Maart 2022

Vijf monniken fietsen langs het Wilhelminakanaal, net buiten Tilburg. Hun lange habijten wapperen in de frisse wind. Zojuist hebben ze gestemd voor de Tilburgse gemeenteraad. De monniken zijn trappisten van Abdij Koningshoeven, enkele kilometers verderop. De abdij geldt als een van de meest orthodoxe in Nederland. De in totaal achttien broeders komen zelden buiten de muren van hun klooster.

Ze leven sober, celibatair en in gehoorzaamheid. Hun levensstijl gaat terug tot de elfde eeuw, toen de trappistenorde werd gesticht in het noorden van Frankrijk. Al kun je ook zeggen dat hij teruggaat tot de zesde eeuw. Want de monniken leven naar de regel van de heilige Benedictus (480-547), de grondlegger van het Europese kloosterleven. Dat betekent, onder meer, acht uur bidden, acht uur werken en acht uur rusten per dag.

En nu fietsen vijf trappisten terug van het stembureau. Een van hen, broeder Isaac, vraagt langs zijn neus weg wat de anderen stemden. ‘GroenLinks’, zegt de uit Java afkomstige broeder Theo, ‘GroenLinks’, antwoordt ook Pieter-Jan. Broeder Wolfgang, een Duitse monnik, stemde eveneens GroenLinks. ‘Ik ook’, zegt broeder Wigbert. Hun antwoorden bevallen broeder Isaac. Ook hij kruiste GroenLinks aan. Bovendien kozen ze alle vijf voor de lijsttrekker van GroenLinks. Dat was Esmah Lahlah. Vrouw, jong en moslima, inclusief hoofddoek. En met een uitgesproken sociale agenda. Daar ging het de trappisten om.

April 2022

Opnieuw stemmen de monniken van Koningshoeven. Uit hun midden kiezen ze broeder Isaac tot hun nieuwe abt. Nu heet hij ‘dom Isaac Majoor’. Het is een prikkelende keuze. Want dom Isaac is een rouwdouwer met een groot hart en een ruig verleden als gezondheidswerker in West-Afrika. Een man met uitgesproken ideeën over duurzaamheid, solidariteit en gastvrijheid.

En de eerste die dat merkt, althans in de wereld buiten de abdij, is de top van Brabants bedrijfsleven en openbaar bestuur. Al twintig jaar organiseert deze in de tuin van de abdij een luxe ontmoetingsdag. Dan arriveren dure auto’s, worden koelwagens binnengereden en serveren cateraars tapas en amuses. Als broeder vond Isaac die feesten maar niks. Veel te weelderig en veel te chique voor een gemeenschap die afziet van luxe, vlees en vermaak. En nu, als kersverse abt, zet hij een streep door de ontmoetingsdag. ‘We hebben ze allemaal langs zien komen, van Karla Peijs tot Henk Krol’, vertelt hij aan het Brabants Dagblad. ‘Het is mooi genoeg geweest. De decadentie van die feesten past niet bij de soberheid van ons monastieke leven.’ Onder dom Isaac komt ‘tout Brabant’ er niet meer in.

Ze hadden het kunnen weten, de snelle mannen in hun Tesla’s en met kralen om hun polsen. ‘Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven’, zoals de abdij voluit heet, heeft een andere missie. Al is het misschien beter om te spreken over twee missies. De eerste is om contemplatief te leven. Om te beschouwen, na te denken en te bespiegelen. Ver van het dagelijks gedoe en het wereldse rumoer. De tweede missie is om goed te leven. Medemenselijk en met oog voor natuur en milieu. Daarom vangt de abdij vluchtelingen op, verschaft ze tijdelijk onderdak aan drop-outs en steunt ze goede doelen in de regio en ver weg, in Afrika en Azië. Haar elektriciteit wekt ze op met zonnepanelen. Alle afvalwater wordt op het eigen terrein gezuiverd.

Ik bekijk het allemaal met belangstelling. Sinds enige tijd heb ik een werkkamer in het gastenhuis van de abdij. ’s Ochtends loop ik vanuit de stad, langs het kanaal en door de weilanden naar de trappisten. ’s Avonds wandel ik via dezelfde weg terug. Soms bezoek ik een van de gebedsdiensten. Vanuit de kerkbanken luister ik hoe de broeders psalmen zingen. Dan probeer ik te bedenken hoe hun leven eruitziet. Wat geloven ze, hoe denken ze, en, vooral, wat doen ze allemaal? Wie zijn deze trappisten?

04.15 uur. Metten

Het is even voor vier uur ’s nachts. De wereld ligt verscholen in het donker. Herfstlucht stroomt door het open raam. Ik zit op de rand van mijn bed. Zo meteen luidt de klok voor het nachtgebed, de ‘metten’. Dan begint het geschuifel op de gang. Deuren gaan open en weer dicht. Verpakt in een warme trui daal ook ik de trappen af en voeg me onder de broeders in de kapel. Ditmaal zit ik niet in de kerkbanken. Nu zit ik tussen monniken in de koorstoelen.

Zeven keer per dag, zeven dagen per week, bidden de monniken van Koningshoeven. Telkens weer, van vier uur ’s nachts tot acht uur in de avond, lopen ze door de koude, donkere kloostergangen naar de kapel. Soms arriveren ze in processie, hun gezichten verstopt in de capuchons van hun gebedsmantels. Dan weer komen ze individueel, in ruwe habijten, direct van het werk in de bakkerij, de bierbrouwerij of op het land.

In diepe stilte, sommigen met gesloten ogen, zitten ze dan in hun koorstoelen, wachtend tot de cantor zijn stem verheft. Wat volgt is twintig minuten, drie kwartier of langer bidden. En dat bidden is het zingen van hymnen, kantieken en, vooral, psalmen. ‘Bidden’, zeggen de monniken, ‘is onze corebusiness’.

De lauden, het ochtendgebed, in de Abdij Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven

Wat gebeurt er met een niet-gelovige die een volle week het kloosterleven volgt? Wel, hij staat weer stil bij de simpelste dingen. Zoals bij het feit dat het ’s nachts donker is en vervolgens de zon opgaat. Dat de dag rond het middaguur wat inzakt en je aan het einde van de dag de balans opmaakt. Ik leer dat je zo’n dag kunt zien als het leven zelf. Het verloop van een etmaal spiegelt het verloop van een menselijk bestaan. En dat hoor je terug in de psalmen. Die psalmen, dat is bijbelse poëzie, opgedeeld in 150 liederen waarvan de meeste zo’n 2500 jaar geleden werden geschreven. In de zesde eeuw werden ze door Benedictus gesorteerd over het ritme van de dag.

De tijd waarin de psalmen werden gecomponeerd, was niet minder chaotisch dan de onze. Ook 25 eeuwen geleden waren er oorlog, corruptie en verraad. Ook toen dreigde het klimaat. Plots golfde water door droge ravijnen, joegen stormen de zeeën op en brandden woestijnen in een verzengende hitte, zo melden de psalmen. Hun dichters vragen zich voortdurend af waarom God niet ingrijpt. Ze worstelen met een ervaring van godverlatenheid.

Het is in de metten dat deze worsteling haar plaats krijgt. Wanneer de buitenwereld zich nog eens omdraait, bezingen de broeders de duisternis van de nacht, de momenten van wanhoop in ieders leven en het verlangen naar het licht dat onze demonen verjaagt. Op dit nachtelijke uur cirkelen de psalmen dan ook rond thema’s als angst, wanhoop en duisternis. Psalm 77 bijvoorbeeld. ‘Mijn stem is mij vergaan. Ik roep zonder geluid. Hemel hoor je mij? Ooit was iemand daar, die ik noemde “god”. Jij. Besta je nog?’

06.30 uur. Lauden

Nevel hangt over Koningshoeven. Opnieuw zit ik in de kapel. Ik ben een aantal dagen embedded in het trappistenleven. Nu is bidden ook mijn corebusiness. Niet langer verblijf ik in het gastenhuis aan de voorkant. Nu woon ik diep in het klooster zelf. In het gebouw waar buitenstaanders nooit komen. Waar de broeders slapen, van waaruit ze zwijgend op en neer lopen naar de ‘economie’ en waar ze in stilte eten.

De economie is een verzameling oude gebouwen waar kaas wordt gemaakt en chocolade. Waar het geurt naar vers brood en de bieren van La Trappe. Waar honderden mensen met afstand tot de arbeidsmarkt werken en zich geborgen voelen. Waar kippen scharrelen en oude bomen waken over een bestaan dat haaks lijkt te staan op het leven buiten de kloostermuren.

Ooit woonden in dit klooster 150 ‘cisterciënzers van de strikte observantie’, zoals de trappisten officieel heten. Strikte observantie, dat betekent strikte gehoorzaamheid. Aan de abt, aan de orde en, vooral, aan de geest van het kloosterleven. Aan een leven in stilte, soberheid en solidariteit.

De rauwe, ongekookte twijfel en radeloosheid die uit de nachtelijke psalmen omhoog kolken, ik herken ze. Evenals de hoop

Om half zeven zitten we samen voor de lauden, het ochtendgebed. De lauden openen met het prachtige ‘Lied aan het licht’. De monniken zingen over een wereld die door het licht weer contouren krijgt. Een wereld die langzaam maar zeker kenbaar wordt. Maar het licht is ook hard en koud, het toont de wereld in haar onvolmaaktheid. Ze zingen het lied zo zuiver dat je het woord voor woord kunt overwegen.

Ik sluit mijn ogen en reken uit dat een monnik die rond zijn twintigste op Koningshoeven intreedt en rond zijn tachtigste naar het kloosterkerkhof wordt gedragen, meer dan 150.000 diensten heeft bijgewoond. Tegen die tijd heeft hij 1500 keer alle 150 psalmen gezongen.

07.30 uur. Terts

Wat deze teksten met een monnik doen, valt moeilijk te peilen. Maar het kan niet anders of ze staan heel wat vaker stil bij hun levens dan burgers als ik, meegesleept door werk, gezin, kroeg en Twitter. Ook mij laten de teksten niet onberoerd. De rauwe, ongekookte twijfel en radeloosheid die uit de nachtelijke psalmen omhoog kolken, ik herken ze als mijn twijfel en radeloosheid. En dat geldt ook voor de hoop en het toenemende vertrouwen zoals ze die later op de dag bezingen.

Niemand op Koningshoeven weet zoveel over de psalmen als broeder Max. De monnik werkt in de bibliotheek van Koningshoeven, een indrukwekkende verzameling oude en nieuwe banden, verstouwd onder zware gewelven. Een groot deel van de dag echter buigt broeder Max zich over vijf van de 150 psalmen. Vijf psalmen waarover hij dit jaar nog een proefschrift afrondt. Ik zit graag bij Max terwijl hij vertelt over de geheimzinnige teksten. Over lofpsalmen en smeekpsalmen, vloekpsalmen, boetepsalmen en pelgrimspsalmen.

Lang zal Max hier niet meer zitten. Na zijn promotie gaat de jonge doctor, net als alle monniken, weer aan de slag in de economie. In de tuinen, in de kloosterwinkel of in de keuken. Want op Koningshoeven wordt vooral met de handen gewerkt. De abdij is zelfvoorzienend en wil bovendien voldoende geld vrijspelen om anderen te helpen. De aandeelhouders van de abdij, dat zijn mensen die arm en kwetsbaar zijn, rondom de abdij zelf, in Midden-Brabant, en ver weg, in Oeganda of Indonesië.

Maar de wereld van het rijzende brood, het gistende bier of de velden vol graan, het is niet de wereld van broeder Max. Zijn wereld is die van het spijkerschrift, de hiërogliefen en het oude Hebreeuws. Bij zijn intreden ging zijn hele verzameling boeken naar de bibliotheek. En wanneer hij nu een boek mee naar zijn kamer neemt, moet hij het formeel lenen. Broeder Max ziet niet uit naar het draaien van kazen of gieten van chocola. Liefst zou Max doorgaan als wetenschapper. Maar dat zit er niet in. En hij weet het.

De leeszaal

Tot enkele weken geleden was Pieter-Jan nog geen monnik. Hij was postulant, de eerste stap richting het monnikendom. Toen droeg hij nog geen habijt, maar een eenvoudige zwarte tuniek met capuchon. Nu is Pieter-Jan novice en loopt hij in habijt. Zijn naam veranderde hij in broeder Eucherius, naar de bisschop van Orleans uit de achtste eeuw. Anderhalf jaar geleden vertrok Pieter-Jan uit Amsterdam naar Koningshoeven. En over enkele jaren denkt broeder Eucherius zijn eeuwige gelofte af te leggen. Pieter-Jan studeerde af als sinoloog en maakte vervolgens carrière bij ibm. Als broeder Eucherius verpakt hij kazen. Bij zijn verhuizing sjouwde hij een indrukwekkende verzameling boeken en cd’s mee. Die verhuisden meteen naar de zolder van de abdij. Bij zijn eeuwige gelofte gaan de cd’s naar de muziekkamer, waar alle platen en cd’s staan die de monniken ooit meebrachten.

Een monnik heeft geen bezit. Eigen spullen zijn een ‘kwaad dat in het klooster met wortel en al moet worden uitgeroeid’, noteerde Benedictus. ‘Een monnik mag niets in eigendom bezitten, volstrekt niets, geen boek, geen schrijfbordje, geen stift, helemaal niets.’ ‘Allen moeten alles gemeenschappelijk hebben. Niemand mag iets het zijne noemen of als zodanig beschouwen.’

En dat geldt niet alleen voor de boeken van Max of de muziekverzameling van Pieter-Jan. Dat geldt ook voor Pieter-Jans huis in Amsterdam. Inmiddels is het verkocht en staat het bedrag op de bankrekening van de abdij. Zou de novice zich bedenken, dan krijgt hij alles weer terug. Doet hij eenmaal zijn eeuwige gelofte, dan is zijn bezit het bezit van allen. Al mag hij er ook voor kiezen een deel over te maken naar een goed doel. Vooralsnog, zegt broeder Eucherius, is er niets wat hem laat twijfelen aan zijn besluit monnik te worden.

11.30 uur. Sext

Nu vieren de monniken eucharistie, de belangrijkste van alle gebedsdiensten. Ze bidden het ‘Onze Vader’. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood en vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren.’ Samen met hun gasten staan ze in een ruime kring, pakken elkaar bij de bovenarmen, wensen elkaar vrede en delen brood en wijn.

Die gasten verblijven in het gastenhuis, waar ook ik de volgende week weer zal werken. In het gastenhuis is het al net zo stil als in het klooster. Op Koningshoeven leeft iedereen in stilte. Op mijn werkkamer hoor ik alleen het jagen van de wind en het gebeier van de klokken. Alleen broeder Jakobus komt soms even kijken hoe het met me gaat. Ooit was Jakobus levensmiddelentechnoloog, nu studeert hij godsdienstwetenschappen. Als gastenbroeder waakt hij over de mannen en vrouwen die zich hier enkele dagen terug willen trekken. Mannen en vrouwen met behoefte aan rust, bezinning en eenvoud.

Afgelopen maart kreeg Jakobus het plots levensdruk. Geholpen door broeder Wiro, broeder Kizito en postulant Pieter-Jan, sjouwde hij met kinderbedden, driewielers en zakken kleren. Niet veel later hoorde ik huiselijke klanken. Plots klonken er kinderstemmen en het gekletter van bestek. Ergens in het gebouw ging een telefoon over.

In het fietsenrek voor het gastenhuis parkeerden roze stepjes. Op een van die stepjes stond een doosje stoepkrijt, ernaast lag een voetbal. Overal waarop iets te plakken viel, hingen kleine gele briefjes. Een briefje met de tekst ‘vork’ plakte op een vork, ‘kopje’ op een kopje, ‘deur’ op een deur. Op het mededelingenbord tekende iemand een provisorisch kaartje van Oekraïne. Bij het verre oosten van het land schreef hij of zij de naam ‘Putin’.

Na de sext, de belangrijkste van alle gebedsdiensten, in de gangen van de abdij
‘Elke broeder heeft zijn eigen redenen om in te treden, maar het vuur moet ergens branden. En sterk genoeg zijn om de rest achter te laten’

Voor de monniken is het herbergen van vluchtelingen een vanzelfsprekendheid. Maandenlang worden de twintig Oekraïners die ze opnemen volledig verzorgd. Nu zijn er nog acht over, de rest schoof door naar een eigen woning. Onlangs mailde dom Isaac de gemeente Tilburg. Er is plek voor Afghanen of Syriërs. Zeker tien mensen zijn welkom. De gemeente mailde terug dat er geen behoefte is aan meer opvangplekken.

Soms vangen de broeders landlopers, alcoholisten en drugsverslaafden op. Ze krijgen een bed, een douche en een warme maaltijd. Anders dan de vluchtelingen verhuizen ze al na een paar dagen naar een gespecialiseerde zorginstelling. Een jonge Eritreeër die dreigde te worden uitgezet, dook hier vier jaar onder. Nu rondt hij zijn opleiding af op een roc. En in de kaasmakerij werkt een jonge Soedanees. Hij arriveerde met de andere vluchtelingen uit Oekraïne. Omdat hij niet de Oekraïense maar de Soedanese nationaliteit heeft, moet hij Nederland verlaten. De monniken van Koningshoeven hebben daar geen boodschap aan. ‘We laten zo’n jongen toch niet uitzetten?’ zegt dom Isaac.

Broeder Theo is bezig met de kleren van de brouwerij en Broeder Bruno op de voorgrond

Trappisten leven in stilte. In stilte lopen ze door de kloostergangen, in stilte werken ze, in stilte wordt ook gegeten. Het keukenpersoneel bestaat uit de Keniaanse broeder Joseph en de Vlaamse broeder David, ooit docent aan een grote scholengemeenschap. De eetzaal, de refter, is een langwerpige ruimte met krukken en grote houten tafels, opgesteld in U-vorm. Aan het dichte einde van de U zitten de vader-abt en zijn vervangers, de prior en de subprior. Bij het open einde van de U staat een lessenaartje met bankje en leeslamp.

Wanneer de broeders de refter binnenkomen, stellen ze zich zwijgend op achter hun tafels en wordt er weer eens gebeden. Dan scheppen ze hun warme maaltijd uit grote stalen bakken. Achter het lessenaartje neemt broeder Wigbert plaats, knipt het lampje aan en slaat een boek open. Want zowel bij het middagmaal als tijdens het avondbrood wordt voorgelezen, een traditie die eveneens teruggaat tot Benedictus. Want niet alleen het lichaam, ook de geest moet worden gevoed.

Nu leest Wigbert voor uit een geschiedenis van Tilburg. Ik leer hoe mijn stad werd opgebouwd door fraters en franciscanen, door norbertijnen en ursulinen, kapucijnen en, uiteraard, trappisten. Tot in de jaren zestig telde de stad maar liefst 58 kloosters, waarvan er vandaag nog tien over zijn. De vele orden stichtten scholen, ziekenhuizen, het maatschappelijk werk en de Tilburgse Universiteit. En nu, te midden van etende en zwijgende broeders trappisten, voel ik me plots opgenomen in een groot verhaal. Een verhaal van betrokkenheid, activisme en het bouwen aan een goede toekomst.

14.30 uur. Noon

Het moment van de dag om de balans op te maken. Om eerst even terug te kijken en dan weer vooruit. ‘Geen wereld die ten onder gaat, tot chaos en woestijn, zolang er mensen in uw Naam, elkanders hoeder zijn’, zingen de monniken.

Na het bidden wandel ik rond in de economie. De bakkerij geurt naar bierbostelbrood. De bakovens zijn het domein van broeder Bruno, een goedlachse Oegandees die in een eerder leven werkte in de sloppenwijken van Haïti. In de chocolaterie observeer ik hoe broeder Wolfgang platen met flikken uit de koeling haalt. En hoe de Indonesische broeder Albert nieuwe platen vol laat lopen met warme chocolade. Met haarnetje, plastic overschoenen en schort sta ik even later in de kaasmakerij waar broeder Amadeus verschillende trappistenbieren door de wrongel mengt. Dan loop ik gebukt door de gewelven van het klooster waar honderden grote ronde kazen liggen te rijpen.

Broeder Wiro, lang en sterk, de mouwen van zijn habijt tot boven de ellebogen opgerold, draait de ‘gele manen’ om en om en bestrijkt ze met een biologische coating. Broeder Theo, die zich zo’n vijftien jaar geleden vanuit Java bij de trappisten voegde, snijdt even verderop de kazen in partjes. Vers en verpakt zullen ze in de kloosterwinkel worden verkocht. Samen met het trappistenbier, het trappistenbrood, de trappistenchocolade, de trappistenjam, de trappistenhoning… de lijst is lang, ik vraag me af hoe de mannen het allemaal voor elkaar krijgen. Want er moet immers ook nog worden gebeden. ‘Reken maar dat we hier hard werken’, zegt prior Wigbert die in een vorig leven gemeentesecretaris was. ‘Ik heb nog nooit zo hard gewerkt als sinds ik monnik ben.’

Avondmaal

In de economie is duurzaamheid het uitgangspunt. Op de daken liggen zonnepanelen en de kloosterauto rijdt op stroom. Het voedsel dat de monniken verbouwen, produceren en verkopen is van ambachtelijke en biologische makelij. Het afvalwater uit de La Trappe-brouwerij, 230.000 liter per dag, wordt volledig gezuiverd in een ‘biomakerij’. Dat is een zuiveringsinstallatie op basis van tropische planten en micro-organismen. Die biomakerij was een idee van dom Isaac en bij haar opening in 2018 een noviteit in Nederland. Het gebouw zit vol kleurrijke glas-in-loodvensters. Ze zijn ontworpen door kunstenaar Marc Mulders, die even verderop woont.

Hoe kleinschalig ook, de monniken bouwen door aan een betere wereld, door hen aangeduid als het Rijk Gods. Of je zwart bent of wit, links of rechts, hetero of homo doet er niet toe, zeggen ze. Iedereen die meebouwt is medestander. Ook wanneer hij van verre komt, ongelovig, moslim of queer is. Zo gemakkelijk de monniken omgaan met de vele nationaliteiten in hun gemeenschap, zo progressief zijn velen over thema’s als homoseksualiteit en het recht op abortus. Wanneer twee medewerkers van buiten, twee mannen, gaan trouwen, bezoeken de abt en de prior de trouwreceptie. De andere broeders schrijven warme gelukwensen op een grote kaart.

17.45 uur. Vespers

Schemering daalt over Koningshoeven. De dag nadert zijn einde. De monniken zingen Psalm 34. ‘Ik heb Hem gezocht en gevonden. Hij deed zelf open – ik straalde, stamelde heftig, Hij luisterde, lachte, wij schaamden ons niet.’

Halverwege de vespers is het tijd voor een kwartier meditatie. Ook ik zit stil. Broeder David zit aan mijn linkerzijde, postulant Paulus aan mijn rechter. Tegenover me zit dom Korneel. Met 84 jaar is hij de oudste monnik van Koningshoeven. Vijftien jaar lang was hij zelf abt. Dat dom Korneel op zijn 25ste intrad en nooit meer uit het klooster weg zou gaan, komt ‘door de aantrekkingskracht van het mysterieuze’. Dat vertelt hij me eerder die dag. ‘Elke broeder heeft zijn eigen redenen om in te treden, maar het vuur moet ergens branden’, zegt Korneel. ‘Bovendien moet het sterk genoeg zijn om de rest achter te laten.’ En die rest, dat is je familie, je vrienden, je bezit, je kleding, je beroep, je verleden en zelfs je naam. Want de meeste monniken nemen een nieuwe naam zodra ze hun eeuwige gelofte doen.

Voorzichtig zoekt dom Korneel naar woorden. ‘Ik ben nooit een fervent gelovige geweest. De heiden in mij is niet ver weg.’ Als student, lang geleden, tijdens colleges filosofie, las hij Hegel, Marx en Freud. ‘Voor hen was godsdienst een projectie van het menselijk lijden. Ook voor mij verdween toen het vanzelfsprekende. Sindsdien zie ik me als een man van de Verlichting. Al die psalmen, de rituelen, de theologische verhandelingen, uiteindelijk is het allemaal werk van mensen. Dat neemt niet weg dat die mensen iets hoorden, dat ze geroepen werden.’

Dom Korneel zwijgt, denkt na . Door de hoge ramen vloeit namiddaglicht. Buiten dwarrelen bladeren in goud en bruin omlaag. ‘Wat hoorde Abraham toen hij geroepen werd? Ik weet het niet, maar het houdt me ontzettend bezig. Kijk, vanzelfsprekend is het niet wat we hier doen. Er zit een reden achter ons bidden en ons werk, achter de stilte, achter de rituelen en het zingen van de psalmen. Het mysterieuze heeft woorden nodig. En vormen. En handelingen. Plus een gebouw waarin het voelbaar wordt. Wanneer je het geloof niet viert, dan gebeurt er ook niets.’

De meditatie is weldadig. In de verte hoor je zacht het verkeer op de A58, als een zwakke herinnering dat er ook nog een wereld bestaat buiten de kloostermuren. Van mij mag die meditatie nog veel langer duren. De achttien trappisten in hun koorbanken, een enkele gast, invallende duisternis en die intense, gemeenschappelijke stilte. Ik voel wat dom Korneel bedoelt wanneer hij spreekt over het mysterieuze.

19.30 uur. Completen

De dag is rond. De dag is compleet. Duisternis heerst over het klooster, over de brouwerij, de velden en de bossen achter de abdij. Nog een keer verzamelen de trappisten zich in de kapel. Ze vragen God om bescherming voor de nacht, zingen een hymne. ‘Wanneer ons dan de avond wenkt, de schaduw van ons leven lengt, wees onze laatste reisgenoot, een metgezel in alle nood.’

Broeder Max knipt de lampen uit, het wordt donker in de ruimte. Alleen een beeld van Maria, de Onze Lieve Vrouw van Koningshoeven, gloeit in het licht. Zoals monniken dat al eeuwenlang, wereldwijd en elke avond doen, wenden de trappisten zich tot haar. Dan zingen ze een lied uit de elfde eeuw, het ‘Salve Regina’. ‘Tot u roepen wij, ballingen, kinderen van Eva; tot u smeken wij, zuchtend en wenend in dit dal van tranen.’

Dom Isaac tikt op de koorstoel. In processie verlaten de monniken de kapel. Ik sluit de rij. Zwijgend hangen ze hun gebedsmantels aan de kapstok. Zonder ook maar een woord te wisselen klimmen we naar de gang met de slaapvertrekken, knikken naar elkaar en trekken ons terug in onze kamers. Over de abdij en haar bewoners valt de stilte van de nacht. Ik open het raam. Vanuit het oosten waait de winter.