Vonne van der Meer, Ik verbind u door

Bezorgd schrijverschap

Vonne van der Meer

Ik verbind u door

Contact, 174 blz., € 14,90

Sinds 1999 schrijft Vonne van der Meer boeken waarin ze veel, liefst «gewone», mensen ten tonele voert van wie de geheimen en verlangens kort worden uitgelicht. Schepen die elkaar in de nacht passeren. In haar boeken gaat het nooit om overdreven geschreeuw en overtrokken hartstochtelijk gedoe. Er komen geen halvegaren en geheel verloederde types in voor waar we tijdelijk lekker bij mogen huiveren, zoals dat in veel andere Nederlandse boeken wel van ons wordt verwacht. Normale mensen maakt ze hoogstens tijdelijk ongewoon, ze stelt ze met veel gevoel voor nuance aan ons voor en laat ze vervolgens weer in de mist van het alledaagse verdwijnen.

Je moet je op dit werk echter niet verkijken. Van der Meer koestert sterke literaire ambities en haar werk polemiseert zonder dat het direct opvalt wel degelijk met veel Nederlandse literatuur waarin men het vaak zoekt in sensatiezucht, snelle meningen, abnormaliteiten en opgeklopt zelfmedelijden, getoonzet in een schreeuwerige zelfgenoegzame stijl. Daar moet ze niets van hebben.

Ook in Ik verbind u door introduceert ze een groot aantal personages. Deze keer zet ze die niet bij elkaar in een plaatsgebonden decor, maar wipt ze in een soort estafette van de een naar de ander. We maken in het begin kennis met Edith, daarna vergezellen we haar man Berend naar zijn werk, waar we kennismaken met diens collega Jaap en met hun secretaresse Carla en we vervolgens meelopen met de sollicitante Elly, die een zwerver uitscheldt. Daarna keren we even terug naar Edith, die een Afghaanse werkster heeft met problemen en zo kennis maken met… et cetera. Alle personages in dit boek lijken via toevalligheden met elkaar verbonden, maar er is een soort bewaarengel die af en toe expliciet het woord voert, de lijnen uitzet, de ontmoetingen arrangeert en zorgt dat alles gaat zoals het gaat. En zo wordt een scala van mensen geïntroduceerd op een gewone doordeweekse dag, met hun hoop, hun verdriet, hun geluk en in een enkel geval zelfs met hun dood.

Er klinkt in dit boek een voor de Nederlandse literatuur ongewoon positieve grondtoon door. Van der Meer laat haar personages strijden tegen het hen bedreigende venijn dat steeds de kop opsteekt maar uiteindelijk toch het onderspit delft. Ieder personage streeft ernaar zich met de ander te verzoenen: «En dat verlangen zich met elkaar te verzoenen breidde zich snel uit, vermenigvuldigde zich: in de e-mail waarin Jaap meldde dat hun man in Kabul zich bereid hield en of Carla Edith wilde bellen om te vragen hoe laat hun koerier het pakje kon afhalen, bood hij zijn secretaresse in een PS zijn excuses aan.» En daarop beseft die secretaresse dat ze die morgen een sollicitante ten onrechte heeft afgewezen. Van der Meer slaagt erin al te grote zoetsappigheid en goeddoenerij te vermijden, al scheelt het soms niet veel. Zelfs de moordenaar komt tot inzicht en ook bij hem breekt het goede door.

Ik ben dit literair-ethische uitgangspunt van schrijven de laatste twintig, dertig jaar vrijwel niet meer in Nederlandse literatuur tegengekomen. En het moet gezegd: Van der Meer werkt haar ideeën consequent en vindingrijk uit, zonder zich op de borst te slaan of er plotseling de een of andere godsdienstige theorie aan te verbinden. Ze wil haar lezers hoop geven en troosten en daarom schrijft ze deze literatuur. Dat betekent overigens wel dat zij ook in haar stijl «het gewone» voorrang geeft boven een eigen afgemeten literair jargon. Van der Meer wil blijkbaar niet meer alleen voor zichzelf schrijven, dit romantische idee over het schrijverschap begint ze in haar laatste werk en zeker ook in deze nieuwe roman te verlaten. Ze schrijft steeds meer voor haar publiek en begint zich als kunstenaar in dienst te stellen van een gemeenschap.

Van der Meer toont zich de laatste jaren een steeds bezorgder schrijfster. Soms leidt dit in haar proza tot zinnen met weinig kraak of smaak of blijft het hangen in tamelijk afgesleten beelden, maar ik heb het idee dat ze dit op de koop toe neemt. Neem de passage waarin Edith in de tuin geniet van de zon: «Ze hield van het milde licht, de hortensia’s en de rozen waren bijna uitgebloeid, de tuin had minder kleur dan een maand geleden, maar wat er nog aan kleur restte won aan diepte, je zag weer schakeringen in het groen nu de zon niet meer zo fel op de borders scheen.»

Slecht proza is het zeker niet, slecht proza krijgt deze zorgvuldige schrijfster gewoonweg niet uit haar pen, maar het borduurt wel voort op wat grote groepen lezers van literaire metaforiek lijken te verwachten. Dat moet dan maar.