd leden van de Iraakse veiligheidsmacht en gewone Irakezen fataal werden. Ondanks stringente veiligheidsmaatregelen lieten op de dag van de verkiezingen meer dan veertig mensen als gevolg van acht zelfmoordaanslagen het leven. De verantwoordelijkheid voor deze daden werd opgeëist door een Iraakse tak van al-Qaeda die wordt aangevoerd door Abu Musab al-Zarqawi. Op een audiotape die vorige week werd vrijgegeven verklaren al-Zarqawi en zijn aanhangers «een wrede oorlog aan de brengers van democratie en zij die deze foute ideologie aanhangen». Al-Zarqawi behoort tot een radicale splintergroepering van de strenge Salafi-tak van de soennitische islam die democratie als een verwerpelijk wereldlijk fenomeen beschouwt. Volgens hem druist het tegen het gezag van God in om mensen te laten stemmen.

De Amerikaanse overheidsvertegenwoordigers wisten dat ze niet al te veel van de Iraakse verkiezingen moesten verwachten. Ook wisten zij dat de meerderheid van sjiïtische moslims als gevolg van democratische verkiezingen de macht over het land zou krijgen. Nu vrezen de Amerikanen dat het land in handen valt van een fundamentele islamitische regering die is te vergelijken met die van het buurland Iran. De leiders van de Verenigde Iraakse Alliantie, de coalitie van voornamelijk sjiïtische groeperingen, hebben besloten dat degene die zij kiezen om het land te leiden als minister-president een gewone burger zal zijn en geen islamitische geestelijke. De sjiïtische leiders zeggen dat er een zelfde maar minder formele overeenkomst bestaat die uitlegt dat de geestelijken ook buitengesloten zullen worden. «Er zullen zich geen tulbanden in de regering bevinden», zei Adnan Ali, een leider van Dawa, een van de grootste sjiïtische partijen. «Iedereen is het daarmee eens.»
Dit besluit lijkt de groeiende dominantie van seculiere personen binnen het sjiïtische politieke leiderschap te bevestigen, net als de neiging van de invloedrijke geestelijke orde binnen het land om zich buiten het dagelijks bestuur van het land te houden. Volgens de leiders van de groep bevinden zich onder de 228 kandidaten van de sjiïtische coalitie voor de nationale raad minder dan een half dozijn geestelijken. Het besluit om geestelijken uit de regering te weren houdt mogelijk in dat Abdoel Aziz al-Hakim naar de achtergrond wordt geschoven. Hij is een geestelijke die het hoofd vormt van de Opperste Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak en hij is kopstuk van een prominente religieuze Iraakse familie die vaak als kandidaat voor het premierschap wordt aangeduid. De vijf sjiïeten die de grootste kans hebben om premier te worden, zijn bekende wereldlijke figuren.
De sjiïtische leiders zeggen dat hun besluit om af te zien van een islamitische regering voornamelijk is gebaseerd op de veronderstelling dat het Iraakse volk een dergelijk model zou afwijzen. Maar ze geven toe dat dit besluit tevens de politieke realiteit weerspiegelt dat de invloedrijke Amerikaanse overheidsvertegenwoordigers niet gelukkig zouden zijn met een uitgesproken islamitische regering. Ook de Koerden zouden dat niet zijn, en zowel de Iraakse als de Amerikaanse overheidsvertegenwoordigers vrezen dat deze groep in een dergelijk geval met de Iraakse regering zou breken. Iran heeft zowel morele als materiële steun gegeven aan de twee grootste sjiïtische partijen, Dawa en de Opperste Raad voor de Islamitische Revolutie in Irak. De overtuiging dat een theocratie volgens Iraans model in Irak moet worden voorkomen, lijkt gedeeld te worden door veel Irakezen die hun twijfels hebben bij het democratische gehalte van de Iraanse Islamitische Republiek. Het Iraaks-sjiïtische beleid houdt een afwijzing in van een theocratie volgens Iraans model en vormt daarmee een krachtige boodschap aan het adres van Teheran.