Huwelijksmoraal als scheidslijn tussen klassen

Bezint eer ge scheidt

Amerika is groot geworden door het huwelijk, hard werken en religiositeit. Maar de middenklasse gaat ten onder aan een kwijnende moraal en een verminderd arbeidsethos, vindt socioloog Charles Murray.

Medium murray aukje huwelijkse moraal 575

Het Duitse weekblad Der Spiegel kopte twee jaar geleden al dat de Amerikaanse middenklasse aan het verdwijnen is. Het kleinere aantal banen voor middenklassers en het stagneren van hun lonen zouden daar onder andere debet aan zijn. Maar dit jaar kwam de conservatieve Amerikaanse socioloog Charles Murray in zijn boek Coming Apart met een totaal andere verklaring. Hij ziet de afgenomen huwelijksmoraal en het verminderde arbeidsethos als voornaamste oorzaken van de groei van de onderklasse en als gevolg daarvan het krimpen van de middenklasse.

Huwelijksmoraal en arbeidsethos vindt Murray twee typisch Amerikaanse deugden waar het volgens hem inmiddels nogal aan schort. Tenminste, bij de lagere (midden-)klassen. De blanke lagere (midden-)klasse, in dit geval, want daar focust hij voornamelijk op. Murray waarschuwt in zijn boek voor het uiteenvallen van de Amerikaanse samenleving. Niet langs lijnen van ras of etniciteit, maar van klasse. Hij schetst hoe in Amerika de naden tussen sociale klassen aan het loslaten zijn. Daarvoor gebruikt hij statistiek, heel veel statistiek. Hij wil namelijk, zegt hij zelf, vooral de feiten laten zien.

Murray beschrijft hoe tot 1963 – hij kiest het jaar van de moord op president John ­Kennedy als scheidslijn – de Amerikaanse samenleving uiteraard ook rijken, minder rijken en armen kende, maar hoe desondanks de levens van al die Amerikanen op elkaar leken. Het was immers, zo vindt Murray, ook een typisch Amerikaanse traditie om te doen alsof iedereen midden­klasse is en ook met elkaar om te gaan alsof iedereen middenklasse is. Zo reden ze allemaal in een Amerikaanse auto, al was die van een rijk iemand wel groter. Ze aten allemaal hetzelfde soort voedsel, dronken dezelfde koffie en hetzelfde bier. Ze keken en luisterden naar dezelfde televisie- en radioprogramma’s en ook ongeveer even veel uren per dag. Ze, althans de mannen, werkten zo goed als allemaal en zeiden ook in groten getale dat voldoening halen uit hun werk belangrijk voor hen was. Ze hadden allemaal ongeveer evenveel vrije tijd. Ze waren bijna allemaal getrouwd. Ze hadden allemaal ongeveer dezelfde soort binnenlandse vakanties.

Bijna vijftig jaar later is er echter veel veranderd. Leden van de upper middle class rijden in grote buitenlandse auto’s en niet meer in een van Amerikaanse makelij. Zij drinken nu een café latte en geen Amerikaans bakkie meer. Ze kijken en luisteren naar andere televisie- en radioprogramma’s, en dan geen 35 uur per week zoals een groot deel van hun landgenoten, maar slechts zes uur. Zij zijn minder vaak werkloos en halen meer voldoening uit hun werk dan leden van lagere sociale klassen. Ze hebben inmiddels gemiddeld veertien uur minder vrije tijd dan hun landgenoten uit de lagere klassen. Ze zijn nog steeds in ongeveer dezelfde mate gelukkig getrouwd, terwijl het percentage gelukkige huwelijken in de lagere klassen fors is gedaald. Ze gaan naar verre oorden op vakantie, terwijl hun minder rijke landgenoten nog steeds dicht bij huis blijven.

Wat Murray hiermee duidelijk wil maken, is dat de upper middle class in Amerika een geheel eigen levensstijl heeft ontwikkeld. Bovendien leven ze dat leven steeds geïsoleerder van de rest van de Amerikanen.

Uiteraard waren er in de VS ook in 1963 al gegoede wijken waar de rijkeren in grotere huizen woonden. Maar volgens de gegevens van Murray zijn in die wijken de inkomens tussen 1960 en nu harder gestegen dan in andere wijken. Wat ook veranderde is het opleidings­niveau. In 1960 was in de betere wijk 26 procent hoger opgeleid, in 2000 was dat percentage gestegen naar 67. Waar vroeger geld met geld trouwde en hun niet noodzakelijkerwijs slimme kinderen naar de elitescholen gingen, trouwen hersenen nu met hersenen en gaan hun over het algemeen wel slimme kinderen naar elite­scholen, betoogt Murray. Het gemiddelde IQ op die elitescholen is daardoor dan ook flink gestegen. Daartegenover staat dat drop-outs met drop-outs trouwen en hun minder slimme kinderen naar de minder goede scholen gaan, waardoor – als zij hun school al afmaken – hun uitgangspositie op de arbeidsmarkt minder goed is. In de discussie of dit het gevolg van nature of nurture is, zegt Murray zich niet te willen mengen.

Tot zover zou je kunnen zeggen, laat de socio­loog vooral zien zonder te oordelen. Dat de conservatief Murray echter veel waarde hecht aan wat hij dus typisch Amerikaanse deugden noemt, steekt hij niet onder stoelen of banken. Wat volgens hem Amerika groot heeft gemaakt, zijn het huwelijk, hard werken, eerlijkheid en religiositeit. Hij vergelijkt de veranderingen tussen de sociale klassen op juist die vier onder­werpen, met de meeste aandacht voor het huwelijk en het arbeidsethos.

In de betere wijken, door hem Belmont genoemd, was zowel in 1970 als dertig jaar later meer dan zestig procent van de bewoners gelukkig getrouwd. In die wijken woonde tussen 1997 en 2004 ook nog steeds negentig procent van de kinderen bij hun beide biologische ouders toen hun moeder veertig jaar was. In de arme wijken, door Murray Fishtown genoemd, was in 1970 nog 52 procent van de bewoners gelukkig getrouwd, maar dertig jaar later was dat percentage gedaald naar 26. Het percentage kinderen waarvan de ouders nog niet gescheiden waren toen hun moeder veertig jaar was, was tussen 1997 en 2004 gedaald naar minder dan dertig.

En hoe zit dat in de middenklasse? Volgens Murray zit die daar midden tussenin. Nog een paar cijfers. Waar de werkloosheid in de VS in 1960 gemiddeld iets meer dan zeven procent was, had in de Fishtowns negen procent van de mannen geen werk. In 2000 was het landelijke werkloosheidspercentage weliswaar gestegen naar bijna negen, maar nam in de Fishtowns inmiddels dertig procent van de mannen niet deel aan het arbeidsproces. Al met al is volgens Murray de onderklasse gegroeid van acht procent van de bevolking in 1960 naar zeventien procent in 2007 en inmiddels volgens hem mogelijk al naar meer dan twintig procent. Ten koste van de middenklasse.

Murray vraagt zich af wat deze verschillen betekenen voor de socialisatie van de kinderen die opgroeien in de Belmonts en Fishtowns van de VS, welke waarden en normen ze meekregen. Die zijn volgens hem in die wijken niet meer hetzelfde. Wat bij hem de bezorgde vraag oproept wat dat weer voor gevolgen heeft voor de gemeenschap en de democratie.

Volgens Murray is het uit elkaar groeien van de Amerikaanse klassen op deze punten niet op te heffen met hogere belastingen en het terugdringen van de inkomensongelijkheid. Daarmee verwijst hij naar de oplossing die volgens hem in Europa meestal wordt gekozen en waar volgens hem ook de Amerikaanse Democraten het liefst voor kiezen. Dat Murray geen voorstander is van de Europese verzorgingsstaat is een understatement. Dat blijkt ook als hij het doel van het leven in Europa omschrijft als ‘to while away the time between birth and death’.

Dat Murray niet ingaat op de veranderingen in en rondom werk tijdens de afgelopen decennia, is hem in de VS kwalijk genomen. Is het raar dat meer en meer mensen het behoud van hun werk belangrijker zijn gaan vinden dan de vraag of ze voldoening uit hun werk halen als hun baanzekerheid is afgenomen? Is het vreemd dat ze vrije tijd anders zijn gaan waarderen nu ze twee baantjes nodig hebben in plaats van een om van rond te kunnen komen, omdat de lonen niet gelijk op zijn gegaan met de inflatie en bovendien middenklassebanen zijn verdwenen?

Maar Murray vindt de mannen in de Fishtowns die niet werken vooral lui. Het ontbreekt hun volgens hem aan arbeids­moraal. Hetgeen hij nog eens onderstreept met het gegeven dat die laagopgeleide mannen zonder werk in hun vrije tijd ook niet sporten, niet bijdragen aan het huishouden en ook niet naarstig op zoek zijn naar werk, maar vooral veel slapen en televisie kijken. Hij legt de schuld bij de welfare.

Het zojuist gevallen Nederlandse kabinet zei het niet op die manier. Maar de wens van vvd en cda om de duur van de werkloosheidsuitkering te verkorten, komt wel voort uit het idee dat een langdurige uitkering de animo om werk te zoeken niet vergroot. Precies wat Murray beweert. Dat bussen met Rotterdamse werkzoekenden die op initiatief van een pvda-wethouder in het Westland gaan snuffelen aan het werk in de kassen hier groot nieuws zijn, zou Murray zien als zijn gelijk. Zeker als een Westlandse tuinder dan zegt dat werkzoekenden uit Polen zijn kassen wel zelf weten te vinden, maar werklozen uit het nabijgelegen Rotterdam niet.

Dat uitkeringen linksom of rechtsom soberder moeten, omdat het anders niet betaalbaar meer is, daar zijn de meeste Nederlanders het over eens. Maar wij hebben het dan vooral over onderlinge solidariteit en hoe we die in stand kunnen houden, niet over arbeidsmoraal. Dat zou te moralistisch zijn. Als het om huwelijk en echtscheiding gaat, hebben we geen andere aanvliegroute: we vinden het onkies om daar de betaalbaarheid of onderlinge solidariteit bij te halen. Huwelijk en echtscheiding vinden wij, en ook de Amerikanen overigens, privé. Wie slechts voorzichtig oppert dat je over echtscheiding niet te gemakkelijk moet denken, krijgt al snel het verwijt moralistisch te zijn.

Hoogleraar Jaap Dronkers trekt zich daar niks van aan. Eind vorig jaar schreef hij in het blad Socialisme & Democratie van het wetenschappelijk bureau van de pvda een artikel waarin hij op een rijtje zet wat (echt)scheiding betekent voor de kinderen. De titel boven het stuk was uitdagend: Scheiden zou niet normaal moeten zijn.

Dronkers geeft drie redenen waarom een scheiding negatief kan uitpakken voor de kinderen. Er zijn na een scheiding vaak minder financiële middelen, er is ook vaak minder tijd en daardoor minder ouderlijke betrokkenheid, en de sociale hulpbronnen kunnen na een echtscheiding opdrogen door bijvoorbeeld een verhuizing naar een mindere buurt of gebrek aan energie bij de alleenstaande ouder om ­vriendschappen te onderhouden. Dronkers trekt in wezen dezelfde conclusie als Murray: ‘Het liberaliseren van echtscheiding is dus niet automatisch in het belang van de lagere midden­klasse.’

Uit onderzoek van Dronkers blijkt dat de gevolgen voor de onderwijsprestaties voor kinderen van gescheiden ouders groot zijn. Als er dan ook nog veel kinderen van gescheiden ouders bij elkaar in één klas zitten worden die verschillen nog groter. En ook in Nederland, net als in de VS, bepaalt iemands opleiding de kansen op goed en goedbetaald werk. Volgens Dronkers betekent dit alles ‘dat scheiding niet uitsluitend een privé-aangelegenheid is, die alleen betrokkenen raakt, maar dat echt­scheiding ook consequenties heeft voor de ongelijkheid in de samenleving en het functioneren van het onderwijs, een van de belangrijkste instituties van moderne samenlevingen’.

Wat te doen? vraagt Dronkers zich af. Murray ziet als enige mogelijkheid om het scheuren van de naden tussen de verschillende Amerikaanse klassen te voorkomen het verkondigen van de goede, voordelige kanten van het huwelijk. Preach what you practice, zegt hij tegen de hogere middenklasse. Dronkers pakt het pragmatischer, Hollandser aan. Hij stelt voor om de wetgeving aan te scherpen zodat het minder makkelijk wordt om te scheiden en het wel makkelijker wordt om verzoeningsmogelijkheden tussen de partners te onderzoeken en kinderen een grotere stem te geven bij een echtscheiding. Natuurlijk zit daar ook een moraal achter. Maar waarom zouden we gezien de gevolgen voor de samenleving als geheel niet vaker durven zeggen: neem de verantwoordelijkheid voor je kinderen en hun toekomst.