Ik wacht voor de deur van 122A als boven mijn hoofd, bij 122B, het raam openschuift. Een blote man buigt zich over een bloembak vol verdorde begonia’s naar buiten. Hij heeft een indrukwekkende buik. Vanaf zijn navel loopt een felroze litteken omhoog, om net onder zijn borstbeen te eindigen. ‘Zoek je de onderbuurvrouw?’ vraagt hij. Ik kijk nog eens op het kaartje van de posterijen. ‘Ja, voor een pakketje’, zeg ik. ‘Ik woon twee straten verderop.’

De blote man draait zijn hoofd een stukje. ‘Wil!’ roept hij luid. ‘Hebben wij een pakketje aangenomen?’ Er klinkt enig gestommel, de blote man schuift wat op en dan verschijnt een vrouw met een geelblond permanent in de raamopening. Ze draagt een zwarte trui met glitters. Naast de man buigt ze zich naar buiten, een sigaret in de hand. ‘De buurvrouw is op vakantie’, zegt ze. ‘En wij hebben niks aangenomen.’ De blote man glimlacht. ‘Ik kan de trap niet eens af’, zegt hij. De vrouw blaast een rookwolkje uit. Het vervliegt in de zomerse avondlucht.

Ik kijk nog eens op het kaartje: afgeleverd bij 122A. De man oppert dat er een verkeerd nummer is opgeschreven. De vrouw zegt dat ze pas nog een jurk had besteld die nooit aankwam en dat ze toen ruzie kreeg met de klantenservice van Wehkamp. ‘Nou, ammehoela.’ Ze neemt weer een trekje van haar sigaret.

De man kijkt naar een witte kat die aan komt lopen. ‘Moet Joekel niet naar binnen?’ vraagt hij. ‘Dat is Snowy’, zegt de vrouw. En tegen mij: ‘Het is net een tweeling, maar de één kan ’s avonds niet buiten en de andere wel.’ Samen nemen ze de verdwijning van het pakketje door. Hoe druk het tegenwoordig voor de bezorgers is, hoe slecht ze betaald krijgen, hoe ingewikkeld de straten hier genummerd zijn, hoe vaak auto’s verkeerd rijden. Ik stop het kaartje maar weer terug in mijn zak. De blote man zegt: ‘Ik heb weleens een dooie eend bezorgd gekregen.’ De vrouw knikt. ‘Ja, toen woonde hij nog in het centrum, vlak bij de kerk.’ De blote man, die zijn forse buik inmiddels weer terug naar binnen heeft geschoven en nu op zijn onderarmen leunt, schudt met veel vertoon zijn hoofd, alsof hij zijn verbijstering over de dode eend nog eens naspeelt.

‘Het was een kerstproject voor arme mensen’, zegt de vrouw. ‘Daar brachten ze beesten langs die over waren, zelfs konijn en alles. Maar Ger had zich helemaal niet opgegeven.’

‘Wel lelijk maar niet arm’, zegt de man. Hij lacht schurend, met piepende uithalen. Zijn tepels schampen de verdorde begonia’s. De vrouw drukt haar sigaret uit op de rand van de bloembak. ‘Gezondheid’, zegt ze tegen mij. ‘Dat is je grootste geluk.’ De man knikt. Ik zeg dat dat zeker waar is. Kat Snowy verdwijnt onder een auto. Ik bedank ze voor hun tijd.

‘Altijd welkom’, zegt de man, ‘alleen maar gezellig.’

‘Ik hoop dat je pakketje nog opduikt meid’, zegt de vrouw.

Als ik bijna de straat uit ben kijk ik even om. Ze hangen nog steeds uit het raam. Een tableau vivant zonder al te veel pretentie; hij met blote armen, zij in haar zwarte trui met glitters. Samen passen ze precies in de omlijsting van het kozijn.

Terwijl het laatste gedicht het tijdstip verteert
staat de maker geledigd op van zijn tafel
hij reinigt zijn vleesmes en kijkt uit het raam

op de sierbestrating zieltogen de bladeren
verlost van hun zomer, de windengel hurkt
in het eeuwige onkruid en wacht tot er tijd is

dus vredig de avond vol afscheid en oorlog
wereld waarheid en liefde behelzen
onkwetsbaar
hun ijzeren letters

nu nog iets eetbaars, bloedbeuling witbrood
dan eindelijk slapen, zwart is de mode –

Dus vredig de avond
Gerrit Kouwenaar
Uit: Vallende stilte, Querido, 2008