H.J.A. Hofland

Bezoek de olietheocratie

NEW YORK – Weer een bewijs dat in het Midden-Oosten de lente van vrijheid en democratie is uitgebroken: kroonprins Abdoella bin Abdoel Azis, de man die het in Saoedi-Arabië feitelijk voor het zeggen heeft, en president Bush hebben op de boerderij van laatstgenoemde de toestand in de wereld be spro ken. Tussen de families van beide leiders bestaan al lang banden van vriendschap, ook in boeken beschreven. Zie bijvoorbeeld Plan of Attack van Bob Woodward. De kroonprins, lezen we op pagina 231, zou er persoonlijk op toezien dat kort voor de datum van de verkiezingen de olieprijs daalde. Dat was toen niet nodig.

Opnieuw staat de olie op de agenda. De Amerikaanse consument zucht en kermt iedere dag harder om de stijgende prijzen aan de pomp. Er gaat geen dag voorbij of in ieder nieuwsprogramma verschijnt iemand die voor zijn beroep veel in de auto zit en de dag ziet naderen waarop hij het niet meer kan volhouden. De olieprijs tast de populariteit van de president aan. En in de verte daagt het vooruitzicht dat de economie er de gevolgen van zal ondervinden.

Wat de kroonprins heeft beloofd, weten we nog niet precies. Maar er zijn drie oorzaken die het onwaarschijnlijk maken dat het perspectief zal verbeteren. Ten eerste zal door de economische groei van China en India de vraag verder toenemen. Ten tweede blijven de Amerikanen als geen ander volk verslaafd aan hun auto, liefst met een motor van 150 tot 200 pk. Wel moet worden aangetekend dat door de veranderingen in de structuur van de economie de olie niet meer de centrale functie heeft in de groei, maar dat is een andere zaak. De prijs aan de pomp blijft regelrecht van invloed op de publieke opinie. Ten derde kan Saoedi-Arabië niet veel meer produceren dan het nu doet. De buffer van de reserve wordt dun. Onafhankelijk van hun politieke voorkeur voorspellen deskundigen dat de prijs, nu ruim vijftig dollar per vat, blijft stijgen. Daaraan kan de vriendschap op langere termijn niets meer veranderen.

Ingewikkelder is het andere onderwerp van bespreking: de politiek in de regio. In Irak gaat het niet naar de zin van de Saoedische politieke en godsdienstige leiders. Godsdienst of politiek, dat maakt in deze theocratie niet veel verschil. De koran is de grondwet. Vrouwen hebben er niets in te brengen. De doodstraf wordt er in het openbaar voltrokken, op een plein in Riyad dat de bijnaam «chop-chop square» heeft. In Saoedi-Arabië zijn de wahabieten, een vertakking van de soenni’s, de baas. In Irak komt het verzet juist weer uit het soennitische deel van het volk. Voor het vormen van een Iraakse regering steunen de Amerikanen de sjiïeten (en de Koerden, maar die hebben weer andere belangen). Het Saoedische leiderschap is bezorgd over de groeiende sjiïtische invloed in de regio. «Bezorgd» is een zwak woord in het Midden-Oosten.

Saoedi-Arabië is een instabiele staat. Osama bin Laden wordt er door zijn talrijke aanhangers als de grootste staatsman ter wereld gezien. Hoewel het door de olie een rijk land is, heerst onder de jongeren een blijvende werkloosheid van 35 procent. Al-Qaeda heeft er veel aanhang. Aanslagen hebben de afgelopen twee jaar aan negentig Saoedi’s en buitenlanders het leven gekost en voor 250 miljoen dollar schade aangericht. De berichten daarover krijgen op z’n hoogst een be scheiden plaats in de westerse media, maar de labiliteit is wel van invloed op de olieprijs. Wat er waar is van de recente geruchten over Saoedische ambities om ook een kernwapen te willen moet nog blijken. Maar het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie begint zich ongerust te maken. Ook niet goed voor de olieprijs.

Met de theocratie van Iran hoort die van Saoedi-Arabië tot de politiek achterlijkste van de Arabische wereld. Het Saoedische vorstenhuis – de rijk vertakte familie van omstreeks zevenduizend kinderen, kleinzoons, neven, ooms en wat die verder hebben verwekt – hoort tot de feodaalste fossielen die in deze wereld van de «moderniteit» bewaard zijn gebleven. Deze familie stelt er prijs op het zo te houden. Ziehier het dilemma. Niet alleen Amerika, de hele industriële wereld heeft de Saoedische olie nodig. Intussen is Amerika met de hulp van zijn aarzelende bondgenoten bezig vrijheid en democratie in het Midden-Oosten te verbreiden. Dat gaat minder vlot dan de initiators hadden gedacht toen ze de oorlog tegen Irak begonnen. Na alle mijlpalen die daar gepasseerd zijn, de arrestatie van Saddam Hoessein, de overdracht van de soevereiniteit, de verwoesting van Fallujah, de verkiezingen, dit alles afgewisseld met berichten dat «de wanhopige bandieten» vrijwel waren verslagen, breken regelmatig nieuwe golven van geweld los. Waar die vandaan komen, weet niemand precies, maar wel dat de chaos blijft, terwijl de godsdienstige geestverwanten van de grootste olie leverancier het onwillige volksdeel zijn.

Voor de oorlog begon hebben sceptici voortdurend bezworen dat een regio met religieus-dictatorale regimes niet per shock and awe en een nonchalante wederopbouw tot de democratie kan worden bekeerd. Dat is geen progressieve voorspelling geweest, evenmin als het neoconservatieve optimisme iets met werkelijk conservatisme te maken heeft. Het is niets anders dan een oordeel op grond van politieke kennis. De Koude Oorlog duurde veertig jaar. Als die met de wapens was uitgevochten, was Europa nu een puinhoop geweest.

Deze oorlog is een experiment dat niet volgens plan is verlopen en dat een volgende oorlog, tegen een Iran met een kernwapen, tot de hachelijkste onderneming maakt. Dat is de waarheid van Irak, die door de Amerikaanse regering en haar Europese geestverwanten voortdurend verborgen wordt gehouden. In plaats daarvan komen er verhalen over de «Arabische lente» die inmiddels is losgebroken. De lente van de democratisering begint pas als, bij wijze van spreken en ik gun het niemand, de kroonprins naar chop-chop square moet.

Dat dan de olieprijs zou dalen? Geloof er niets van.