Bezopen meisjes

Kunstwerken zijn geen alternatieve bidprentjes. Zie de foto’s die Rineke Dijkstra van Liverpoolse pubers maakte. Die onthullen eerder de hel dan de hemel.
Stedelijk Museum Amsterdam, Honderd foto’s, tot en met 17 november.
Rineke Dijkstra in galerie Paul Andriesse, Amsterdam, tot en met 26 november (ma-vr 10.00-12.30 uur, 14.00-18.30 uur, za 14.00-18.00 uur).
IETS MEER DAN een maand geleden liep ik tegen de avond door het Stedelijk Museum. Het geritsel van afgevallen bladeren drong de vrijwel verlaten zalen binnen. De herfst begon zich aan te dienen. Ik wachtte op iemand die niet zou komen opdagen en bekeek de foto’s in de tentoonstelling ondertussen met een mengeling van gevoelens die nog het meest op een mislukte vlaflip leek.

Er hingen ongeveer honderd foto’s van evenzoveel meesterfotografen. Eén ervan was van Brassaï, de chroniqueur van het rauwe nachtleven in de jaren twintig en dertig in Parijs, en die toonde een scène in een café of dansgelegenheid waarop een vrouw te zien is - met haar rug naar de camera, gekleed in een doorzichtige jurk, die de welving van haar billen volledig bloot geeft.
Ik probeerde me zo sterk op de foto te concentreren dat de wereld om me heen zou verdwijnen. Maar die truc mislukte. De wereld liet zich niet wegsturen, lomp bleef ze waar ze was: stormachtig en veeleisend.
In haar essay Kunstobjecten stelt Jeanette Winterson dat mensen eens zouden moeten proberen om een uur lang geconcentreerd naar één kunstwerk te kijken. Ze beschrijft de louterende sensaties die ze zelf heeft ondergaan tijdens zo'n experiment en ze lijkt er ook veel goeds van te verwachten voor ons aller zieleheil. Het heeft iets benards dat mensen zulke strafoefeningen bedenken om beeldende kunst te propageren. Het mooie van kunst is juist dat je twee minuten naar een schilderij kunt kijken, maar ook twee jaar en dat niemand daar een moer mee te maken heeft. In principe staat er gewoon geen tijd voor. En wat mij betreft is het ook nog verdedigbaar dat je in die twee minuten soms meer ziet dan in twee jaar.
Ik concentreerde me weer op de foto van Brassaï en vroeg me af of het begeren van een stel billen van iemand die allang vergaan is, of inmiddels de oudste kont van de wereld heeft, nog onder kunstgenot te scharen valt. Winterson beveelt in zulke pathologische gevallen vast een abstract werk aan.
‘Naakt kwam ik ter wereld, maar ik word door penseelstreken bedekt, door taal grootgebracht, door muziek van ritme voorzien. Kunst is mijn staf en mijn steun, mijn schuilplaats en schild’, schrijft ze extatisch. Dat is kunst als de kerk van Christus zonder Christus, als redding, als troost. Maar ik stond daar in dat museum als een drenkeling naar die roomwitte billen te staren en bedacht me dat kunst als het erop aan komt helemaal niet troost.
Er zijn veel mensen als Jeanette Winterson die denken dat er een hoop heil schuilgaat in kunst. Alsof je een staat van verlichting zou kunnen bereiken in een museum. Tegen hun extase steekt mijn museumbezoek altijd zo akelig schril af. Maar eigenlijk is het behoorlijk egoïstisch om troost van een kunstwerk te verlangen. Kunstwerken zijn gewoon geen alternatieve bidprentjes.
DE FOTO’S VAN Rineke Dijkstra (1959) - van wie in het Stedelijk Museum ook een werk hangt, een strandportret van een schriel Pools meisje - blinken uit in een specifieke troosteloosheid waardoor je een Dijkstra altijd in één oogopslag herkent. In haar vrije werk - waarbinnen de strandportretten, met steeds de zee als (oneindige) achtergrond, een voorname plaats innemen -, maar ook in de schrijversportretten, die het afgelopen jaar wekelijks bij recensies in de NRC verschenen, zien de meeste mensen er zo verlaten uit dat je er naar van wordt. Voor een schrijver die op dezelfde pagina ook nog eens in woorden gefileerd gaat worden, misschien niet iets om heel vrolijk van te worden.
'The beast in me is caged by frail and fragile bars’, zong Johnnie Cash al. Maar op Dijkstra’s foto’s lijkt het eerder alsof bijna iedereen zijn beest voorgoed kwijt is, behalve Hugo Claus en A.F.Th. van der Heijden, maar die zijn natuurlijk gewoon pontificaal op hun beest gaan zitten. Er waren wel uitzonderingen, ik herinner me bijvoorbeeld een sprankelende foto van Joke van Leeuwen en ook de dichter Jan Eijkelboom stond er prachtig op.
Misschien is het precies dat aspect van Dijkstra’s werk - de mensen zo dicht op de huid gaan zitten dat de pose juist datgene onthult wat ze zo graag wilden verbergen - dat zo'n wrijving veroorzaakt bij schrijvers, die het in de publiciteit tegenwoordig toch voornamelijk van die pose lijken te moeten hebben.
Dijkstra, die recent werk bij galerie Paul Andriesse in Amsterdam toont, fotografeert in haar vrije werk dan ook bij voorkeur jonge mensen op de grens van adolescentie, of daar net overheen geduwd - een periode in een mensenleven waarin pose, of het gebrek daaraan, zich pijnlijk duidelijk openbaart.
Naast foto’s maakte ze aan het begin van deze zomer in samenwerking met Gerald van der Kaap in een Liverpoolse discotheek ook video-opnamen van een aantal meisjes. De housemuziek die nu bij de videoprojectie valt te horen, is niet dezelfde als die tijdens de opnamen in de discotheek gespeeld werd. Op die geluidsband stonden namelijk te veel bijgeluiden, gesprekken en regieaanwijzingen. Dijkstra en Van der Kaap wilden de muziek niet als illustratie of als soundtrack gebruiken en om dit te vermijden voegden ze in de studio een effect toe waardoor de muziek klinkt alsof ze in de kamer ernaast afgespeeld wordt. Het echte feest is immers altijd elders.
Een voor een verschijnen de meisjes in beeld, de achtergrond is egaal wit, meedogenloos strak, en de meisjes lijken in die onbestemde ruimte meer verloren dan ze ooit aan zee zouden zijn. Enig houvast vinden ze nog in de attributen die ze omklemmen: een sigaret, een portemonneetje, een jongen die hevig getongd wordt, een bierfles.
Terwijl ze een houterig dansje maakt, dat desondanks de suggestie van zwoelheid moet zien te wekken, raakt een van de meisjes, gekleed in een rokje van glimmend blauwe stof dat strak om haar heupen spant, steeds angstig haar eigen buik aan, alsof ze beducht is voor de verlangens die zich daar kunnen roeren. Het is duidelijk te zien dat de meeste meisjes dronken tot zelfs stomdronken zijn. Dit zijn jonge eendjes die nooit tot zwanen zullen uitgroeien, denk je terwijl de meisjes met onzekere bewegingen almaar verder dansen, maar tot volgevreten, gedrogeerde huismoeders. Met spaarzame middelen weet Dijkstra zo'n indringend portret van een stel jonge meisjes neer te zetten dat het hartverscheurend is. Wat zij toont is de schoonheid van het imperfecte.
HET IS OVERIGENS moeilijk uit te maken wat precies de bijdrage van Gerald van der Kaap is, zozeer verwijst de video naar de foto’s van Dijkstra. Maar mogelijk wordt dat in de loop van de tijd duidelijker. Dijkstra en Van der Kaap zijn namelijk van plan om een serie video’s te maken, opgenomen in discotheken door heel Europa en misschien zelfs daarbuiten.
Gelukkig hebben ze niet eens de indruk willen wekken een psychologisch portret te willen schetsen van - alweer een nieuwe! - verloren generatie. Ze blijven steeds aangenaam moraalloos.
Met fascinerend egocentrisme treden de meisjes de camera, en daarmee de wereld, tegemoet. Onzekerheid en haar heksenzusje uitdagendheid, angst, hunkering en wellust, dronkenschap, een misschien nog onvermoede kern van taaiheid - je ziet het allemaal voorbijkomen, maar wat er aan de binnenkant van van die koppies zit, daar blijft het toch naar gissen. Dat werpt je hard op jezelf terug.
Zíj lijken in elk geval niet erg gelukkig, stoned en bezopen als ze zijn. Maar het feit dat je nooit zult weten wat ze er zelf precies van denken, maakt ook de betovering van deze portretten uit.