Bezorger van verkoeling

In het hoofd van Marco Roth huizen verschillende versies van de scène waarin hij voor het eerst hoorde dat zijn vader ziek was. In één ervan zit hij met zijn ouders aan de keuken­tafel; in een andere ligt hij op bed en wordt het nieuws hem als een verhaaltje voor het slapen gaan gebracht.

Hoe of wanneer het ook precies gebeurde, het moet in elk geval zomer geweest zijn, juli of augustus, want: ‘Voor ik op muziekkamp ging wist ik niets, en toen school begon wist ik dat mijn vader op een bepaald moment hiv had opgelopen, dat hij nu full-blown aids had, en dat hij, volgens hem, nog ergens tussen nul en vijf jaar te leven had.’ Het was 1988: Marco Roth, enige zoon in een joods intellectueel gezin in een appartement aan Central Park in New York, was veertien.

Wat hem van die zomer nog het meest is bijgebleven, schrijft Roth in zijn memoir The Scientists: A Family Romance, zijn het geluid en het gevoel van de airconditioning – bezorger van verkoeling, uitbanner van straatlawaai, en, in de ogen van vader Eugene Roth, het bewijs van ‘our capacity for benevolent domination of the earth’. Net als in de uitroeiing van malaria in Amerika en Italië zag Eugene in airconditioning ‘een concreet teken van vooruitgang, van hoop voor de wereld, gelijk het zionistische project om de woestijn tot bloei te brengen’.

Volgens het verhaal dat Marco in die kunstmatig gekoelde zomer had meegekregen was Eugene, vooraanstaand hematoloog, besmet geraakt in het ziekenhuis: er ging iets mis met een naald. Het was domme pech, totdat ­Eugene’s zus, de schrijfster Anne Roiphe, in 1999 haar memoir 1185 Park ­Avenue publiceerde. Roiphe suggereerde dat haar broer er een geheim homo- of biseksueel leven op na had gehouden en dat hij zijn ziekte ‘op de meer gebruikelijke manier’ had opgelopen. In The ­Scientists doet Roth niet alleen verslag van Eugene’s ziekbed en dood in 1993, maar vooral van de daaropvolgende zoektocht van een zoon naar de werkelijke omstandig­heden van zijn vaders besmetting met hiv/aids. In het geval van Roth is die zoektocht verweven met zijn academische loopbaan. Eugene overleed toen Marco negentien was en in zijn eerste jaar aan Columbia University zat; hij wilde naar een andere universiteit, maar zijn vader, die zijn zoon altijd aanmoedigde ‘his own person’ te worden, dreigde hem te onterven als hij niet toetrad tot de Ivy League. Het universitaire bestaan, en vooral het bevrijdende maar tegelijkertijd verlammende effect van de Kritische Theorie op het ‘echte leven’, vormen een belangrijk thema in The ­Scientists. Het is een obsessie die Roth deelt met de andere redacteuren van het literaire tijdschrift n+1, dat hij in 2004 oprichtte: ook in de romans van mede-oprichters Benjamin Kunkel (Indecision, 2005), Keith Gessen (All the Sad Young Literary Men, 2008) en Chad Harbach (The Art of Fielding, 2011) staat dit onderwerp centraal.

Voor Roth bood Theorie, en de absorptie in teksten en voetnoten die zij eiste, vooral afleiding: ‘Het ene boek leidde naar het volgende, de ene criticus naar een andere criticus van een volgende criticus. Het spelletje hield ons in leven en maakte het gemakkelijk niet aan al die andere afwezigheden te denken’ – zoals zijn vader.

Als PhD-student aan Yale verdiept Roth zich in wat hij de ‘canon’ van zijn vader noemt – romans die Eugene hem te lezen gaf toen hij jonger was. Hij leest Oblomov, De metamorfose en Vaders en zonen, en analyseert de boeken met de instrumenten van een literatuurweten­schapper maar met het onwetenschappelijke doel zijn vader te doorgronden. Het is een gedoemde opgave, vreest ook hij: ‘Ik was bang dat als ik deze boeken benaderde alsof ze, in een geheime code, het antwoord bevatten op de vraag wat mijn vader eigenlijk had gewild in zijn verminkte leven, ik enkel het antwoord zou vinden waarnaar ik op zoek was.’ Maar als hoogbegaafde, joodse intellectueel uit een familie die zich vooral lijkt uit te drukken in het geschreven en gepubliceerde woord (Roth’s nichtje, Katie Roiphe, is ook een gevierd schrijfster) kan Roth misschien niet anders. Toch is het uiteindelijk zijn moeder, niet Kafka of Thomas Mann, die hem leert wat hij moet weten.

Naast het verhaal van zijn zoektocht naar zijn vader bevat The Scientists ook een plattegrond van een voortdurend veranderend New York. Roth groeide op aan de Upper West Side in een tijd dat die buurt nog ‘edgy and derelict in places’ was, bevolkt door immigranten en kunstenaars. Met een haast dwangmatige hang naar volledigheid omschrijft hij de straten, blokken, gebouwen en routes uit zijn leven, alsof hij niet alleen om zijn vader rouwt maar ook om de stad – die constant verandert, ongrijpbaar is. Zijn personage is onrustig, onzeker en neurotisch – ‘going to the shrink made me happy’, schrijft hij, ‘it was the most normal-feeling thing I’d done for a while’. Hij is het soort jongen, en later het soort man, die zodra hij ergens aankomt, meteen weer weg wil. Dingen mislukken, of dreigen te mislukken: hij doet bijna vijftien jaar over het schrijven van zijn boek. Zijn dissertatie maakt hij niet af, zijn huwelijk loopt stuk, en zelfs zijn literaire zoektocht heeft iets halfhartigs.

Zo onrustig als zijn personage is, zo kalm is Roth’s stijl. Hij is een precieze verteller, onderkoeld bijna: de klinische wijze waarop hij zijn vaders euthanasie omschrijft, of het moment dat hij de drukproeven van het boek van zijn tante leest, maakte dat ik moest terugbladeren om te kijken of er echt had gestaan wat ik dacht; de toon is zo constant dat je er bijna overheen zou lezen. Die benadering is weinig spannend – op sommige momenten voelt The Scientists eerder als een boekverslag of het statusformulier van een ziekenhuispatiënt dan als de hartenkreet van een zoon wiens vader een verschrikkelijk geheim met zich meedroeg. Tegelijk behoedt Roth het boek zo voor een overdosis drama of depressiviteit – daar wordt The Scientists uiteindelijk niet zwakker, maar juist sterker van.


Marco Roth
The Scientists.
A Family Romance
Farrar Straus Giroux, 196 blz.,€ 23,99