De oogstmaatschappij

Bezit is passé

Is ‘hebben’ achterhaald? Steeds meer groene ondernemers, fabrikanten, idealistische politici en visionaire wetenschappers prijzen de zegeningen van een economie die draait om spullen gebruiken, in plaats van bezitten. ‘Er gaat iets nieuws beginnen.’

Medium hh 030688211

Zie hem daar zitten, strak in zijn maatpak. Geleast. Net als zijn auto die voor de deur staat, waarin deze ondernemer van de toekomst naar kantoor rijdt. Die is niet van hem, maar van bmw. Hij ‘huurt’ de auto en geeft hem uiteindelijk terug aan bmw, die de auto recyclet en er weer een nieuwe auto van maakt. Binnen neemt hij plaats op zijn bureaustoel. Inderdaad: ook geleast, net als de rest van het meubilair. Uit de luidsprekers in de hoek klinkt muziek. Met dank aan Spotify. Voordat hij zijn computer aan zet, staart hij nog even naar buiten. Niet door het raam. Nee, de Duitse fabrikant biedt hem een ‘doorkijkverzekering’. De periodieke vervanging door betere, energiezuinigere ruiten is daarbij inbegrepen.

Toekomstmuziek? Nee, het kan nu al: kapitalist zijn en toch minder bezitten dan de gemiddelde straatkrantverkoper bij de ingang van Albert Heijn. Het is niet dat eigendom ineens als diefstal geldt, zoals de negentiende-eeuwse anarchist Proudhon optekende. Het is gewoon achterhaald, stelt een kleine maar groeiende groep bevlogen ondernemers, politici en wetenschappers. Bezit is een last. Een beetje dom. De Zelfstandige Zonder Personeel was al een vertrouwd personage in onze economie. Nu zijn daar respectievelijk de Consument en de Ondernemer Zonder Eigendom.

Thomas Rau is zo’n oze’er. Vrijwel het gehele interieur van zijn hippe architectenbureau in het voormalige havengebied van Amsterdam is geleast. Of, zoals hij het zelf liever noemt, ‘afgenomen op prestatiebasis’. Dat betekent dat Rau niet betaalt voor het bezit, maar voor het gebruik. Hij wijst naar het plafond. ‘Ik wil geen lampen, ik wil licht.’ Dat zei hij ook tegen Philips. ‘Zorg dat ik licht heb, het maakt mij niet uit hoe.’ Nu neemt Rau lichturen af van Philips, dat eigenaar blijft van de armaturen en lampen en ook de energiekosten betaalt. Rau betaalt daar een maandelijks bedrag voor. Op diezelfde manier is de roze-paarse vloerbedekking niet zijn eigendom. In plaats daarvan rekent Rau loopuren af aan tapijtfabrikant Desso. Het tapijt blijft eigendom van de fabrikant. Hij betaalt ook tafeluren, zituren aan de bureaustoelenfabrikant – zelfs spiegeluren op de wc.

‘Performance based contracting’, noemt Rau dat. Volgens hem is het dé oplossing voor de wegwerpmaatschappij, voor de groeiende schaarste aan grondstoffen en de alarmerende klimaatverandering. Dat werkt zo. Doordat Philips de lampen niet verkoopt, heeft het er anders dan vroeger geen belang bij dat ze snel kapot gaan. Integendeel. Hoe langer ze meegaan – hoe duurzamer dus – hoe langer Rau er elke maand opnieuw voor zal betalen en Philips zal verdienen. Designed to fail wordt zo built to last. Als die lampen dan ook nog eens zuiniger worden, is het Philips dat bespaart op de energiekosten. ‘Ik hoop dat Philips binnenkort een energie-efficiëntere lamp uitvindt en die hier ophangt’, zegt Rau enthousiast. ‘Dan verdienen zij meer geld. Maar dat gun ik ze van harte!’

Achter zijn rug varen binnenvrachtschepen met containers over het IJ. Vanaf de zijmuur staart een metershoge gong de bezoeker aan. ‘Omdat alles wat leeft, ritme heeft’, legt de in Duitsland geboren Rau uit. Driemaal daags geeft een medewerker er een flinke tik op: ’s ochtends als de eerste op kantoor komt, ’s avonds bij het naar huis gaan, en ’s middags, als de biologische lunch klaarstaat.

Vol geestdrift en in sweeping statements (‘Het Oosten materialiseert. Het Westen spiritualiseert’) vertelt Rau over zijn ideaal van een groene, ‘circulaire’ economie. Over de mentaliteitsomslag die dat afscheid van de wegwerpmaatschappij vergt. Over dat de aarde van iedereen is, inclusief de grondstoffen die nu geprivatiseerd worden door een paar bedrijven. En over zijn bezoeken aan Bhutan, waar hij de koning adviseert en de mensen het wél begrijpen. ‘Daar zeggen ze: je komt met niks en je gaat met niks. Waarom dan tussendoor al die spullen verzamelen en ophopen?’

Als tienjarige probeerde Rau de barbecue op gang te krijgen met een jerrycan vol benzine. Een jaar lang lag hij in het ziekenhuis. ‘In een soort couveuse’, zoals hij zelf zegt. ‘Toen heb ik beseft dat het leven maar heel kort is. Dat je daar iets zinnigs mee moet doen. Later besloot ik een vreedzame terrorist te worden. Dat was de tijd van Baader en Meinhof. Maar ik begreep dat je het systeem niet met geweld van buitenaf moet veranderen. Dat kan alleen maar geweldloos van binnenuit.’ Zijn voornaamste ‘wapen’ heet op dit moment Turntoo. Die door hem opgerichte organisatie is druk bezig de circulaire economie in Nederland van de grond te trekken. Een van de eerste wapenfeiten is de samenwerking met fabrikant Bosch en woningcorporatie Eigen Haard. Huurders met een kleine portemonnee kunnen een moderne wasmachine gebruiken, in plaats van kopen. Ook hier is de gedachte dat het bezit van zo’n apparaat niet het doel is. Het gaat om de functie; energiezuinige én schone was dus.

Volgens Rau is de interesse groot. Dat geldt helaas niet voor een ander project van Turntoo. Toen in 2011 in een partytent op het terrein van de waterzuivering in het Utrechtse IJsselstein de eerste vijf dozijn ‘green deals’ gepresenteerd werden door toenmalig minister Maxime Verhagen was daar ook een project van Turntoo bij. De organisatie zou helpen bij de invoering van performance based contracting, leasen-nieuwe-stijl dus, bij de ministeries van Economische Zaken en Binnenlandse Zaken. Anderhalf jaar later heeft hij er nog altijd niets over gehoord: ‘Typisch weer zo’n schijnfeestje. De overheid houdt iedereen een groen zoetje voor, maar ondertussen gebeurt er niks.’ Maar Rau is er de man niet naar zich door zoiets uit het veld te laten slaan: ‘Die omslag kómt. Het is als stoppen met roken. Zodra je één keer denkt: daar moet ik vanaf, krijg je het niet meer uit je hoofd.’

Een van die mensen die dat idee – van leasen, huren en delen in plaats van kopen – niet meer uit haar hoofd krijgt, is Judith Merkies. Overal waar ze komt, probeert de europarlementariër van pvda-huize de geesten rijp te maken voor de grote ommekeer. Ze schrijft opiniestukken in internationale kranten, zet het onderwerp op de agenda van machtige maar nauwelijks bekende Brusselse commissies en spreekt erover met Neelie Kroes herself.

’s Ochtends vroeg op een terrasje aan de Amsterdamse gracht, één oog dicht tegen de felle voorjaarszon, hekelt ze de huidige, ‘lineaire’ economie die zoveel nauwelijks gebruikte troep oplevert. Het is de logica van het systeem. Afgelopen vrijdag nog werd ze met de neus op de feiten gedrukt. Haar zoon kwam terug van een schoolreisje. Toen ze iets lekkers wilde maken om hem te verwelkomen, bleek de keukenweegschaal kapot. Wat doe je dan als drukke vrouw? Juist, knikt Merkies. ‘Er wordt altijd gesproken over de blijdschap, de rush die je zou voelen als je iets koopt. Nou, ik voelde die rush helemaal niet toen ik vrijdag die nieuwe weegschaal kocht.’ Weer een nieuw product, grondstoffen verbruikt, energie verspild. Dat moet slimmer, meent Merkies. Stel, je kunt een keukenweegschaal leasen. ‘Dan zou ik de fabrikant bellen en was zo’n ding binnen een uur gerepareerd. Had ik ondertussen het beslag kunnen maken.’

Het klinkt als een slimme truc. Je neemt het kapitalisme, sleutelt wat aan de spelregels, en voilà: in plaats van dat dat enorme, machtige en allesbeheersende systeem de planeet naar de knoppen helpt, produceert het ineens groen en duurzaam. Kan dat werkelijk? ‘De pijn moet groter worden’, legt Merkies uit. Nationale overheden werken nog niet mee, de Europese Unie loopt hierin – ‘zoals in veel dingen’, benadrukt Merkies – voorop. Maar er zouden om het goed door te voeren andere regels moeten komen: ‘Maak via de belastingen arbeid goedkoper en grondstoffen duurder.’ Er zijn nu miljoenen mensen werkloos, terwijl grondstoffen worden verspild. Dat kan omgedraaid. ‘Dan wordt het vanzelf aantrekkelijker om een keukenweegschaal te laten repareren, in plaats van een nieuwe te kopen.’

Merkies verwacht vooral veel van het bedrijfsleven. Daar gebeurt het. Op het laatste World Economic Forum in Davos discussieerden deelnemers over de mogelijkheid om consumenten bijvoorbeeld voor warmte te laten betalen, in plaats van voor een verwarming. kpn least tegenwoordig mobiele telefoontjes aan individuele consumenten en Michelin biedt leasebanden aan voor auto’s, waarbij de klant voor het aantal gereden kilometers betaalt. Of neem Renault. De autofabrikant verkoopt elektrische auto’s, maar zonder de accu. Die blijft in bezit van Renault. ‘Wij nemen als fabrikant het risico weg bij de klant’, begint Jan Pieter van der Kooi, woordvoerder van Renault Nederland. Zonder batterij is de auto veel goedkoper – dat scheelt zo tien- tot twintigduizend euro. Bovendien is de restwaarde onzeker en neemt de laadcapaciteit langzaam af. ‘Wij blijven verantwoordelijk voor de batterijen. Als er iets mee is, nemen we ze terug en krijgt de klant een nieuwe.’ De gebruikte batterijen gaan weer naar de Renault-fabriek in Frankrijk. Daar worden ze gerepareerd of hergebruikt.

Leasen kan bedrijven veel geld opleveren. Dat is niets nieuws. Het bijbehorende servicemodel zorgt, anders dan het traditionele kopen-verkopen, voor een stabiele stroom van inkomsten en onderhoudswerk. Een ander voordeel vloeit voort uit de huidige crisis. Banken zijn huiverig om geld uit te lenen aan bedrijven. Leasen kan dan een alternatief zijn, vooral voor mkb’ers, om toch aan de benodigde dure apparatuur en machines te komen. Maar het voornaamste verschil met vroeger is de nakende schaarste van grondstoffen, en de strengere Europese afvalwetgeving. Niet voor niets loopt de chemische industrie voorop met zogenoemde ‘take back chemicals’. Bepaalde schaarse en vervuilende chemicaliën worden niet verkocht aan de klant maar blijven in het bezit van de producent, die zoveel mogelijk van het restproduct zal hergebruiken. Het mes snijdt aan twee kanten: de chemische industrie raakt minder afhankelijk van grondstoffen, het milieu wordt minder belast.

Hoe serieus die ontwikkeling is, blijkt wel uit de plannen waar de Rotterdamse haven aan werkt. De haven bestaat uit twee functies: ten eerste de ‘global hub’, zoals ze het daar noemen, oftewel de doorvoer. Dat is de lineaire economie bij uitstek: grondstoffen uit Brazilië gaan via Rotterdam naar het Duitse achterland. Daar worden er, bijvoorbeeld, auto’s van gemaakt. Die gaan dan weer via de haven terug naar Brazilië. Een kind kan zien dat dat verspilling is. Stel dat de circulaire economie echt doorgang vindt. Dat de grondstoffenstroom vermindert omdat een deel van de producten hier in Europa wordt gerecycled, of in de toekomst zelfs helemaal wordt vervangen – dat zal enorme gevolgen hebben voor de haven.

‘Als we efficiënter met onze grondstoffen omgaan, dan komt er minder langs in Rotterdam’, begint Nico van Dooren, projectmanager bij het Havenbedrijf en verantwoordelijk voor de toekomstvisies. De Rotterdamse haven bereidt zich hier dan ook al strategisch op voor. Want dat daar de toekomst ligt, daar zijn ze ook in de haven van overtuigd. ‘De schaarste van grondstoffen en de klimaatontwikkeling laten zien dat we de grens van dit systeem bijna hebben bereikt’, vervolgt Van Dooren. Dus wil de haven, om niet de boot te missen, voorbereid zijn op die transitie. Naast de ‘global hub’-functie heeft de haven ook een groot industrieel cluster waar aangevoerde grondstoffen deels worden verwerkt. Hier probeert Rotterdam zoveel mogelijk bedrijven aan elkaar te verbinden, door bijvoorbeeld die bedrijven naast elkaar te zetten die elkaars producten en reststoffen kunnen gebruiken. ‘Wij zijn de landlord van bedrijven die in de haven zitten’, zegt Van Dooren. ‘Wij kunnen niet ingrijpen in het proces, maar het wel sturen en de randvoorwaarden creëren om zo’n circulaire economie mogelijk te maken.’

De bezitloze economie lijkt een win-win-win-model. Het milieu wordt gespaard; bedrijven verdienen er goed geld aan en besparen op schaarse grondstoffen. Klanten betalen slechts voor wat zij gebruiken. Bovendien krijgen zij de beschikking over het nieuwste van het nieuwste in technologie. Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Als de oplossing zo simpel is, waarom wordt het leeuwendeel van de spullen op aarde dan nog altijd gekocht?

Ton van Keken, directeur van tapijtenfabrikant Interface Europe, heeft het geprobeerd. Sterker, hij wil nog altijd niets liever dan zijn vloertegels leasen. Maar het bleek domweg onmogelijk in de huidige omstandigheden. Interface heeft sinds de jaren negentig ingezet op verduurzaming en hergebruik van grondstoffen. Gebruikte tapijten – ook van andere merken – worden verzameld, uit elkaar gehaald en de grondstoffen worden bijna voor honderd procent hergebruikt. Oude wol, katoen, zijde en nylon: alles komt terug in nieuwe tapijten. Sinds kort laat Interface zelfs oude visnetten op de Filippijnen door vissers verzamelen. Zo krijgen de vissers extra loon, Interface de grondstof – nylon – en is de zee verlost van ronddrijvende netten. ‘Nu is dit project nog kostenneutraal’, verklaart Van Keken. ‘Maar dat gaat veranderen. Nylon is duur. Uiteindelijk, als we dit kunnen opschalen, hebben wij een financieel voordeel. Ook omdat we ons door duurzaamheid en sociaal ondernemerschap onderscheiden op de markt. Veel van onze klanten willen dat.’

Duurzaam is het bedrijf dus al. Maar leasen, dat lukte niet. Al in het midden van de jaren negentig probeerde Interface de klant te laten betalen voor het aantal loopuren in plaats van de tapijttegels te verkopen. ‘Wij vinden het een interessant concept. Je levert de klant een functie’, verklaart Van Keken. ‘Het probleem was de financiering. Zodra een tapijt op de grond ligt, is de restwaarde nihil. Er was geen bank die die voorfinanciering op zich wilde nemen. En als bedrijf kun je dat niet opbrengen.’

Er klinken ook fundamentelere bezwaren. Bijvoorbeeld van Philipp Schepelmann, milieuonderzoeker in het Duitse Wuppertal en co-auteur van een veelgeciteerde studie naar wat hij de ‘leasemaatschappij’ noemt. Het probleem, vertelt Schepelmann in een telefonisch interview, is dat leasen beter kán zijn voor mens en milieu. Maar anders dan sommige voorstanders doen lijken, hóeft dat volgens hem allerminst: ‘Er zijn ook leasing-modellen waarbij alleen maar meer grondstoffen verspild worden. Bijvoorbeeld dat je elke twee jaar een nieuwe mobiele telefoon krijgt, ook als de vorige nog prima werkt. Aanbieders gooien die oude apparaten vaak gewoon weg. Leasing an sich is daarom geen vooruitgang. Dat kán het wel zijn, maar dan heb je meer prikkels nodig. Zoals regelgeving dat gebruikte producten automatisch terugkeren naar de producent.’

Producten moeten ook anders ontworpen worden, benadrukt Schepelmann. ‘Neem een iPad. Die is zo gebouwd dat je de batterij nauwelijks kunt vervangen. Als de accu leeg raakt, moet de tablet daarom weg. Of je dat nou in een lease- of een koopcontract giet, het is en blijft een typisch voorbeeld van de wegwerpmaatschappij.’ Verontwaardigd: ‘Dat kan toch niet!’

En dan is er misschien nog wel het allergrootste obstakel: wijzelf. Performance based contracting is tot nog toe vooral populair bij bedrijven onderling. Logisch: individuele klanten zouden al snel afgeschrikt worden door de ingewikkelde contracten vol kleine lettertjes. Alleen al het uitzoeken en onderling vergelijken van een telefoonaanbieder maakt veel consumenten hoorndol. En dat zou dan ineens voor tientallen producten, van vloerbedekking tot keukenweegschaal, moeten?

Het is ook de vraag of individuele consumenten hun gedrag zodanig kunnen veranderen dat de circulaire economie werkelijk functioneert. Bezit is tenslotte veel meer dan alleen gebruiken: het dient als statussymbool, om je te onderscheiden van anderen. Eigendom zou bovendien moreel verheffen, is al decennialang de aanname. Geen krachtiger prikkel om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de leefomgeving dan een koopwoning, redeneert de overheid. Psychologen weten dat zodra iets van jezelf wordt het meer waarde heeft. En met dingen waar je meer waarde aan hecht, ga je vanzelfsprekend ook zuiniger om. Leuk visioen dus, die nieuwe economie. Maar zoals wel vaker, buiten de taaie menselijke aard gerekend. De consument zit er niet op te wachten.

Of wel? Op het internet is de laatste tijd iets interessants gaande. Net zoals sites als eBay al jaren gewone mensen in staat stellen om zich als handelaar te ontpoppen, aldus The Economist in een recent artikel, maken tal van nieuwe initiatieven het mogelijk om ad hoc taxichauffeur, autoverhuurder of hoteleigenaar te spelen. Sharing, heet die ontwikkeling. Delen dus. Via apps en sites als spullendelen.nl en airbnb.nl lenen mensen peer to peer gereedschap, hun auto of zelfs hun appartement aan elkaar uit. Of ze koken, als ze toch bezig zijn, een paar maaltijden extra voor buurtgenoten en maken dat bekend via internet.

Bedrijven kunnen op hun beurt, dankzij initiatieven als Floow2, onderling zwaar materieel verhuren dat ze even niet nodig hebben. Dat gaat van hijskranen tot inpakmachines. Het bestond allemaal al op kleine schaal, maar het internet maakt het pas echt makkelijk. En betrouwbaar, want gebruikers beoordelen elkaar. Een spijkerbroek hoef je ook niet meer te kopen: er is al een winkel in Amsterdam waar ze te leasen zijn.

Als de opkomst van deze grotendeels spontane en van onderop georganiseerde economie íets duidelijk maakt is het wel dat, alle gangbare aannamen ten spijt, in bepaalde maatschappelijke milieus bezit al lang op z’n retour is. Wie deelt, gaat voor het gebruiken. Niet het hebben. Dat besef begint ook door te dringen tot de grote concerns. Vooral in de auto-industrie is op dit gebied veel gaande. Dat is dan ook de sector waar de sharing-initiatieven het snelst in opmars zijn. Zipcar, de Amerikaanse wereldmarktleider als het om autodelen gaat, heeft al meer dan driekwart miljoen deelnemers. Dat hier grof geld mee te verdienen valt, werd eerder dit jaar duidelijk. Voor een slordige half miljard dollar werd Zipcar overgenomen door de traditionele autoverhuurder Avis.

Hoe het werkt, is bijvoorbeeld te zien op Snappcar.nl. Als klant kun je direct zien welke particulieren in jouw buurt hun auto aanbieden voor verhuur. Nadat je je ingeschreven hebt en zeker is dat je van onbesproken rijgedrag bent, kan er geboekt worden. Wordt het goedkoop? Dan is de Nissan Micra van ene Marlies misschien een goede optie: nog geen drie tientjes per dag. Dat is inclusief de verzekering, de administratie en de financiële afhandeling – allemaal zaken die Snappcar voor zijn rekening neemt. Luxer gaat ook. Wie een avondje indruk wil maken, kan kiezen voor een verleidelijke grijze bmw 6. Volgens de trotse eigenaar ‘een echte eyecatcher, met bruut M6-geluid’. Kosten: driehonderd euro per dag. Nee, dan toch liever Marlies. Die heeft de beste recensies van andere gebruikers: ‘Vriendelijk, snel, attent en heeft een handig wagentje!’

Begonnen met Greenwheels in de jaren negentig verschijnt nu de ene na de andere autodeler op het toneel. Vorig jaar reden er al bijna drieduizend deelauto’s in Nederland. Ook grote partijen als bmw en Daimler, dat met car2go in Amsterdam een eigen verhuurder heeft, proberen aan te haken. Allemaal denken ze na hoe ze moeten omgaan met die nieuwe doelgroep die niet maalt om bezit. Met de groeiende groep mensen die niet per se een auto willen hebben, maar er wel een willen gebruiken. De concurrentie is groot en niemand wil achterblijven.

‘We kunnen ons voorstellen dat we naar een heel nieuwe manier van service gaan’, zegt ook Renault-woordvoerder Van der Kooi. ‘Dat we bijvoorbeeld in de toekomst een totaal mobiliteitspakket gaan aanbieden. Een elektrische auto, geleast, met een abonnement op de trein. Plus vervangend vervoer – een auto met benzinemotor – voor twee of drie weken om op vakantie naar Zuid-Frankrijk te gaan.’ Het gaat dan, benadrukt hij, meer over mobiliteit dan over bezit: ‘De huidige generatie is milieubewust en is flexibel, wil van A naar B. Een auto is een grote investering. Mensen willen dat geld liever gebruiken om leuke dingen te doen, en mobiel zijn als het nodig is.’ Die eigen auto voor de deur gaat dus misschien wel verdwijnen. Nu richt Renault zich met de elektrische auto nog vooral op ‘de mensen die vooruit durven te denken’. De trendsetters, zoals de woordvoerder ze noemt. ‘Maar het zal ons niet verbazen als die omslag er komt.’

‘Dit wordt de eeuw van de immateriële luxe’, besluit Thomas Rau het gesprek in zijn bezitloze kantoor aan het IJ enthousiast. Zijn droom? Dat premier Rutte een brief naar Brussel stuurt en zegt: wij worden een pilotland waar we de circulaire economie gaan vormgeven. Nederland loopt nu ver achter, maar we zijn klein, hebben een goede infrastructuur en genoeg bedrijven. We kunnen, wil Rau maar zeggen, voorop gaan lopen. Dat vereist wel andere wetgeving en meer visie: ‘En alle bedrijven moeten verplicht hun eigen – sorry voor het woord – shit die ze maken na gebruik terugnemen. Nu is niemand ergens verantwoordelijk voor. En de staat mag de rotzooi opruimen.’ Rau voelt dat de tijden veranderen, dat er meer aandacht voor is: ‘Vijf jaar geleden was dat anders. Overal zie ik het opeens schuiven, is er beweging. Het gaat er echt van komen. Geloof me, ik ben op dit moment met Turntoo bezig bij heel grote bedrijven die cultuuromslag te organiseren.’

Als we weggaan, vraagt Rau of we al een idee hebben voor de kop van het artikel. ‘Doe alsjeblieft niet zo’n negatieve titel. Dat is alsof er iets eindigt. Nee, er gaat juist iets nieuws beginnen.’ Heeft hij dan een alternatief? ‘De leasemaatschappij’ klinkt naar vervuilende auto’s en naar vroeger. ‘Performance based contracting’ waar zijn eigen organisatie van spreekt, bekt ook niet lekker. Rau denkt na, dan lichten zijn ogen op: ‘De oogstmaatschappij! Wat we zaaien, kunnen we oogsten. Dat klinkt positief!’


Beeld: /HH