125 jaar stadsschouwburg

Bier en sigaren en slempmelk

Bij de opening in 1894 was de nieuwe Stadsschouwburg een miniatuur van de negentiende-eeuwse Amsterdamse maatschappij, kortom een wereld van standsverschil.

Stadsschouwburg, Leidseplein, Amsterdam, 1920 © Internationaal Persbureau NV / Collectie Stadsarchief Amsterdam

In de nacht van 17 februari 1890 brandde de Amsterdamse schouwburg af. Het speet de Amsterdammers zeer. De schouwburg bij het Leidseplein was eigenlijk een tijdelijk gebouw, in 1774 opgetrokken in hout na de brand in de vorige schouwburg aan de Keizersgracht, maar de Amsterdammers waren er erg op gesteld. De akoestiek was er bijzonder goed; in 1874 had het nog stenen gevels gekregen om de herrie van het plein te verminderen en het gebouw wat meer cachet te geven. Het interieur bevatte ‘kostbare decoratiën, kunstwerken uit de vorige eeuw, rijke, zelfs met echt goud zwaar vergulde tooneelmeubelen, waarvan veel met asbest was geverfd’. Luxe dus, en dat ging allemaal in vlammen op. De oorzaak bleef onbekend; aan het slot van de laatste voorstelling, De terugkeer van den koloniaal, was ‘bengaalsch vuur’ vertoond. Men vermoedde dat een vonk daarvan in het ‘oude, vermolmde decoratief’ terechtgekomen was.

De brand kwam op een moment dat de culturele infrastructuur van Amsterdam een enorme ontwikkeling doormaakte. Dat was maar heel gedeeltelijk te danken aan het stadsbestuur. In de liberale geest van de tijd hield dat zich maar mondjesmaat bezig met het sociale en culturele leven in de stad. Men bemoeide zich wel met havens, kaden, straten en grachten, en natuurlijk ook met de openbare orde, maar verder liet men zoveel mogelijk over aan ‘de markt’ en particulier initiatief. Op misstanden in de volksgezondheid, bijvoorbeeld, werd vaak pijnlijk halfslachtig gereageerd. In 1873 schreef een commissie een rapport over de praktijk van ‘slachterijen, bloedbereid- en bloedbewaarplaatsen’ in de stad. De bevindingen waren ronduit gruwelijk: in stegen en op binnenplaatsjes werden dieren nog steeds op middeleeuwse wijze geslacht, waarna de restproducten in hemeltergende omstandigheden (‘tonnen met gistend bloed’) werden bewaard, of domweg in de gracht geloosd. De gemeenteraad besloot dat het slachten moest worden verboden en dat er een centraal slachthuis diende te komen waar op de hygiëne kon worden toegezien, maar dat kwam er pas veertien jaar later: er bleek een Koninklijk Besluit uit 1824 te bestaan dat bepaalde dat alleen de regering in Den Haag beslissingen kon nemen over inrichtingen die gevaar opleverden voor de zedelijkheid of de volksgezondheid.

Ook inzake de cultuur vertrouwde de gemeente bijna geheel op het particulier initiatief, dat wil zeggen: op het welgestelde patriciaat van de stad. Dat roerde zich met verve. Men voelde zich geïnspireerd door Barlaeus’ beroemde rede over de ‘mercator sapiens’ bij de inwijding van het Amsterdamse Athenaeum in 1632, waarin hij de Amsterdammers opriep ‘deze stad een waarlijke en duurzame roem te schenken, uit de eeuwige waarde der letteren, uit de beschaving der geleerden en de voorrechten der wetenschap’.

Er was een hele rij Amsterdammers die stappen wilden zetten op weg naar die duurzame roem. De initiatieven buitelden over elkaar heen. Sarphati bouwde het Amstel Hotel (1863) en het Paleis voor Volksvlijt (1864). Van Eeghen was medeoprichter van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (1858), het Vondelpark (1865) en in 1874 van de Vereeniging tot het Vormen van eene Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst, ook wel ‘De Vereeniging met de Lange Naam’ genoemd. Binnen tien jaar bracht die vereniging een collectie eigentijdse kunst bij elkaar, die in 1885 werd getoond in de Oudemanhuispoort en vanaf 1895 in het splinternieuwe Stedelijk Museum, waarvan de bouw weer mogelijk was gemaakt door een schenking van een andere weldoener, de weduwe Sophia Augusta Lopez Suasso-de Bruijn. Jérôme Sillem was samen met vijf anderen in 1881 de initiatiefnemer van de Vereeniging Concertgebouw; hij was betrokken bij de oprichting van de Vereniging Rembrandt (1883), hij zat in het bestuur van de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten en dat van die ‘Vereeniging met de lange naam’, enzovoort.

Zo stoomde Amsterdam op in de vaart der volkeren. In 1877 kreeg de stad eindelijk een echte universiteit, in 1883 werd de Wagnervereeniging opgericht, in 1885 ging het Rijksmuseum open, in 1888 werd het Concertgebouw ingewijd. Ook met het toneel waren de weldoeners in de weer. In 1870 was door Jan van Hall en de bankier-literator H.J. Schimmel een ‘Nederlandsch Tooneelverbond’ opgericht, bedoeld om de kwaliteit van het theater op nationale schaal te verhogen; hun initiatief leidde tot de stichting van de Amsterdamse Toneelschool (1874), gevolgd door Vereeniging ‘Het Nederlandsch Toneel’ (1876), opgericht met Abraham Wertheim en G. van Tienhoven, de latere burgemeester, met de bedoeling om tot een Nederlandse variant van de Comédie Française te komen met als thuisbasis de schouwburg van Amsterdam.

Toen die schouwburg ineens in de as lag, was de voedingsbodem voor de totstandkoming en financiering van een nieuw gebouw dus eigenlijk heel vruchtbaar. Het hielp dat de lijntjes tussen het stadsbestuur en de stedelijke elite maar kort waren. Jérôme Sillem, bijvoorbeeld, was in 1882 lid van de gemeenteraad geworden, op verzoek van de raad zelf. Hij was het aan zijn stand verplicht, noteerde Sillem: ‘Een niet-onbemiddeld, ambteloos Meester in de Rechten van liberale richting en van behoorlijk gedrag kon (…) aan die onderscheiding niet ontkomen.’ G.A. baron Tindal, oprichter van de Amsterdamsche Droogdok Maatschappij en kamerheer in buitengewone dienst van koningin Wilhelmina, werd voorzitter van een fundraising- en bouwcomité, waarin fijne heren als Roëll, Van Hall, Insinger en Wertheim zitting namen. De secretaris was W.F. van Leeuwen, die later ook burgemeester zou worden.

Het comité zou de gelden voor herbouw, geschat op acht- à negenhonderdduizend gulden, bijeenbrengen door een lening onder de ingezetenen van de stad, de gemeente zou die lening tot een bedrag van 22.500 gulden per jaar garanderen. De raad nam het plan aan met 25 stemmen voor en elf tegen. De tegenstemmers hadden deels religieuze, deels financiële bezwaren; anderen vonden dat de stad urgenter noden had dan een nieuwe schouwburg.

‘Geld uit de provincie wordt in Amsterdam gebracht en er gelaten’

De nieuwe schouwburg kwam tot stand tussen 1892 tot 1894 naar ontwerp van Jan L. Springer (1850-1915), met medewerking van zijn vader, J.B. Springer, en de allesbouwer A.L. van Gendt. Het werd een traditioneel Europees lijsttheater, waarbij de zaal met balkons wordt omringd door een publieksgedeelte met entreehallen, gangen, trappenhuizen en foyers, met een strikt hiërarchische indeling. De nieuwe Stadsschouwburg was immers de negentiende-eeuwse Amsterdamse maatschappij in miniatuur, een wereld van standsverschil. De goedkope en dure rangen hadden hun eigen ingangen en trappenhuizen, zodat de betere standen zich niet met de lagere hoefden te mengen. De beter gesitueerden konden onder het portiek aan de voorkant droog uit de rijtuigen stappen; de goedkoopste rangen hadden houten stoelen en staanplaatsen, en geen garderobes of foyers.

Op 1 september 1894 droeg het bouwcomité het gebouw over aan de stad, in de persoon van burgemeester Vening Meinesz. Baron Tindal hield een veel te lange toespraak. Natuurlijk was deze nieuwe tempel in de eerste plaats bedoeld om de rijke toneelcultuur van de hoofdstad na de brand te laten voortbestaan, zei Tindal, maar het bezit van een schouwburg was vooral cruciaal voor de stedelijke economie. Dat was een politiek punt. Het theater was door particulieren bekostigd, de gemeente had zich alleen maar garant gesteld, maar daar was toch flink over gemopperd. De Vereniging ‘Amstels Middenstand’ had er openlijk over geklaagd dat de stad wél de nieuwe Stadsschouwburg subsidieerde, die maar een klein deel van de bevolking zou bedienen, en zich wél de ‘luxe’ van een universiteit permitteerde, maar niet de broodnodige tramlijnen naar de buitenwijken wilde aanleggen of de tarieven van telefoon en elektriciteit wilde verlagen, waar de middenstand mee geholpen zou zijn.

Welnee, zei Tindal. De nijvere inwoners van de stad hadden juist groot belang bij ‘druk stadsvertier’ en bezoek van ‘uitwonenden’: ‘Behalve de bedrijvigheid aan stations, in logementen, restauratiën, koffiehuizen en bij stalhouderijen worden tal van inkoopen gedaan. In een woord, de nijveren verdienen geld van de inwonenden, en geld uit de provincie wordt in Amsterdam gebracht en er gelaten.’

Het Leidseplein met de Leidsepoort en de oude schouwburg, voor deze in 1890 afbrandde. Tekening van Jan Willem Pieneman, 1822-1824. Pen en penseel in kleur, 35,3 x 45,3 cm © Jan Willem Pieneman / Collectie Stadsarchief Amsterdam

Bij de openingsvoorstelling, de dag daarna, vergaapte de pers zich: ‘Prachtige equipages en tallooze andere rijtuigen gingen de inrij binnen en kwamen er weder uit, nadat de portiers met plechtig eerbiedig gezicht de gerokte heeren en fijn gekleede dames in het feestgebouw hadden toegelaten. De zaal leverde een schitterenden aanblik. De bovenste rangen waren bezet door jongens en meisjes, verpleegden van eenige Amsterdamsche protestantsche weeshuizen, in hun oud-mannetjes- en oud-vrouwtjeskleeding, de Burgerweesjes zwart en rood.’

Het was heel feestelijk, maar toch: dit was duidelijk niet Parijs, Dresden of Wenen. De schouwburg toonde zich kleiner en gezelliger dan de grote Europese huizen, het ontwerp van de zaal bleek gebrekkig, de bovenste rangen zagen vrijwel niets, en er moest op het laatste moment een gat in de zijgevel worden gehakt om de coulissen naar binnen te kunnen takelen. Bovendien paste het aanbod van de foyers duidelijk niet bij wat de Amsterdamse schouwburgzoekers gewend waren. De Tijd schreef: ‘Echt Amsterdamsch mag het genoemd worden dat de meerderheid van de invités van het groote deftige feest onder de pauze aan den rooksalon de voorkeur gaf boven den foyer. In de rookzaal werd toen zwaar gedampt, fijne sigaren, en er werd bier gedronken, zittende aan de tafeltjes met de dames. In den foyer waren, natuurlijk, ook velen, die ijs aten en slempmelk dronken maar men kan daar niet zitten en mocht daar niet rooken, en er was geen bier te koop, en daarom ging de meerderheid naar de rookzaal.’

Naderhand ging iedereen tevreden naar huis. Op een stukje Gijsbrecht na had het openingsprogramma niet veel voorgesteld, vond men, maar de avond was prachtig geweest; de schouwburg ging duidelijk een blinkende toekomst tegemoet, net als de hoofdstad zelf. In dezelfde week overleden twee mensen in de Anjeliersstraat aan de cholera: er hadden zich dat jaar 51 gevallen voorgedaan, en achttien personen waren aan de ziekte overleden.


Enige gegevens zijn ontleend aan Rozen en tomaten: De Amsterdamse schouwburg 1894-1994 van Lambiek Berends