Het tijdperk van de vrouw is aanstaande

Big Sister

Het tijdperk van de vrouw is aanstaande. Emotionele waarden zullen de kenniseconomie van de eenentwintigste eeuw domineren. Maar zijn vrouwelijke eigenschappen wel superieur aan mannelijke?

Op 24 februari 1998 kreeg de reputatie van het Amerikaanse vrouwenbasketbal een geduchte knauw. UConn, het universiteitsteam van Connecticut, speelde een wedstrijd tegen de Villanova Wildcats. Het was de laatste wedstrijd van het seizoen en de topscorer van UConn, Kynesha Sales, was maar één punt verwijderd van het schoolrecord van 2177 punten. Een enkele lay-up was voldoende om het record te breken. «Cool Keesh » was echter geblesseerd. Daarom besloten de coaches en de wedstrijdcommissaris een toneelstukje op te voeren. Aan het begin van de wedstrijd mocht Sales zich hinkend onder de basket van Villanova opstellen. De tegenspeelsters deden een stapje opzij, Keesh kreeg de bal toegeworpen en kon ongehinderd scoren. Vervolgens werd ze gewisseld en mochten de Wildcats op hun beurt zonder tegenwerking scoren, waarna de echte wedstrijd kon beginnen.
Het gift shot van Sales veroorzaakte een flinke controverse in de sportpers. Zowel mannelijke als vrouwelijke commentatoren vonden dat het vrouwenbasketbal was gecompromitteerd. Een prominent commentator vroeg zich af: «Als een stelletje goedbedoelende dwazen met de records gaat knoeien, wat is dan nog de betekenis van om het even welke prestatie?» Haar coach Geno Auriemma begreep niets van de opwinding. «Het record stond toch al op het punt te vallen», zei hij. «Keesh was de aangewezen persoon om het te breken.»
Dergelijke opzetjes zijn ook in de mannensport niet ongebruikelijk, zij het alleen bij benefiettoernooien of afscheidswedstrijden. De controverse werd echter onmiddellijk geclaimd door voor- en tegenstanders van gender politics en kreeg zodoende een ideologische dimensie. Volgens de voorstanders was het gift shot een mooi voorbeeld van het belang van «vrouwelijke» waarden in de topsport. Weer waren het niet alleen feministes en sportvrouwen die dit standpunt innamen. Wedstrijdcommissaris Mike Tranghese verklaarde dat hij zo'n stunt nooit zou toestaan in de mannencompetitie: «Ik ben een man, ik pretendeer niet dat ik dezelfde beslissingen neem bij mannen en vrouwen. Mannen beconcurreren elkaar en gaan met elkaar om zonder veel emotie. Vrouwen storten in, worden emotioneel; ze halen zoveel meer uit de sport dan mannen.»
De tegenstanders waren verontwaardigd over zoveel onbenul. Ze hamerden op de uiterste consequenties van het weggeefpunt. Als medemenselijkheid de doorslag geeft, kan de winnaar van een wedstrijd net zo goed bij stemming worden aangewezen; was Kynesha niet ook volgens haar coach de «aangewezen persoon» om te scoren?

Wat is de zin van topsport als de populariteit van de deelnemers de doorslag geeft en niet hun prestatie? Omdat sport - zeker in de Verenigde Staten - een belangrijke voorbeeldfunctie vervult, heeft het antwoord op die vraag morele en politieke implicaties. Het «weggeven» van punten betekent dat individuele ambities alleen worden gehonoreerd als de groep het toestaat. Auriemma’s rechtvaardiging was veelzeggend: «Het record stond toch al op het punt gebroken te worden.» Er waren dus nog andere kanshebbers, maar Sales genoot de voorkeur.
Volgens deze opvatting van fair play kan het individu zich niet bewijzen zonder collectieve instemming. Objectieve maatstaven gelden niet langer, verdienste wordt afgemeten aan de waardering van anderen. Als je dit beginsel extrapoleert, wordt de samenleving één groot Big Brother-huis, een kolonie van moederaars en bemoederden waarin de winnaars hun winst danken aan subjectieve en eindeloos manipuleerbare emotionele criteria, terwijl de verliezers worden afgescheept met goedbedoelde leugens.
Die extrapolatie is niet helemaal uit de lucht gegrepen, zelfs niet in een Europese context. De laatste jaren worden aan beide zijden van de Atlantische Oceaan steeds vaker «vrouwelijke» waarden en eigenschappen als oplossing voor maatschappelijke problemen aangedragen. Soms worden ze zelfs van overheidswege afgedwongen, ondanks de empirische tegenwerpingen en morele bezwaren die ertegen ingebracht kunnen worden. In sommige kringen is de succesvolle bevrijding en emancipatie van westerse vrouwen bijna ongemerkt overgegaan in een utopisch streven de wereld te verbeteren, te beginnen bij de man. Preciezer: bij het afschaffen van de man als drager van traditionele waarden als onafhankelijkheid, moed, rationaliteit, zelfbeheersing en doorzettingsvermogen. Bij nader inzien zijn die waarden maar een sta-in-de-weg voor de beschaving, tot uiting komend in oorlog, vandalisme, huiselijk geweld, machtsmisbruik, vernietiging van het milieu en emotionele en maatschappelijke verkilling.
De achterliggende gedachte is even banaal als de geciteerde uitspraak van de wedstrijdcommissaris dat vrouwen «zoveel meer» uit sport halen. De schrijfster en feministe Marilyn French zei in 1995 in een interview met The New York Times: «Ik denk dat mannen veel gelukkiger zouden zijn als ze zich gedroegen als vrouwen. Ik denk dat ze veel meer uit het leven zouden halen en het met zichzelf makkelijker zouden hebben als ze net als vrouwen waren.» Ze zouden het makkelijker hebben bij het scoren van lay-ups, zoveel is duidelijk, maar zou de samenleving beter worden als de vrouwelijke waarden triomferen? En moeten vrouwen wel zo blij zijn dat ze worden teruggejaagd in het hok van de stereotiepe verwachtingen, ook al is het voor een bijzondere missie ten behoeve van de hele mensheid?
Gelukkig wordt de Reinkultur van dit messianisme alleen aangetroffen op bepaalde faculteiten aan Angelsaksische universiteiten, maar de mythologie die het heeft voortgebracht is tamelijk invloedrijk. De belangrijkste mythe - in zekere zin de feministische stichtingsmythe - zegt dat verkrachting een normale gedragsvorm van mannen is, het mechanisme bij uitstek waarmee ze hun overwicht over vrouwen vestigen en bevestigen. Dit gedrag is volgens sommigen ingegeven door hun erfelijke aanleg, volgens anderen door «het patriarchaat» en zijn verstikkende socialisatieprocessen. Hoe dan ook, in de VS circuleren krankzinnig hoge verkrachtingscijfers in navolging van een geruchtmakend artikel van psychologie-hoogleraar Mary Koss in Ms. Magazine in 1985. Uit haar onderzoek kwam naar voren dat een op de vier Amerikaanse vrouwen is verkracht.
Naderhand bleken Koss’ terminologie en berekeningen buitengewoon suggestief te zijn geweest: ze had bijvoorbeeld een slippertje onder invloed van alcohol ook tot de categorie «verkrachting» gerekend. Dat neemt niet weg dat de «é én-op-de-vier»-regel zijn weg vond naar academische publicaties, overheidsrapporten en zelfs preambules van wetsontwerpen in het Congres. Het is waar wat de Amerikaanse antropoloog Lionel Tiger, de zelfverklaarde woordvoerder van ’s werelds alimentatiekneuzen, in een van de weinige leesbare passages van zijn boek The Decline of Males (1999) schrijft: de man wordt door Amerikaanse feministen «opgezadeld met de erfzonde».


Deze mythologie speelt alleen een rol in de media en in politieke debatten omdat politici en commentatoren zich geen raad weten met de desoriënterende gevolgen van de postindustriële samenleving voor grote groepen jongeren. Uit bestuurlijke onmacht en gebrek aan politieke visie vallen ze terug op het man-vrouwverschil als verklaringsgrond voor sociale problemen. Een goed voorbeeld is de commotie die eind 1996 in Groot-Brittanni ë ontstond rond een omslagartikel van The Economist. Daarin werden mannen afgeschilderd als de «zwakke sekse van morgen». Het artikel wees op de achterblijvende schoolprestaties, hoge uitvalpercentages en andere maatschappelijke mislukkingen van jongens. Door hun gevoelsarmoede, gebrek aan aanpassingsvermogen en non-coöperatief gedrag zouden ze ongeschikt zijn voor de postindustriële groeisectoren als zorg, dienstverlening en communicatietechnologie. De conclusie was dat mannen op de arbeidsmarkt en in de samenleving als geheel het onderspit delven tegen vrouwen.
Dit thema was een jaar eerder al opgeworpen in de gezaghebbende bbc-nieuwsrubriek Panorama. Een documentaire met de dubbelzinnige titel Men Aren’t Working toonde opmerkelijke verschillen in sociaal gedrag, schoolresultaten en maatschappelijk succes tussen groepen Britse meisjes en jongens. De summiere gegevens over hun maatschappelijke loopbaan (werk, huiselijke situatie, delinquentie, lichamelijke gezondheid) wezen op een alarmerende achterstand van de jongens. Het feit dat de jongeren allen afkomstig waren uit de lagere middenklasse belette de makers niet er verregaande waarschuwingen aan te verbinden. Steeds meer jongemannen zouden zichzelf marginaliseren door hun agressieve, non-coöperatieve en ongezonde lifestyle. Recente verschuivingen op de arbeidsmarkt, die wellicht een deel van de verschillen kunnen verklaren, kwamen niet aan de orde.

Deze verschuivingen - samen te vatten als de vervanging van spierkracht door logisch-symbolische vermogens - zijn wel degelijk van invloed op de sociale positie van mannen. In de Verenigde Staten, waar maatschappelijk succes als het alfa en omega van de menselijke ontplooiing geldt, gebruikt men dit gegeven juist als aansporing voor achtergebleven mannen. Newsweek bracht twee jaar geleden een omslagverhaal met de titel «It’s a Woman’s World», waarin werd vastgesteld dat vrouwen veel beter zijn aangepast aan de eisen van de moderne arbeidsmarkt, met name de eis van flexibiliteit. De morele strekking van zulke berichten is onmiskenbaar: mannen moeten hun aangeleerde of aangeboren neigingen leren beheersen, anders worden ze een maatschappelijke «probleemgroep».Voorheen beriepen alleen conservatieven zich op de onveranderlijkheid van de menselijke natuur teneinde maatschappelijke vooruitgang - in de zin van nivellering en democratisering - tegen te houden. Nu beroepen ook progressieve politici zich op die onveranderlijkheid om hun gebrek aan visie en effectiviteit te maskeren. Zijn het niet steeds weer mannen, vooral jonge mannen, die weigeren zich te onderwerpen aan de technocratische ontwerpen en de zielloze massacultuur waarmee de hedendaagse mens klein gehouden wordt? Zijn de laatste opstandige elementen in de westerse samenleving niet mannelijk, of het nu gaat om de stedelijke onderklasse van «onverbeterlijken» met een hoge werkloosheids- en criminaliteitsgraad of de succesvolle straatrevolte tegen de WTO in Seattle?
Met een parafrase van French zou je kunnen zeggen dat overheden en werkgevers in de huidige fase van postnationalisme en globalisering veel gelukkiger zouden zijn als alle mannen zich «vrouwelijk» gedroegen: geweldloos, flexibel en aangepast. Dit uitgangspunt is zelfs letterlijk overgenomen door New Labour. Het standpunt dat mannelijk gedrag op zich een sociaal probleem vormt, wordt door de Britse minister van Volksgezondheid, Tessa Jowell, met kracht verdedigd en verbreid door middel van opvoedkundige cursussen, schoolcurricula en voorlichtingsbrochures. Het komt niet in de hoofden van New Labour op dat de achterstand van bepaalde groepen jongemannen wel eens het gevolg van discriminatie zou kunnen zijn - de gebruikelijke reflex als het gaat om achterstanden van vrouwen of etnische minderheden.
Toch is dat wel degelijk zo. De triomfantelijke verkondiging dat meisjes tegenwoordig beter zijn in wiskunde dan jongens gaat alleen op voor de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. In beide landen is deze trend het gevolg van een verdomming ( «dumbing down») van het wiskundeonderwijs, niet van een verbeterde, aan meisjes aangepaste wiskundedidactiek. De eindtermen zijn doelbewust verlaagd, de opgaven zijn gestandaardiseerd en de criteria zijn verschoven naar niet-wiskundige bijkomstigheden als netjes schrijven en op tijd huiswerk inleveren. Aangezien meisjes over het algemeen schoolser en gezagsgetrouwer zijn dan jongens scoren ze vanzelf hoger, ook op de voorgekauwde eindexamenonderdelen.
Op lagere scholen in de VS wordt het experimentele en explorerende gedrag van jongens ook nog eens afgestraft met een heel spectrum van draconische opvoedkundige middelen, zoals «aanrakingsverboden» en het voorschrijven van de zware drug Ritalin, die hun concentratie zou verbeteren. Miljoenen Amerikaanse schooljongens worden gedwongen dit middel te slikken om hun natuurlijke beweeglijkheid en extraversie te onderdrukken, uitgerekend in een tijd dat ze het ruimtelijk inzicht moeten verwerven waardoor ze later goed in wiskunde worden. In internationale wiskundecompetities en op vergelijkende wiskundetoetsen scoren Britse en Amerikaanse scholieren dan ook slecht, ongeacht hun geslacht. In alle andere landen van de wereld scoren jongens beduidend hoger dan meisjes. Het verschil tussen jongens en meisjes is het grootst in landen waarvan de jeugd internationaal excelleert, zoals Japan en Taiwan.


De keerzijde van de litanie over mannelijke tekortkomingen, de verheerlijking van het positieve vrouwbeeld, vindt zijn voorlopig hoogtepunt in het boek The First Sex: The Natural Talents of Women and How They Are Changing the World (1999) van de antropologe Helen Fisher. De verschillen tussen man en vrouw zijn genetisch verankerd, schrijft Fisher. Ze zijn als het ware uitgemendeld in de loop van onze «oergeschiedenis ». Deze evolutionair-psychologische benadering, waarvoor Fisher te pas en te onpas een greep doet uit de immense grabbelton van modern wetenschappelijk onderzoek, is al afgestraft in diverse wetenschappelijke besprekingen. Het bijzondere aan haar boek is de semantische krachttoer waarmee zij aan alle traditionele «vrouwelijke zwakheden » een positieve draai geeft.
Vrouwen zijn niet verstrooid maar hebben een voorliefde voor diversiteit en een «brede contextuele kijk op problemen»; ze zijn geen huilebalken maar tonen medelijden, geduld en grote sociale vaardigheden; ze kletsen niet de gaten in je sokken, maar beschikken over unieke verbale en non-verbale communicatievermogens. Ze zijn empathisch, hebben een goed ontwikkelde tast-, reuk- en gehoorzin, het vermogen om verschillende dingen «simultaan» te denken (en te vergeten, denk je er dan bij) ; ze zijn geneigd op lange termijn te plannen, netwerken op te bouwen, te onderhandelen en samen te werken, naar consensus te streven, egalitaire oplossingen te zoeken, ambigu ïteit te tolereren en «in processen» in plaats van resultaten te denken.
Uiteraard vindt Fisher voor elk van deze eigenschappen een niche in de postindustri ële economie. Uiteindelijk zullen vrouwen de mondiale kenniseconomie van de 21ste eeuw domineren. Vrouwen zullen bepalen hoe we consumeren, produceren en ons liefdesleven inrichten. Ze zullen ons «opvoeden via radio, tv, internet en elk ander medium van dit tijdperk van onbeperkte communicatie». Oorlog wordt vanzelfsprekend vrijwel uitgebannen, milieuproblemen zullen langs «holistische» weg worden opgelost. Het tijdperk van Big Sister is aanstaande.
Tegelijk met de vraag naar de werkelijke evolutionaire oorsprong van allerlei traditionele man-vrouwverschillen - die ongetwijfeld veel complexer is dan Fisher wil doen geloven - doet het boek de vraag rijzen in welk opzicht de vrouwelijke waarden nu eigenlijk superieur zijn aan de mannelijke. Is het complex van empathie-zorgzaamheid-gevoelswarmte-communicatie-egalitarisme-opofferingsgezindheid zoveel verkieslijker dan het complex van hardheid-zelfstandigheid-realisme-geslotenheid-hi ërarchie-rationaliteit? Te oordelen naar de algemene trend in overheidsrapporten en academische publicaties is het vrouwelijke complex vooral superieur vanwege een waarde die we nauwelijks meer als zodanig herkennen omdat die reeds algemeen erkend is: emotionele openheid.
Het is ongetwijfeld waar dat vrouwen hun emoties eerder «toelaten» en gemakkelijker uiten tegenover anderen, ongeacht de vraag welke mix van evolutionaire factoren en socialisatie hiervoor verantwoordelijk is. Dit onderscheid - althans wat het uiten van eenmaal onderkende emoties betreft - is vaak genoeg empirisch vastgesteld. Maar waarom zou «openheid» beter zijn dan «geslotenheid»? Waarom is het nodig dat mensen grote emoties of zelfs al hun zielenroerselen openlijk belijden?
De terreur van de openheid begint in ons land al op de basisschool in de vorm van het dagelijkse kringgesprek. Kinderen worden uitgenodigd hun persoonlijke belevenissen aan hun klasgenootjes te vertellen - weliswaar vrijwillig, maar bij kinderen van vier tot twaalf jaar is vrijwilligheid een leeg begrip. Op sommige scholen worden de gespreksonderwerpen en emoties strak in de hand gehouden, op andere wordt een complete groepscatharsis rond het overlijden van een huisdier uitgelokt. Wat kinderen hiervan leren is dat ze voor hun emotionele welbevinden afhankelijk zijn van anderen.


Er valt nog wel meer af te dingen op deze culturele feminisering. De Leidse sociaal-psychologe Mariëtte Baanders heeft onlangs in een proefschrift aangetoond dat openheid niet altijd leidt tot erkenning van ware emoties, maar vooral van sociaal wenselijke emoties; de ware emoties worden als gevolg van groepsaanpassing soms ontkend.
Op een dieper niveau is het anti-mannelijkheidsoffensief een vorm van social engineering. Het maakt burgers bevattelijk voor de quasi-therapeutische bemoeizucht van moderne overheden, verzekeraars en grote bedrijven, aldus Frank Furedi, auteur van The Culture of Fear (1998). Uiteindelijk willen die niets liever dan de privé-sfeer annexeren en de angel uit de zelfstandigheid van de burger halen: «De anti-masculiene cultuur van vandaag veroordeelt gedragswijzen die in het verleden werden gerekend tot de elementaire menselijke deugden. Critici van de mannelijkheid verafschuwen zelfvertrouwen en zelfbeheersing. Ze wantrouwen onafhankelijkheid, wilskracht, risicobereidheid en rationaliteit.» Dit zijn niet toevallig ook burgerdeugden die de moderne democratie schragen en die natuurlijk zowel bij mannen als bij vrouwen worden gevonden.
De combinatie van vrouwelijke waarden als empathie en communicatieve vaardigheden is ook al geen onverdeelde zegen voor de mensheid. De mogelijkheden van manipulatie nemen er enorm door toe. De empathie van de mediaconsument bijvoorbeeld is een machtig propagandawapen in handen van overheden, massamedia en pr-bureaus gebleken. Het kan worden ingezet tegen elke vijand mits men de juiste enscenering zoekt. Die enscenering draait rond een catharsis, een publiek etaleren van verdriet waardoor navraag en onderzoek naar de ware toedracht van een gebeurtenis overbodig of oneerbiedig lijken. Tijdens de oorlog in Bosnië bouwden westerse media op basis van zulke «vanzelfsprekende» ensceneringen een complete oorlogsleugen over Servische verkrachtingskampen en tienduizenden verkrachte Moslim-vrouwen. Dat het aantal getuigenissen ver achterbleef bij de cijfers hinderde niet. Het mannelijke ervaringsfeit dat in oorlogstijd elk gerucht tienmaal en elke gruwel honderdmaal wordt overdreven, werd geweerd uit de discussie.
Het is weinig hoopgevend voor Fishers scenario dat deze leugencampagne breed gedragen werd door vrouwelijke Non -Gouvernmental Organisations, academische en politieke vrouwenorganisaties en vrouwelijke journalisten met gebruikmaking van hun ongetwijfeld grandioze netwerkcapaciteiten. Foto’s van huilende Servische vrouwen veranderden ergens tussen Bosnië en een Europees of Amerikaans redactielokaal op miraculeuze wijze in foto’s van huilende - want verkrachte - Moslim-vrouwen. De schrijfster Nadja Tesich was ontsteld over deze platte overvaltactiek: «Nepverhalen in vrouwenbladen, nepdocumentaires. Zoals het relaas van een Amerikaanse verpleegster op de tv-zender Channel 7. We weten niet waar ze is en wie ze is. Het volstaat dat ze Amerikaans is. Ze praat over verkrachting en ze huilt.» De vrouwentranen wezen niet op verlies van zelfcontrole of redeloze haat, ze waren het bewijs van leed en daarom waren ze authentiek. «Bianca Jagger is opeens Bosnië-expert», schreef Tesich: «Ze huilt ook al.»