Ger Groot

Bibliotheek

Tien tegen één dat de roman De schaduw van de wind van de Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón binnen een paar jaar verfilmd wordt. Niet omdat het een vlot verteld mysterieverhaal is dat internationaal meer dan een miljoen exemplaren heeft verkocht – al helpt dat natuurlijk ook. Maar omdat het begint met een openingsscène die iedere cineast moet doen watertanden.

Een jongetje wordt door zijn vader meegenomen naar een oud herenhuis dat vol staat met boeken die in de vergetelheid zijn geraakt. Stiekem worden ze bewaard door een geheim genootschap dat ze van de ondergang wil redden. Vanuit een cirkelvormige zaal strekt zich een labyrint uit van gangen met uitpuilende boekenkasten. «Een bijenkorf tekende zich af met tunnels, trappen, platformen en bruggen die een gigantische bibliotheek met een onmogelijke geometrie deden vermoeden.»

Deze kruising van Piranesi’s Carceri en Borges’ Bibliotheek van Babylon vormt een gefantaseerd monument voor het boek, zoals de bibliotheek van de Weense Hofburg dat in de werkelijkheid doet. Geordender dan het labyrint van Zafón, misschien, maar ook daar heeft het barokke grondplan achter de kasten geheime kamertjes weggemoffeld met nóg meer boeken, alleen toegankelijk door een deur die zelf een boekenkast is.

Toch is er met die bibliotheken iets vreemds. Ze zijn gemaakt om te zien, niet om te lezen. Juist daarom zijn ze zo foto- en filmgeniek, maar die barokke of juist sjofele pronk staat haaks op hun bestaansreden. Echte gebruiksbibliotheken zien er anders uit. Het zijn meestal prozaïsche kelders vol functionele kasten, waaruit het personeel de banden ophaalt die pas in de leeszaal worden opengeslagen. Zo gaat het eraan toe in nationale en universiteitsbibliotheken en vroeger zelfs in de openbare leeszalen.

Die laatste zijn veranderd in dwaalruimten waartoe de lezer vrije toegang heeft, maar pronken doen de boeken er al lang niet meer.

Voor de lezer is dat winst, maar de bibliofiel twijfelt. Hij ziet het boek als een kunstvoorwerp dat moet schitteren en zich niet encanailleert aan allemans handen. En ook de gebruikslezer vindt eigenlijk dat het boek – nog altijd de steunbeer van de beschaving – zijn égards verdient. Maar aan die cultus bewijst hij hoogstens eer wanneer hij op vakantie een bijzondere bibliotheek bezoekt, waarin hem, zoals in de Hofburg, elke leeslust vergaat.

Tussen die twee functies aarzelt het boek en een goede middenweg is nog altijd niet gevonden. Een uitgever zei me ooit dat hij zich pas zorgen was gaan maken om de toekomst ervan toen hij zag dat mensen hun boeken geen plaats meer gaven in de woonkamer, maar discreet wegzetten op de bovenverdieping. Een particuliere lezer koopt een boek niet alleen om te weten wat erin staat, maar ook om ermee te pronken. Dat is het geheim van de Russische Bibliotheek en van de Gouden Reeks van Athenaeum, al durven weinigen dat hardop te zeggen.

Maar binnenshuis herhaalt zich het dilemma van de grote bibliotheken. Voor me ligt het prachtige fotoboek At Home with Books, vol prachtige privé-collecties, groot en klein, klassiek en modern. Maar elk ervan worstelt met de wil tot tonen en die tot lezen, die maar niet bij elkaar willen komen. Hoe onverzoenbaar die twee zijn, ontdekt ook de kleine jongen in De schaduw van de wind. Hij mag een boek meenemen om het te lezen, niet daar maar thuis. En zo zal hij het adopteren. In zijn herinnering wordt het voor de vergetelheid behoed.

Ray Bradbury had hem dat in Fahrenheit 451 al voorgedaan. In een wereld zonder boeken behoedden daarin alleen outcasts de literaire erfenis nog voor verlies, door ieder één boek uit het hoofd te leren. Zo zwierven ze als een vleesgeworden bibliotheek door de bossen. Er was het genie van François Truffaut voor nodig om in het slotbeeld van zijn gelijknamige film de fascinatie van een boekerij op te roepen zonder één snipper papier.