Bier

De Zuid-Koreaanse Vinnie Ko kwam in 2009 naar Groningen voor zijn studie wiskunde. Hij hapt haring, leest Jip en Janneke, staat voor een brugklas in Emmen en wint een schrijfwedstrijd. Driewekelijks schrijft Vinnie over de successen en hindernissen van zijn integratie.

Mijn bier-ontmaagding was tijdens de introductieweek in Groningen. In Zuid-Korea is de minimum alcoholleeftijd negentien jaar en toen ik naar Nederland kwam had ik dus nog nooit iets gedronken. Met een paar andere kersverse studenten stond ik in de kroeg en onze groepsleiders deelden plastic glazen bier uit. Iedereen sloeg het achterover. Ik nam voorzichtig een slokje. Het smaakte vooral bitter. Er was geen verfrissende smaak noch sensatie in de keel, zoals in de reclames. De groepsleider zei dat ik het vanzelf lekker ging vinden als ik het vaker zou gaan drinken. Het was een kwestie van wennen.

Ik oefende. In mijn studentenhuis hadden we een gezamenlijke biervoorraad en iedereen pakte er eentje bij de maaltijd.

‘Niks is lekkerder dan een biertje na een lange dag studeren’, zei een huisgenoot.

Ik deed hen na. Sommige huisgenoten konden tijdens het avondeten meerdere flessen ‘aftikken’, zoals zij dat noemden. Ik kreeg mijn bier nooit zo snel op en moest het flesje vaak meenemen naar mijn kamer.

Ik volgde een klimcursus bij het studentensportcentrum. Na de cursus gingen een paar jongens een biertje doen. Ze vroegen of ik mee wilde.

‘Oké. Gezellig. Maar moeten we niet ver fietsen? We zijn op de campus.’

‘Nee. We hebben hier gewoon een bar.’

‘Is er een bar in een sportcentrum?’

‘Natuurlijk, er is niks lekkerder dan een biertje na het sporten.’

Ik oefende. Mijn lichaam, dat tijdens het klimmen veel vocht had verloren, absorbeerde de alcohol razendsnel. Ik voelde me de rest van de avond niet lekker.

Op een stapavond zette ik er een punt achter. Die avond ging ik een uitdaging aan en tikte totaal drie glazen af. Mijn wangen werden roder en mijn ogen nog kleiner. Op weg naar huis slingerde ik. Toen ik er bijna was, viel ik van mijn fiets en kreeg ik een gat in mijn broek. Thuis moest ik kotsen. Oefening baarde voor mij geen kunst.

Mijn leven als geen-bier-drinkende-man valt niet altijd mee. Ik krijg telkens commentaar: ‘Doe eens gezellig man!’ of retorische vragen: ‘Dit rondje is voor mij! Allemaal bier?’ Ook zijn er mensen die niet eens vragen wat je wilt voordat ze een rondje geven.

Ik ben voorlopig niet van plan om bier te gaan drinken, maar ik weet tegenwoordig wel hoe ik dat aan moet geven. Het duurde even voor ik dat woord leerde kennen:

‘Ik drink wel pils, maar alleen gemeentepils.’