De opmars van de gezondheidspolitie

Bezoek van de inspectie

Patiënten hebben niks te klagen. Ook is er geen bewijs dat de arts niet functioneert. Toch kan hij worden aangeklaagd. En wel door een collega. Vervolgens komt de gezondheidspolitie langs.

Daags voor het bezoek van de inspectie onttrekt A., huisarts te N., wat onhandig de nietjes op de rand van de onderzoekbank in de spreekkamer aan het oog met bruin textielband. Daarna ruimt hij de twee aldaar aanwezige boekenkasten op en ontdoet deze van geneesmiddelenbulletins uit de jaren tachtig, reclamemateriaal van de farmaceutische industrie en oninteressante dissertaties die hem in de loop van de jaren zijn toegestuurd. Een mogelijk aanstootgevend boek over een oosterse gezondheidsgoeroe wordt elders neergezet.

Tot twee uur in de vroege ochtend trekt A. zich vervolgens terug achter zijn computer om uit het dossier over zijn zaak, dat inmiddels twee ordners omvat, negen belangrijke vragen te destilleren. D., de inspecteur, die deze zaak behandelt, heeft hem mondeling en schriftelijk laten weten dat hij tijdens het bezoek deze vragen kan stellen en A. heeft het gevoel dat dit voor hem min of meer de laatste kans is om alsnog op onbeantwoorde vragen een antwoord te krijgen. Tevergeefs heeft A. overigens ook gepoogd om informatie te krijgen over het door de inspectie aangekondigde Algemeen Toezichtsinstrument Huisartsen, dat tijdens het bezoek zal worden gehanteerd. De inspectie legde het verzoek van A. zelfs voor aan de minister, maar op de dag van het bezoek is er nog geen reactie gekomen.

Twee weken voor het aangekondigde bezoek van de voormalige gezondheidspolitie wordt A. door middel van een schrijven te verstaan gegeven dat hij «ten kantore van de Inspectie voor de Gezondheidszorg» wordt verwacht, maar dit blijkt een vergissing; het gaat juist om een bezoek aan zijn praktijk. In dezelfde brief wordt ook meegedeeld dat D. zich zal laten vergezellen door een tweede inspecteur H. en door de als «Eerste Administratief Medewerker» omschreven klerk van het kantoor.

Van zijn kant heeft A. gevraagd of zijn echtgenote en zijn advocaat bij het bezoek aanwezig mogen zijn. De inspectie schrijft A. geen bezwaar te hebben tegen hun aanwezigheid, al zal een van de eerste vragen van inspecteur D. betrekking hebben op de aard van hun aanwezigheid. Ook geeft D. formeel toestemming voor het opnemen van het gesprek op een taperecorder «vermits de inspectie aan het eind van het gesprek een kopie van de band ter hand wordt gesteld». Daags hierna schaft A. daarom twee identieke cassetterecorders aan om er zeker van te zijn dat de tweevoudige opname zal slagen.

Op dezelfde dag waarop Z. — een collega van A. uit dezelfde waarneemgroep — op het kantoor van de inspectie zijn telefonische melding heeft toegelicht, schrijft hij A. en zijn echtgenote een brief waarin hij hen over de melding informeert. Z. heeft tevoren noch A. noch de andere leden van de waarneemgroep van zijn voornemen op de hoogte gebracht. A. en zijn echtgenote zijn dan ook volledig verrast door dit initiatief. Het zal daarna overigens nog zes weken duren voordat A. de letterlijke tekst van de melding onder ogen krijgt. Pas dan wordt duidelijk waarvoor hij eigenlijk is aangemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg: Z. is onder meer van mening dat A. verschijnselen vertoont «die zouden kunnen duiden op een (manisch) depressief beeld».

Er verstrijken bijna acht weken voordat Z. via een andere collega van de waarneemgroep een schriftelijke toelichting geeft op zijn melding; hieruit komt naar voren dat A. volgens Z. twintig jaar geleden een verkeerde beroepskeuze gemaakt zou hebben door zich in te schrijven voor de opleiding tot huisarts. Jarenlang heeft Z. evenwel zijn verdenking op een depressie en zijn mening over de onjuiste beroepskeuze van A. verzwegen. Ogenschijnlijk is er gedurende de gehele periode sprake geweest van normale collegiale betrekkingen. A. heeft van zijn kant nooit negatieve gevoelens over Z. gehad.

In één wezenlijk opzicht zijn de «melder» Z., de aangemelde «aanbieder van zorg» A. en de inspectie het vreemd genoeg roerend met elkaar eens: er is geen enkele klacht van patiënten over de door A. betrachte zorg bekend. A. deelt de inspecteur D. schriftelijk mee dat hij nooit aan een depressie heeft geleden en dat hij nooit een psycholoog of psychiater heeft geconsulteerd; daarmee hoopt en veronderstelt hij dat de slopende zaak afgerond zal worden. Maar inspecteur D. geeft aan dat achterdocht nu eenmaal eigen is aan zijn beroep en hij laat het niet bij woorden.

Er is geen enkele klacht over A. bekend en zelfs het geringste bewijs over mogelijk disfunctioneren als huisarts ontbreekt, maar toch wordt zijn zaak aangehouden. A. protesteert herhaaldelijk en steeds krachtiger tegen de onduidelijke procedure en het naar zijn mening absurde karakter van deze zaak. Hij weigert ook om zich te verweren tegen louter onbewezen indrukken en plaatst vraagtekens bij de motieven van Z. Maar de inspectie reageert prompt met de mededeling dat A. door middel van dit protest zijn recht op een wederhoor heeft verspeeld en dat het niet tot haar taak behoort om motieven achter een melding te onderzoeken.

De procedure wordt steeds ondoorzichtiger en A. ervaart dezelfde lichamelijke en geestelijke gevolgen als mensen die volstrekt onschuldig worden aangemeld en maandenlang de last van een verdenking moeten dragen.

Wanneer A. op de dag van het bezoek ontwaakt, hoopt hij één ding: dat hij diezelfde avond kan slapen met de zekerheid dat aan alle onzekerheden over de zaak een einde komt. Hij is er zelf volledig van overtuigd dat het onderzoek van de inspectie niets negatiefs zal opleveren. Maar helaas blijkt het Algemeen Toezichtsinstrument Huisartsen weinig meer te zijn dan een lange vragenlijst waarin ongeveer dezelfde onderwerpen aan bod komen als in het zogenaamde Kwaliteitsjaarverslag dat jaarlijks van zorginstellingen wordt verwacht. Er vindt helemaal geen onderzoek plaats. A. krijgt daardoor niet eens de kans om te bewijzen dat zijn praktijk uitstekend is georganiseerd en dat hem niets te verwijten valt.

Wanneer hij gedwee alle vragen van de inspecteurs D. en H. heeft beantwoord, is het zijn beurt om vragen te stellen. De sfeer wordt prompt grimmig. De advocaat die het gevoel heeft dat deze zaak steeds meer overeenkomsten gaat vertonen met Het proces van Kafka, heeft A. voor het bezoek nog zo gewaarschuwd dat hij op geen enkele wijze de inspectie ter verantwoording mag roepen met lastige vragen. De zaak vervult A. echter met zoveel afschuw dat het niet stellen van de meest brandende vragen voor hem een vorm van zelfverloochening is en de pijn hiervan vele malen erger dan de boosheid van beide inspecteurs. Dat A. ’s avonds met dezelfde en misschien nog wel met meer onzekerheden moet gaan slapen als waarmee hij die ochtend is opgestaan, heeft hij dan ook aan zichzelf te wijten. De beide heren van de inspectie zijn niet bereid om ondanks de vlotte en bevredigende beantwoording van alle vragen ook maar één indruk over hun bezoek prijs te geven.

Desgevraagd deelt de klerk mee dat het nog weleens drie maanden kan duren voordat überhaupt het conceptverslag van het bezoek klaar zal zijn. Pas daarna volgt over een nu nog niet te bepalen termijn de definitieve uitspraak over de melding, mits natuurlijk voordien niet wordt besloten om eerst nóg meer onderzoek te doen.

Er zijn ongetwijfeld zeer veel en buitengewoon fraaie betogen gepubliceerd over gezag, macht en autoriteit. Maar op de keper beschouwd draait het hierbij net als in de huisartsgeneeskunde slechts om twee gevoelens: pluis of niet pluis. Dat geldt voor degenen die het gezag uitoefenen, maar ook voor degenen op wie het gezag betrekking heeft. Aan de wijze waarop een autoriteit haar gezag oplegt, herkent men vaak al de ware aard ervan. De grillige afwisseling van een ogenschijnlijk vriendelijke, soms zelfs poeslieve bejegening — inclusief het gedempte stemgeluid dat vertrouwelijkheid moet suggereren — en de plotselinge omslag naar een toon die geen enkele tegenspraak duldt, stemt in dit opzicht tot weinig vreugde.

Een enkel detail kan al veelzeggend zijn. Zo ook in deze zaak. Wanneer inspecteur H. na het bezoek aan de praktijk afscheid van A. neemt, krijgt hij een vette knipoog maar tegelijk ook de mededeling dat de Hoge Raad der Nederlanden recentelijk een uitspraak heeft gedaan over een door de Inspectie voor de Gezondheidszorg ingediende klacht tegen een huisarts; deze zaak was ooit begonnen met klachten van zijn collega’s over de wijze waarop hij zich gedroeg en zijn werk deed, maar uiteindelijk werd de man zijn bevoegdheid om de geneeskunst uit te oefenen ontnomen. A. schrikt van deze weinig bemoedigende opmerking, die letterlijk op de drempel van zijn praktijk wordt gemaakt. Desgevraagd zal de inspecteur er voor zorgdragen dat A. deze uitspraak wordt toegezonden.

Wanneer A. echter na bijna zes weken nog steeds niet de toegezegde uitspraak van de Hoge Raad heeft ontvangen, herinnert hij inspecteur H. schriftelijk aan zijn belofte. Precies veertien dagen later kan A. dan uitgebreid kennisnemen van een inderdaad buitengewoon ernstige zaak. Deze betreft een huisarts die onder andere is veroordeeld in verband met ontucht gedurende drie jaar met een minderjarige jongen, waarin verder langdurig en excessief drankgebruik tot een onaanvaardbare situatie heeft geleid met een volledig verwaarloosde praktijkruimte en een medische verslaglegging die in het geheel niet meer plaatsvond. Op één plaats blijkt de naam van de betreffende collega niet te zijn doorgestreept, zodat A. precies weet op wie de zaak betrekking heeft. Later zal inspecteur H. zich hiervoor in een brief verontschuldigen, al voegt hij hier direct aan toe: «Het betrof overigens een openbare uitspraak — het tuchtrecht is openbaar tegenwoordig — zodat geheimhouding in dezen een relatief begrip is.»

Ook de advocaat van A. begrijpt niet waarom de inspecteur blijkbaar de behoefte voelt om zijn cliënt met deze zaak te overdonderen. Zelfs het enig mogelijke punt van vergelijking tussen beide zaken komt in de toegezonden uitspraak niet tot zijn recht. Voor zover namelijk uit de stukken blijkt, is het overgrote deel van de belastende feiten tegen de betreffende aangeklaagde arts niet spontaan door de collega’s bij de inspectie gemeld maar «kennelijk op verzoek van de inspecteur». A. werd daarentegen wél spontaan door een collega aangemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg.

A. is weinig gecharmeerd door dit futiele maar toch misplaatste staaltje van machtsvertoon dat in zijn ogen al gevaarlijk dicht in de buurt van intimidatie lijkt te komen. Door middel van een schrijven laat hij de inspecteur dan ook weten dat deze naar zijn mening «een ietwat discutabel gevoel voor proporties en een bepaald geen overdreven mate aan fijnzinnigheid» aan de dag legt.

Uiteraard zou A. als aangemelde arts wiens competentie wordt onderzocht, inmiddels zijn rol in deze zaak beter moeten leren kennen en behoort hij de autoriteit van de Inspectie voor de Gezondheidszorg onder geen beding te bekritiseren.

Nog geen paar dagen later — nooit eerder kwam een officiële reactie in deze zaak zo snel — ligt er dan ook voor zijn neus een gepeperde brief waarin inspecteur H. woedend naar hem uithaalt en zijn gal spuwt. Spijtig voor de gezagdrager slaat hij hierbij echter wel de plank totaal mis: de inspecteur suggereert namelijk volledig ten onrechte dat de inspectie volgens A. de telefonische melding van een collega van zijn waarneemgroep over zijn vermeende disfunctioneren niet serieus had moeten nemen, terwijl het tegendeel het geval is.

Niet zonder ironie komt A. korte tijd later tot de ontdekking dat er toch nog een minuscule overeenkomst tussen beide zaken bestaat die de inspectie overigens is ontgaan, omdat zijn praktijkruimte nauwelijks of niet is onderzocht: een op de vloer staande sterilisator. Maar het zijn natuurlijk wel de details die het hem doen.

Weinig artsen zullen tegenwoordig nog twijfelen aan de noodzaak van een rechtsbijstandsverzekering. Toch komt het niet in A. op om hierop een beroep te doen wanneer hij uitgerekend door een collega, met wie hij ruim vijftien jaar ogenschijnlijk probleemloos in de waarneemgroep heeft samengewerkt, wegens «vermeend disfunctioneren» wordt aangemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Waarvoor zou hij immers beducht moeten zijn? Er is geen enkele klacht van patiënten over hem bekend en hij heeft nooit kritiek van zijn collega’s op zijn medisch handelen gekregen. Toch schrijft Z. onomwonden in zijn brief aan A.: «Het is mijn mening, dat gezien de lichamelijke beperkingen en de geheugenstoornis welke jij thans ondervindt het niet verantwoord is dat jij als huisarts, ook bij een beperkte taakomvang, werkzaam blijft.»

Z. kan deze vérstrekkende mening op geen enkele wijze onderbouwen met een bewijsstuk — hoe gering dan ook — of zelfs maar met een verwijzing naar een concreet voorval, waarbij de zorg van A. mogelijk te kort zou zijn geschoten.

A. zélf is er wel van overtuigd dat hij zijn beroep als huisarts op een verantwoorde wijze uitoefent. Kort na de melding nodigt hij inspecteur D. daarom uit om een spreekuur van hem bij te wonen, opdat elk misverstand hierover direct uit de wereld wordt geholpen. Daarmee moet de kous af zijn. Volgens A. zou het toch werkelijk van de gekke zijn en misschien zelfs bevreemding opwekken om in zo’n situatie toch nog een beroep te doen op juridische bijstand.

Toch laat A. zich met tegenzin door een jurist uit zijn kennissenkring overhalen om zijn rechtsbijstandsverzekering aan te spreken. Tot zijn niet geringe schrik wordt zijn zaak onmiddellijk uitbesteed aan een gerenommeerd advocatenbureau. De advocaat die hij toegewezen krijgt, laat er tijdens een telefoongesprek geen enkel misverstand over bestaan: «Het is mijn taak om u uit de klauwen van de inspectie te halen.» Dat vindt A. wat overdreven gesteld. Hij kan het niet over zijn hart verkrijgen om de zaak volledig uit handen te geven, daar hij er nog steeds volledig van overtuigd is dat hem geen enkele blaam treft en dat hem dus echt niets verweten kan worden.

Pas na enkele maanden dringt bij hem het besef door hoe onontbeerlijk juridische bijstand is, ook wanneer er niets onoorbaars is gebeurd en de melding eigenlijk niet ontvankelijk verklaard had moeten worden. Want inspecteur D. laat er van zijn kant geen enkel misverstand over bestaan: ongeacht wat collega Z. over A. beweert, ongeacht of er wel of geen bewijsmateriaal voorhanden is en ongeacht de motieven van Z. om A. aan te melden, staat A. bij hem onder verdenking. Het wegnemen van die verdenking is werk voor advocaten. Want een inspecteur gaat niet zomaar het spreekuur van A. bijwonen, waarnemers ondervragen of patiëntendossiers napluizen; hij bewandelt zijn eigen weg, volgt zijn eigen logica en hanteert zijn eigen termijnen.

A. raakt verbitterd omdat hij nu met een dubbele onrechtvaardigheid opgescheept zit: de melding zelf en de automatische verdenking, waartegen hij niets kan beginnen omdat zijn woorden nauwelijks of geen gewicht in de schaal leggen. In de uitvoerige correspondentie die rond de zaak ontstaat, probeert A. steeds de vinger op enkele zere plekken te leggen om aan te tonen dat inspecteur D. — eufemistisch gesteld — weinig zorgvuldig te werk gaat. Maar de inspectie is nu eenmaal oppermachtig en D. kan het zich dan ook permitteren om herhaaldelijk de kern van de op hem geleverde kritiek te omzeilen.

Slechts eenmaal lukt het de inspecteur niet om aan deze kritiek te ontkomen: in het verslag dat door de inspectie van het bezoek aan de praktijk van A. wordt gemaakt, vindt een pijnlijke verdraaiing van zijn woorden plaats, hetgeen aan de hand van de geluidsopname kan worden bewezen.

Helaas betreft deze opname slechts het tweede gedeelte van het betreffende bezoek. De vele vragen die A. krijgt gesteld over de praktijkvoering en zijn antwoorden hierop, worden niet op band vastgelegd. Hiermee zou A. ongetwijfeld ook hebben kunnen aantonen hoeveel slordigheden het verslag bevat en op welke wijze een verdenking zichzelf in stand kan houden.

Ook de advocaat van A. valt in het verslag «een aantal zaken op». Zijn twijfels gaan op de eerste plaats naar de volgorde waarin sommige onderwerpen in het verslag staan maar vervolgens ook naar het feit dat de zaken «soms nét iets anders werden weergegeven» dan dat ze naar zijn idee besproken waren. Verder mist hij een notitie van het feit «dat de sfeer tijdens met name het tweede gedeelte van het gesprek nou niet erg ontspannen was». Voorzichtig wordt hier door de advocaat aan toegevoegd: «Ook zou ik graag in het verslag terug willen zien dat het gesprek is beëindigd nadat ik daartoe het voorstel had gedaan. Niet omdat dat op zich zo belangrijk is, maar slechts om aan te geven dat het gesprek op het moment verzandde in wederzijdse beschuldigingen en herhaling van argumenten.»

Wederom toont inspecteur D. zich echter de machtigste partij. Op een paar feitjes na, die later door A. als voorbeelden naar voren worden gebracht om te illustreren hoe onzorgvuldig het verslag is gemaakt, legt de inspecteur de door A. en zijn echtgenote herziene versie van het conceptverslag naast zich neer; hetzelfde geldt voor de opmerkingen van de advocaat. De inspecteur weigert zelfs het verzoek om de brieven van A. en zijn advocaat over de verslaglegging aan het verslag toe te voegen. Ook het voorstel van de advocaat om dan tenminste nog op of bij het verslag een aantekening te maken van deze weigering werd níet gehonoreerd!

Wat weegt voor A. het zwaarst: het onrecht van de melding of het onrecht van de wijze waarop de melding door de Inspectie voor de Gezondheidszorg wordt onderzocht? Ruim een half jaar nadat A. bij de inspecteur is aangemeld, biedt het werk als huisarts hem nog maar bitter weinig voldoening en voelt hij zich vaak doodongelukkig. In Het proces van Franz Kafka wordt de hoofdpersoon, die om volstrekt onduidelijke redenen in staat van beschuldiging is gesteld, op een gegeven moment het dringende advies gegeven om toch maar een bekentenis te doen. De in dit boek beschreven situatie lijkt heel ver van de Nederlandse realiteit verwijderd.

Misschien is het ook niet geheel juist om zomaar een vergelijking te trekken tussen Het proces en de behandeling van deze melding, maar in wezen vergaat het A. op één punt niet anders dan de hoofdpersoon in Het proces: van verschillende kanten krijgt ook hij het goedbedoelde advies om toe te geven aan wat er tegen hem wordt ingebracht en om te leren omgaan met zijn situatie, louter met als doel om onder de druk van de inspectie uit te komen. A. weigert dit echter pertinent en krijgt hierbij gelukkig alle steun van zijn advocaat.

Het verlossende bericht van de inspecteur komt na ruim zeven maanden: het onderzoek wegens «vermeend disfunctioneren» van A. wordt tussentijd beëindigd omdat «er geen aanwijzingen gevonden zijn dat de praktijkvoering als huisarts niet aan de professionele standaard voldoet en dat er geen aanwijzingen zijn voor een ernstige bedreiging van de gezondheidszorg, dan wel dat het belang van een goede kwaliteit van de gezondheidszorg in het geding zou zijn».

Inspecteur D. kan het evenwel niet nalaten om A. een trap na te geven: hij krijgt het dringende advies om een eigen huisarts te zoeken. Maar ook nu munt de inspecteur niet uit door de zorgvuldigheid die hij ongetwijfeld van de werkers in de gezondheidszorg wél verwacht. Wanneer de man ooit de moeite had genomen om het A. te vragen, had hij immers kunnen weten dat A. en zijn gezin al jarenlang een eigen huisarts hebben.

Conform de richtlijnen over de afhandeling van een melding wordt ook Z. schriftelijk door de inspecteur op de hoogte gebracht van zijn besluit. Maar zoals Z. zich volledig in stilzwijgen hulde over zijn voornemen om A. aan te melden bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg en zoals hij zich na zijn bezoek aan de inspecteur tegenover A. en zijn echtgenote gedroeg alsof er werkelijk helemaal niets was gebeurd, blijft ook na de brief van de inspecteur elke reactie van hem jegens A. uit.

Naschrift:

In de medische wereld heerst een groot taboe op ervaringen van artsen die te maken krijgen met een (aan)klacht bij de Medische Tuchtraad of die worden aangemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Ondanks het feit dat dit lot minstens een kwart maar vermoedelijk een veel groter percentage van de beroepsgroep treft, kunnen artsen die dit taboe doorbreken, nauwelijks rekenen op begrip en medeleven. Het zal duidelijk zijn dat zowel de melding zelf over vermeend disfunctioneren van A. door een collega van zijn eigen waarneemgroep als de wijze waarop deze melding in behandeling is genomen door de Inspectie voor de Gezondheidszorg de nodige sporen heeft nagelaten bij A. en zijn echtgenote. A. kreeg het advies om zélf zijn ervaringen tijdens deze slopende periode op papier te zetten. En aldus is geschied.