Bewust monsterlijke zinnen

ga ik liggen komt droefte over me
ga dan ook niet liggen, zeg ik mij, wat ik ben
welt uit mijn nissen en overkomt me niet

een wending legde kalksteen voor mijn zieke hand
in zicht, waaruit ik mij blijvend blijk te vormen
ga niet meer liggen als daarmee droefte bovenkomt

blijf ik vanaf vanavond staande staande
wijkt met tranen droefte in m'n kalksteennissen
waaruit ik gaande blijvend meervoudig opwel
sporen kozing snede bloeden droefte breken oorden
Over het algemeen geldt sterven als iets onaangenaams. Daar valt iets voor te zeggen. Vanaf de eerste celdeling zijn we behept met een drang tot voortbestaan, en het is dan ook niet verwonderlijk dat gezonde mensen zelden naar de dood verlangen. Je wilt er zijn, zo eenvoudig is het, en de gedachte dat leven en dood een onverbrekelijke eenheid vormen is hoogstens theoretisch interessant. Sterven, dat doen doorgaans de anderen. Dat neemt niet weg dat ruwweg de helft van alle door springlevende dichters geschreven poëzie de dood als thema heeft. Hebben dichters tot taak de doodsangst die in ons allen leeft te bezweren?
De in 2005 verschenen bundel En gingen uit sterven van Hans Groenewegen (1956) bevat een paar aangrijpende gedichten over de dood, met als hoogtepunt een mythische scène waarin een mol tot doodsengel transformeert: ‘hij zal zich uitrekken voor hij u mee omhoog neemt,/ uw zwartsatijnen vlinder, wiekend op zijn vier gespierde roze vleugeltjes’. Het afgelopen jaar heeft de dichter oog in oog met de dood gestaan, maar zijn poëzie is er niet minder vitaal om geworden. Integendeel, Van alle angst ontdaan is een pleidooi voor de schoonheid en wonderbaarlijkheid van het bestaan, juist omdat de dood zich onder ons bevindt:

een dood verliest niets van zijn snelheid omdat hij zijn bovenlijf
soepel heen en weer beweegt en bijna elke aanraking vermijdt
als hij zich door de slenterende massa in de winkelstraat haast

Het eerste gedicht hakt er meteen stevig in: 'een dood schommelt aan zijn vleugelpennen/ aan de schors, in het schommelen/ schampen zijn eeltzolen celwanden’. Hoewel het hier vermoedelijk om de hersenschors gaat, zien we een gevleugeld wezen op een boom zitten. In Doodsengel te Wierum ontmoeten we dezelfde figuur in een andere gedaante:

soms vouwt hij om zijn knieën zijn vleugels
en hoort noch de tongruk aan het gras
het scheuren van aarde noch het kraken
van dunne botten en dekschildjes
noch het ritselen

Als de engel in Wim Wenders’ Himmel über Berlin of de Dood van de Dichter in Orphée van Jean Cocteau wekt de gevleugelde de indruk zijn taak als een ondraaglijke last te ervaren. Wanneer hij terugdenkt aan allen die hij gehaald heeft, telt hij hen steeds opnieuw 'om niet de gezichten te hoeven terugzien’. We moeten deernis hebben met de dood.
De bundel is echter veel meer dan een doodslied. Groenewegen is een van de grootste kenners van de Nederlandse poëzie, met een sterke voorkeur voor minder toegankelijk werk. Zo schreef hij diepgravend over Hans Faverey, Kees Ouwens, Tonnus Oosterhoff en Lucebert, dichters met wie hij zich in bepaalde opzichten verwant voelt. Zijn kennis van de veelzijdigheid van de poëzie heeft hem dan ook vanaf zijn eerste bundel tot opvallende vormexperimenten gedreven. Waar vele dichters een onvervreemdbare eigen vorm zoeken, lijkt Groenewegen zichzelf steeds nieuwe projecten op te leggen. Het gevolg is een bonte verscheidenheid aan bladspiegels, variërend van tweeregelige epigrammen tot proza. Zo lezen we in deze bundel onder meer een aan Leopold herinnerende reeks rijmende kwatrijnen over rozen, een antwoord op de dertien Texaanse elegieën van H.C. ten Berge, een gedicht zonder spaties en een tekst waarin alle lettergrepen door spaties worden gescheiden, en een twaalftal gedichten waarin verschillende stemmen schijnbaar willekeurig door elkaar praten.
Heel uitzonderlijk is een politieke litanie die bewust monsterlijke zinnen bevat als deze: 'hierbij vraag ik toestemming maatschappelijke successen toe te schrijven aan de partij die het langst van alle partijen regeringsmacht bekleedt/ hierbij vraag ik toestemming voor een hypotheek op de toekomst/ hierbij vraag ik toestemming de wisselende coalitiepartners verantwoordelijk te houden voor alles wat er misgingmisgaatmiszalgaan’. Het gedicht, als je het zo mag noemen, eindigt echter met het verzoek ongezien, onmondig en onwetend te mogen blijven. Sterker nog:

ik vraag toestemming spoorloos te verdwijnen
met het veld, de hemelen en de zee

Met dat verdwijnen zit het wel goed. Paradoxaal genoeg zijn het de talrijke herhalingsfiguren die door hun bezwerend ritme een meditatief verlies van betekenis garanderen. De beelden, schrijft Groenewegen, 'ze blijven herhalen/ elk beeld, z'n gebeurtenis bleef/ zich herhalend’, want een mens wil niets liever dan 'gebeuren’. Maar de herhaling van dat verlangen resulteert uiteindelijk in het tegendeel: 'gebeurtenissen/ waar woorden van afglijden/ waarin ze gebeurloos verdwijnen’.
Het magistrale slotgedicht poogt een einde te maken aan alle angst. Achtereenvolgens gaat de dichter in op uitspraken van Hölderlin, Faverey, Ouwens en Lucebert, maar het is evident dat ook deze grootheden het definitieve antwoord schuldig moeten blijven. 'Wo aber Gefahr ist, wächst das Rettende auch!’ roept Hölderlin, maar klopt dat wel, 'nu het woekerende ook nog/ mijn vingers van de zinnen breekt? nu het woekerende ook nog/ woorden met tongwortel en al uit mijn mond trekt?’ Nee, het reddende laat het afweten, 'nu het woekerende mij zomaar de ogen breekt’. De dichter kan weinig anders dan 'het laaiende donker dat in het lichtende oor’ van Lucebert ontvangen is 'allerluchtigst’ te laten weerklinken 'in het tongewelf van het verduisterd verhemelte’. De laatste woorden behelzen een smeekbede, aan de geliefde ongetwijfeld, aan de lezer misschien, maar zeker ook aan de doodsengel: 'reik naar mij, ergens zijn wij, teder, teer, erg smerig, van aarde, aanraakbaar’.

DOOR PIET GERBRANDY
HANS GROENEWEGEN
VAN ALLE ANGST ONTDAAN
Wereldbibliotheek, 76 blz., € 15,90