Bidden tot een afwezige God

De vernielzucht

Uit protest tegen bestaan,
besta ik. Ik leg het uit: ik ben.

De vernielzucht doet me hoge torens bouwen.
Ik zie ze buigen in de wind.

God is dood. Het leven heeft geen zin. Liefde is een illusie. Woorden liegen. Er is geen hoop. In een wereld die er zo uitziet, kan men er het beste het zwijgen toe doen, gesteld al dat men er niet uitstapt. Nog beter is het niet geboren te worden, maar daar heb je nu eenmaal geen zeggenschap over. Wie onder dergelijke omstandigheden boeken gaat schrijven, moet gek of blind zijn - of de missie hebben alle blinden en gekken van hun illusies te verlossen. Zo iemand is Mark Boog (1970), die nu al tien jaar de ene inktzwarte, welsprekende boetepreek na de andere de wereld in stuurt. Boog is de profeet van de bittere berusting, hetgeen op zichzelf al een paradox van formaat is. Moedeloos maar geduldig, met de desperate gedrevenheid van een Savonarola, laat hij bladzij voor bladzij zien dat het slechts lamlendigheid is die ons ervan weerhoudt ons te verhangen.
‘Ik ben gelukkig met wat ik heb’, aldus het schaap dat zich in het eerste gedicht neerlegt bij de feiten, want 'elk verzet is hol’. 'Ons wordt gevraagd in volgorde te staan/ en rustig af te wachten’, en de kans dat we ooit iets zullen begrijpen van onze plaats onder de zon is nihil:

Daagt de wetenschap?
Vertrouwt de tijd ons zijn eerste geheimen toe?
Ontsluieren wij ten minste een deel van ons?

Niets daarvan. Wij zijn genummerd.
Wij vermoeden weinig.

Uit elke bundel van Boog kan men moeiteloos een tiental snoeiharde oneliners citeren die het evangelie van de leegte fraai en afgepast uitdrukken. Boog is uitzonderlijk citeerbaar: 'Vergeef mij het lichaam. Ik zal er niet naar omzien.’ 'De verdommenis tegemoet/ of de verveling.’ 'Ik rek het op, het niets,/ en het blijkt ruimte te bieden.’ 'Elk begin is een vernietiging.’ There is no exit, om Bret Easton Ellis aan te halen.
Dat de consequentie waarmee deze theologie over het voetlicht wordt gebracht niet al na een paar gedichten, laat staan na een zestal bundels, gaat vervelen, komt doordat de tekst onder hoge spanning staat. Er klopt iets niet. De afgewogen formuleringen stroken niet met de wanhoop die ze verwoorden. Daar komt bij dat de gedichten uit de mond van een alwetend verteller lijken te komen, die het universum als een god overziet, terwijl de afzonderlijke zinnen vooral desoriëntatie ademen. De constructie is duizelingwekkend: Boog roept een goddelijke instantie in het leven, die op zijn beurt sprekers schept, die vervolgens het bestaan van die hogere macht met klem ontkennen. Het resultaat is een verregaande dramatische ironie, die helaas niet tot gevolg heeft dat je je als lezer kunt verkneukelen over de misstappen van de personages, maar die je het moeras van de poëzie in zuigt. Voorzover de afstandelijke stijl identificatie niet bij voorbaat onmogelijk maakt, kun je je vereenzelvigen met beide partijen: je doolt doelloos tastend rond in het duister én je doorziet met glasharde luciditeit de situatie waarin de mens verzeild geraakt is. Wat te doen? De mens 'heft zijn handen op, als om een vraag/ te stellen’. Vanuit onze comfortabele loge zien wij hem zijn rol spelen:

Staat hij klaar om te slaan
of te strelen, is er verwondering
of ontzetting, bidt hij en tot wie?

Dat is wat deze gedichten doen: bidden tot een afwezige god. Sterker dan in eerdere bundels heeft Boog zijn taal doordrenkt met bijbelse beelden en zinswendingen. In Luid overigens de noodklok (2003) was een bewerking van het Hooglied opgenomen, De encyclopedie van de grote woorden (2005) was opgezet als een middeleeuwse reeks allegorieën, maar in deze bundel lijkt het misverstand van Gods creatie alomtegenwoordig. Kan het eerste gedicht, waarin het schaap spreekt, opgevat worden als een pijnlijke variatie op Psalm 23 en het beeld van de Goede Herder, in andere gedichten zien we Job de mestvaalt beklimmen, staat de spreker verloren in een kerk, sluit hij zich aan bij een processie of overpeinst hij het probleem van de vrije wil. Een bootsman ziet zich genoodzaakt filosoof te worden wanneer zijn ark al bij de doop naar de bodem zinkt: 'De dromen/ verlaten in dichte drommen het brekende schip.’
Het is de vraag wat poëzie dan nog vermag. Afgezien van het feit dat Boog een buitengewoon productief dichter en romancier is, wat moet wijzen op een zeker geloof in de macht van het woord, zegt hij er een paar keer iets over. De zojuist genoemde bootsman merkt listig op: 'Ik druk mij met opzet onhandig uit,/ opdat ik niet op fouten word betrapt.’ Enerzijds beweert Boog: 'ik sla/ een milde, een vaderlijke toon aan’, anderzijds geeft hij toe: 'Ik hakkel.’ Maar zoals 'een paard onrustig wordt dat zijn stal ruikt,/ zo haast zich het geschrevene/ in de richting van zijn lezer’. Ondanks alles komt deze poëzie voort uit een innerlijke drang die de zinloosheid niet wenst te aanvaarden. Dit is door en door religieuze poëzie. Omdat er geen God is.

Mark Boog
Er moet sprake zijn van een misverstand
Cossee, 96 blz., € 18,90