In Memoriam Johan van der Keuken (1938-2001)

Bezorgdheid, liefde, kunst

In liefde gestorven staat er boven aan de tekst op de rouwkaart bij de dood van Johan van der Keuken. Het is ook eigenlijk geen rouwkaart. De helft wordt ingenomen door een kleurige tekening die Johan van der Keuken zelf nog geen maand geleden in Spanje heeft gemaakt: Op naar de sterren. Je ziet lichte vrouwengestaltes die donkere (dode?) mannen naar de hemel dragen. Het kan een liefdesbetuiging aan zijn vrouw Nosh van der Lely zijn, maar ook een metafoor: het zijn de levenden die de doden naar de sterren moeten dragen, het is onze herinnering die de doden levend houdt.
Een tekening. Een jaar geleden, toen ik hem interviewde, vertelde hij dat hij al vanaf de middelbare school tekende, maar hij was daarna gaan fotograferen en werd, vanuit z’n vriendelijke maar doordringende bescheidenheid, de chroniqueur van een klein groepje rokende, wijn drinkende en vooral peinzende leerlingen van het Amsterdamse Montessori Lyceum. Hij werd steeds meer een lyrische fotograaf en al gauw juist een zoekende filmer.
Het was gemakkelijk Johan van der Keuken te bewonderen, maar het was nog gemakkelijker kritiek op hem te hebben. Sommigen vonden hem een drammer, omdat hij zoveel te vertellen had over de gebreken in de wereld om ons heen. Anderen vonden hem een onbegrijpelijke mooifilmer, omdat er altijd veel te raden en te associëren bleef in zijn films. En in Nederland, waar het al te persoonlijke vaak gênant wordt gevonden, vond men het rare woord «ijdel» uit, omdat hij zelf nooit onpersoonlijk afwezig was in zijn films.
Het is nu eenmaal zo dat Johan van der Keuken tegelijkertijd een groot kunstenaar was, iemand die zich betrokken voelde bij wat er in de wereld gebeurt, en een goed en lief mens. Al die aspecten van zijn persoon zitten in zijn films, maar in verschillende verhoudingen. Al in zijn eerste, heel persoonlijke, zwartwitfilms komt plotseling de politieke werkelijkheid — de oorlog in Vietnam, de rassendiscriminatie in de Verenigde Staten — zo’n filmpje openbreken. Ook in zijn meest politiek geëngageerde films uit de jaren 1968-1985 houdt hij zijn eigen onafhankelijke, artistieke blik en blijft hij uiteenlopende zaken met elkaar verbinden. En ook in zijn latere, grote films, feestelijke evocaties van het leven van mensen in Amsterdam, in Europa, in de wereld, is hij zich altijd bewust van de grote problemen en onze onmacht die op te lossen.
Zelf heb ik, diep in de jaren zeventig, weleens gedacht dat Johan van der Keuken te individualistisch zijn eigen artistieke weg zocht. Maar wat ben ik nu blij dat hij altijd onafhankelijk is gebleven. Zelfs in zijn meest gebonden film, De Palestijnen, waarin hij het meest meeging met zijn opdrachtgevers, heeft hij dubbelzinnigheid gelegd in de beelden van Palestijnse kinderen die oefenen in guerrilla spelen, waardoor ook deze film helaas gruwelijk actueel is gebleven.
Na zijn ziekte — darmkanker — in 1985 is hij nog intensiever, nog vrijer, nog ambitieuzer gaan filmen. Amsterdam Global Village had wat hem betreft al een afsluiting kunnen zijn, een film, waarin al zijn thema’s bij elkaar komen. Maar hij heeft daarna nog een aantal prijzen en andere eerbewijzen mogen ontvangen en vooral: nog heel persoonlijke films kunnen maken. Zijn laatste grote film, De grote vakantie, is een hoogtepunt van filmersplezier, levensvreugde, liefde voor mensen en tegelijk diepe zorg, voor de wereld, de mensen en zichzelf. Hij hoopte toen een geneesmiddel te hebben gevonden voor zijn ziekte. Wat is het droevig dat hij nu al dood is, maar wat een rijk en prachtig leven en wat een mooie erfenis aan foto’s, films, tekeningen en liefdevolle herinneringen aan een humaan mens en groot kunstenaar.