Over de kunstkritiek

Bewuste vormloosheid

Van de criticus wordt geëist dat hij feilloos zwakke plekken weet aan te wijzen in het kunstaanbod. Dat hij de zweep legt over de rug van goedbedoelende halftalenten en van handige artistieke entrepreneurs die mee liften op traag wisselende trendgolven.
Een goede criticus, zo betoogde columnist Theodor Holman eens, is een zelfbenoemde schoolmeester die niet alleen het kaf van het koren scheidt, maar ook richtlijnen en maatstaven aanreikt waarlangs kwaliteit kan worden gemeten.
Het is een achtenswaardig, zij het vooral ernstig streven. Toch is het goed dat er af en toe een kunstcriticus opstaat die, gedreven door authentieke woede, haar filippica’s de cultuurpagina’s inranselt.
Janneke Wesseling van NRC Handelsblad is zo een gedrevene. Ze staat in het kunstwereldje bekend als «professionele zuurpruim», maar haar stukken slaan vaak de spijker op de kop.
Laatst schreef ze over de Arte Povera-overzichtstentoonstelling in het Londense Tate Modern. Arte Povera — de term heeft betrekking op de«armzalige», natuurlijke materialen waarmee kunstenaars als Kounellis, Anselmo, Merz, Penone en Calzolari werken — nam volgens Wesseling een «radicaal antihiërarchische» houding tegenover de wereld aan en verklaarde de oorlog aan de consumptiemaatschappij. Zo stelde Kounellis twaalf paarden in een galerie tentoon, vlocht Merz vreemde schermen van wilgentakken en ontwierp iglo’s met honingraten, terwijl Anselmo poëtische, onverkoopbare lichtsculpturen vervaardigde.
Wesseling benut het indrukwekkend Arte Povera-overzicht in de Britse hoofdstad om haar kunstdefinitie nog eens aan te scherpen. Zo blijkt de idee dat kunst en leven samen dienen te vallen voor de jongste generatie kunstenaars vooral een valkuil. Hun activiteiten, waarbij de kunstenaar optreedt als kok, therapeut, gezellige koffieleut, reisgids of slaapkamergenoot, ontberen een dwingende beeldende vorm en gaan daardoor gebukt onder gebrek aan betekenis, noteert Wesseling bezorgd.
Maar wat als hedendaagse kunst bewust (cursiveringen benadrukken de diepte van de gedachtegang) vormloos wil zijn? En is het kameleontische optreden van jonge kunstenaars (vandaag ben ik een vj, morgen een reclamecreatief, overmorgen een Herman Brood-achtig schilderbeest) een teken van inhoudelijke zwakte of is er sprake van een werkelijk nieuwe ontwikkeling?
Kunst is vorm, zegt Wesseling. En ze heeft gelijk. Ook al beschouwt de kunstenaar de bestaande wereld als zijn werkterrein, het is de persoonlijke uitsnede uit de werkelijkheid die het werk algemene betekenis geeft. Niemand die dat beter demonstreert dan Giovanni Anselmo. Hij betrad een licht glooiende grasvlakte, liet daar een foto van maken en voorzag het eenvoudige, maar krachtig werkende beeld van de titel Entrare nell'opera (1971). De wereld is het werk, de kunstenaar de wegbereider.
Laten wij onze kunstliefhebberrug ontbloten voor Janneke Wesselings kritische schoolmeesterzweep.
Arty party time is over.

Zero to Infinity: Arte Povera 1962-1972. Tate Modern, Londen, t/m 18 augustus.