Ger Groot

Bewondering

Wetenschap leeft van wantrouwen, omdat ze altijd wil weten wat er verborgen zit achter wat zich toont. Altijd is ze gespitst op het bedrog waarvan de mensheid het slachtoffer blijft zolang ze zich niet argwanend op haar misleiding heeft ingesteld. Dat heeft haar geen windeieren gelegd, maar de wereld is er niet mooier op geworden. Terwijl de Middeleeuwen de natuur nog prezen als het toonbeeld van de godheid Gods, legde Francis Bacon – als eerste wetenschapstheoreticus – haar het liefst op de pijnbank. De denkers die volgens Paul Ricoeur de twintigste-eeuwse geest gevormd hebben – Marx, Nietzsche en Freud – kenmerkten zich vóór alles als meesters van de achterdocht.

Het is dus niet alleen de dode natuur waaruit de waarheid desnoods gehamerd moet worden. De mensheid vertrouwt zichzelf niet meer, noch haar inborst noch de beschaving zelf. De vooral in de Verenigde Staten tot bloei gekomen «culturele studies» vormen het voorlopige hoogtepunt van die moderne ontmaskeringswil.

Inmiddels hebben de door haar ontketende culture wars zich toegespitst op een strijd om de canon. Ook achter wat van oudsher als onaantastbaar en bewonderenswaardig geldt, heeft het wantrouwen een andere waarheid ontdekt, van vooringenomenheid en onderdrukking. Dead white males waren haar scheppers en daarmee werd ongemerkt maar effectief alles wat anders was weggecensureerd en afgekeurd.

In zijn onlangs gehouden oratie Kiekertak en Klotterbooke (uitg. Vossiuspers UvA) twijfelt Maarten Doorman er niet aan dat het er in de literatuurgeschiedenis wel zo aan toe zal zijn gegaan. Het antwoord op de vraag wie schreven zegt vaak al genoeg. Maar wanneer de letterenstudie zich met die vraag tevreden stelt, vergeet ze wat deze werken nu eigenlijk groot en daarom canoniek heeft gemaakt. Ze ruilt de erkenning daarvan in tegen een achterdochtige gespitstheid op hun kleinheid, die niet van literaire maar van sociologische aard is.

Het is misschien veelzeggend dat deze sociaalwetenschappelijke wending in de letterenstudie vaak doorgaat voor haar wetenschappelijke volwassenwording. Eindelijk valt er te wegen en te meten, wat op zich al een achterdocht tegen het lezen verraadt. En wellicht werd de literatuur vóór die tijd wel nauwelijks op wetenschappelijke wijze onderzocht, laat staan onderwezen. De omgang ermee verkeerde nog in het voorstadium van de bewondering voor al het moois dat haar geschonken werd. Haar universum was dat van een middeleeuwse generositeit en dankbaarheid. Dat zijn geen moderne deugden, zoals uitgerekend Nietzsche zich realiseerde. Ze behoren tot een ridderlijkheid die hij in zijn Übermensch graag had zien terug keren – hoezeer hij als achterdochtig denker ook zelf aan hun teloorgang bijdroeg.

Doorman lijkt zich in eenzelfde dilemma te bevinden. Als wetenschapsman moet hij ontmaskeren en als literatuurminnaar is hij daar te nobel voor. Want bewondering voor het grote is een menselijke en culturele noodzaak, zo constateert hij in zijn oratie. Het is een deugd die wij onze kinderen zouden willen meegeven. Zonder hun ogen te sluiten voor de kleinheid daarin moeten zij weerbaar blijven tegen de roep van het ressentiment, dat slechts de maat van het maaiveld verdraagt.

Misschien zal de literatuurstudie daarom nooit helemaal een wetenschap kunnen worden. Ze verdraagt de achterdocht ervan niet, en nog minder het morele niemandsland waarin de moderne academie haar tenten opslaat. Zij vormt juist een toevluchtsoord uit een moderniteit die alles weet van een wereld waaruit iedere waarde en dus ook iedere deugd geweken is.

Sinds lang vormen de universitaire studies geen gentlemen meer, maar richten zij zich op een weten dat democratisch maar daarmee ook een beetje proletarisch geworden is. Voor dat weten zijn generositeit en ontzag slechts zwakheden die het werk bemoeilijken. De pijnbank van de wetenschap vraagt om een ontleedkunde die het kan stellen zonder mededogen of geweten.

Echte heren pijnigen niet. Juist die constatering is voor de cultural studies koren op de molen en maakt de cirkel rond.