Bewondering en romantiek

Hoe zien de vrouwenrollen eruit in Mijn moeders strijd van Murat Isik en in Jas van belofte van Jan Siebelink?

Murat Isik met zijn moeder Aynur © Privécollectie

Hoe zet je een goed vrouwelijk personage neer als je een mannelijke schrijver bent? Je zou zeggen: schrijf een goed mannelijk personage en verander vervolgens zijn naam in een vrouwennaam en pas alle persoonlijk voornaamwoorden aan. Er zou geen verschil moeten zijn, er horen geen andere eisen gesteld te worden.

Maar dat is niet hoe het altijd wordt gepercipieerd. Vraag het aan Philip Roth. Hij kon het in ieder geval nooit goed doen. Als de vrouwen in zijn romans te lief en te zorgzaam waren, dan waren ze volgens veel vrouwelijke critici slechts oedipale moederfantasieën die alleen dienden om de getroebleerde ego’s van zijn mannelijke hoofdpersonen overeind te houden. Als de vrouwen boos, gemeen, overspelig waren, dan waren ze het resultaat van het onverholen misogyne brein van de auteur.

In Paris Review werd hij gevraagd naar ‘de feministische kritiek’ op zijn persoon. ‘Maak het niet mooier dan het is door het “feministische” kritiek te noemen’, antwoordde hij. ‘Het is gewoon stompzinnig lezen.’ Hij stak een betoog af: komen gevoelens van minachting en schaamte niet voor bij vrouwen? Heeft nog nooit een vrouw overspel gepleegd? Hij had gevoelens van het verlies van begeerte en de verlokkingen van de hartstocht toch niet uitgevonden? ‘Ik ben niet geïnteresseerd in het schrijven over wat mensen behoren te doen in het belang van de menselijke soort en voor te wenden dat ze dat echt doen, maar in het schrijven over wat ze écht doen.’

Als feminisme neerkomt op gelijke rechten en plichten voor vrouwen, dan hebben vrouwen het grootste recht ook als wanhopige, kleinerende, neurotische types beschreven te worden. Sterker nog, dat moet ook, want van vrouwen alleen maar aanbiddelijke nimfjes of wijze moeders-de-vrouwen maken is ook een manier de complexiteit – en daarmee menselijkheid – van die andere helft van de wereldbevolking teniet te doen.



Het Boekenweekessay van 2019 is een portret van een vrouw, in dit geval de moeder van de schrijver Murat Isik, redelijk lusteloos getiteld ‘Mijn moeders strijd’. Die moeder was het tiende kind van haar ouders, geboren in 1953 in Kemere Hemgini – ‘stenen van honing’ – een dorp van vijftig huizen in het midden van niets in Turkije. Ze heette Aĝçik, tot een leraar besloot dat ze liever Aynur kon heten, want dat was een betere Turkse naam. Het is een veelzeggend gegeven, een jonge vrouw voor wie zelfs haar naam niet vaststond, of in ieder geval op elk moment door mannen herroepen kon worden. De strijd die Isik beschrijft is een strijd tegen het conservatisme van haar familie en het patriarchaat van de Turkse maatschappij: ze was slim, maar leren werd haar moeilijk gemaakt; ze was daadkrachtig en ambitieus, maar familie duwde haar in de dienende rol; ze dacht dat ze een moderne, vriendelijke man gevonden had, maar nog voor hun huwelijk ontvoerde hij haar omdat hij onzeker was dat ze anders misschien terugkwam op haar beslissing.

Isik beschrijft een heiligenleven, en heiligen zijn nooit zo heel interessant

Uiteindelijk verhuisde ze naar Nederland, naar de Bijlmer, haar man verdween na genoeg schade aangericht te hebben langzaam uit haar leven. Ze leerde Nederlands, kreeg een baan bij het Amsterdam Medisch Centrum, kocht een eigen huis, gaat nu haar pensioen tegemoet. Dat lijken op het eerste oog misschien bescheiden overwinningen, maar bezien vanuit een jong meisje dat op haar zevende haar eigen voornaam kwijtraakt moet het een lange tocht zijn geweest.

Over die vader schreef Isik het autobiografische Wees onzichtbaar, de onverwachte Libris-winnaar van vorig jaar. Die vader was met zijn dwaze ambities en onhebbelijkheden een fascinerend personage, juist omdat Isik – of zijn hoofdpersoon dan – vanuit zijn verdriet en woede sprak. Voor zijn moeder daarentegen heeft Isik alleen maar bewondering. Dat pleit voor hem als mens; het werkt minder voor hem als schrijver. Hij valt precies in de val door zijn moeder alleen als een bron van hoop, opoffering en inspiratie neer te zetten. Een heiligenleven, en heiligen zijn nooit zo heel interessant.

‘Mijn moeders strijd’ heet een Boekenweekessay te zijn, maar het leest als een schoolopstel – en toen, en toen, en toen. Isik interviewde zijn moeder en heeft haar woorden opgeschreven, het is in elk opzicht een sympathiek verhaal. Maar ook een verhaal dat geen diepte krijgt, of reliëf, omdat Isik haar woorden nergens tegen afzet. Bijvoorbeeld tegen sociologische of cultuurhistorische schetsen van eerst Turkije en daarna Nederland. Er zit geen enkele tegenstem in. Ze moest het opnemen tegen het patriarchaat en het conservatisme, maar hoe dat er dan concreet uitzag blijft onbenoemd – behalve dat haar moeder op haar ging zitten toen ze met jongens wilde buitenspelen. Isik noemt een aantal keer de Turkse feministische klassieker De vrouw heeft geen naam van Duygu Asena, blijkbaar een bijbel voor zijn moeder, maar vertelt niets over waar Asena dan daadwerkelijk over schrijft.

Het leest soms alsof Isik zijn moeder alleen van horen zeggen kent, er zitten nauwelijks sprekende details in, observaties die alleen een zoon van zijn moeder kan doen. Alles wordt opgedist in een tour de force van stoffig proza en open deuren. De feministische uitsmijter van het essay komt in G.B.J. Hiltermann-formuleringen als: ‘Niet onbenoemd mag blijven dat er daarnaast in Nederland nog een hoop te winnen valt op het gebied van diversiteit. Ik heb het dan met name over de vertegenwoordiging van vrouwen met een kleurrijke achtergrond…’

Het Boekenweekgeschenk dit jaar komt van Jan Siebelink, die op zijn manier long overdue was om het geschenk eens te mogen schrijven. Voor Jas van belofte geldt wat voor alle boeken van Siebelink geldt: je moet openstaan voor een zekere romantiek om het te kunnen appreciëren. Mannen kunnen onweerstaanbaar zijn, vrouwen verliezen zichzelf in hun verlangens, liefde is Groots en Meeslepend, iedereen gaat zijn noodlot met open ogen tegemoet – en dat opgeschreven in een lichtvoetige lyriek die van Jan Siebelink, op zijn 81ste, een Nederlandse James Salter maakt.

Hoe werken de vrouwenrollen bij Siebelink? In ieder geval bestaan ze bij de gratie van de hoofdpersoon, Arthur Siebrandi. Arthur is een archetypisch Siebelink-personage, een leraar Frans op een middelbare school die zich na een conflict met de staf heeft teruggetrokken in een afgelegen noodlokaal, dat slechts via een slecht onderhouden pergola verbonden is met het hoofdgebouw. De meisjes in zijn klas worden stelselmatig verliefd op hem, ‘omdat hij buiten de orde viel en er lesgeven in zijn systeem zat’. Een klas heeft een ziel, denkt hij, en hij is de soulmate, onweerstaanbaar blijkbaar.

Maar Arthur heeft al een vrouw, Lisette, die gepassioneerd van hem houdt en toch zijn affaire met zijn leerling Caroline gedoogt; zoals Caroline op haar beurt goede vriendinnen met Lisette wordt. Er is genoeg liefde. Arthur schrijft en wanneer het schrijven niet lukt vraagt hij Lisette Mozart te spelen, en voilà, het schrijven lukt wel. Hij begint een onzekere vriendschap met de wat maniakale literator Edwin Wopereis die hem een wankele literaire carrière helpt te beginnen. Arthur droomt van een Grote Roman over zijn streng religieuze vader – een beetje zoals Siebelink die zelf heeft geschreven met Knielen op een bed violen – die plots verdween en alleen een opengeslagen jas op straat achterliet, alsof zijn lichaam zomaar ten hemelen was geroepen. Lisette zet zich op alle mogelijke manieren in om de roman gepubliceerd te krijgen.

Is het niet wat onfeministisch de vrouwpersonen alleen zichtbaar te maken aan de hand van de mannelijke hoofdpersoon? In een Boekenweek die als thema ‘De moeder de vrouw’ heeft? Misschien. Maar je zou ook kunnen zeggen: Arthur Siebrandi leeft voor zichzelf en dat is misschien niet hoe mensen, om Philip Roth te parafraseren, ‘zouden behoren’ te leven, maar hoe genoeg mensen écht leven. En echt leven, dat is toch wat je zoekt in literatuur.

Siebelink laat de jaren voorbij vliegen, grote sprongen door de tijd, vrienden verdwijnen, overlijden, huwelijken worden voltrokken en ontbonden. Er wordt geen duidelijke verhaallijn opgezet in Jas van belofte, geen grote spanningsboog. Het zou makkelijk zijn te klagen dat deze novelle los zand is, of dat de onderdelen van het geschenk al in veel van Siebelinks andere werk voorkomen. Maar het boek heeft wel degelijk een kern, namelijk de hoop, de trots, de liefde en de eenzaamheid van de hoofdpersoon. In alle losheid is het boek door en door menselijk, zozeer dat wanneer Siebelink zoiets banaals beschrijft als Arthur die met zijn sportwagen een andere inhaalt op de Duitse snelweg je hem de simpele glorie van het moment volkomen gunt – en het je compleet ontroert.

Nogmaals, je moet openstaan voor de romantiek bij Siebelink. Als je dat kunt, en dat kan ik, is Jas van belofte een van de mooiste Boekenweekgeschenken in jaren.