De zwarte stem

Bigi skrifi uma

Astrid Roemer geeft op een volkomen oorspronkelijke manier stem aan de postkolonialiteit van Nederland. In mei ontvangt ze de P.C. Hooft-prijs.

Large roemer 2c 20inst 20studio
Hommage aan 1 vrouw en 15 vermoorden, die niet vergeten (work in progress), van Marlene Dumas in haar atelier, olie op doek, vijftien schedels, 30 x 24 cm, met rechts een portret van Astrid Roemer, 50 x 40 cm, 2015. © Atelier Marlene Dumas

Ze was verdwenen, Astrid Roemer. Niet alleen van de boekenplanken, maar ook in persona. In het licht van haar verdwijning kreeg de titel van haar laatst verschenen boek, Zolang ik leef ben ik niet dood (2004), een onverwachte betekenis. Want áls ze al nog leefde, wáár dan?

Wat ook niet hielp: dat haar werk zo moeilijk verkrijgbaar was. Navraag bij haar laatste uitgeverij, Aspekt, leerde dat er geen exemplaren meer waren van het laatst verschenen boek, dat het eerste deel van haar autobiografie zou moeten zijn. Rond Roemer zweefde iets gecompliceerds, ze leek overal met slaande deuren vertrokken, een volgend deel van haar autobiografie zou geweigerd zijn wegens verregaande onleesbaarheid.

En dan toch, onverwacht: 2015 het gloriejaar. De stichting die eerder aandacht genereerde voor Edgar Cairo en Frank Martinus Arion, Cimaké Foundation, gesubsidieerd door het Mondriaan Fonds, belegde een feestavond voor de schrijfster, met een interview, toespraken en op muziek gezette gedichten. Ook werd er een tribunaal georganiseerd, waarin vrouwen getuigden van oorlogservaringen, en kwam er een expositie, Roemers drieling, waaraan onder anderen Marlene Dumas meewerkte. De klapper zou de documentaire worden die Cindy Kersborn over haar maakte, De wereld heeft gezicht verloren, dezelfde Kersborn die eerder de portretten van Cairo en Arion maakte. Begin december ging die in première in de Openbare Bibliotheek Amsterdam, maar verdomd, de echte klapper werd een paar dagen later bekend: de P.C. Hooft-prijs voor verhalend proza was voor Astrid Roemer. In mei kan ze de prijs in ontvangst nemen.

De prijs voor Roemer was een verrassing, maar dat moet dan vooral te maken hebben met het feit dat haar laatste werk van elf jaar geleden stamt, het net al genoemde eerste deel van haar autobiografie, dat opeens niet meer bij haar eigen uitgeverij verscheen. In het najaar van 2011 kwam er weliswaar nog een dichtbundel, maar de bibliofiliteit daarvan (een prachtige uitgave van Buku Bibliotheca Surinamica) en de titel, Afnemend, leken de langzame verdwijning van de schrijfster te onderstrepen.

Documentairemaakster Kersborn volgde het spoor van de bigi skrifi uma (grote schrijfster) terug naar het Schotse eiland waar Roemer zich teruggetrokken zou hebben. Eilandbewoners konden zich de ‘nice lady’ nog scherp voor de geest halen, maar de lady zelf bleek zich inmiddels in Gent te hebben gevestigd. Onveranderd stoer, met leren pet en sonoor stemgeluid, declameert ze aldaar in een kloosterlijke tuin haar gedichten, vertelt ze met smaak en weemoed over grote liefde Bill, en legt ze uit weggegaan te zijn uit Nederland om ‘het water in mij niet te woelig te laten zijn’.

Ze moet even zoeken hoe ze het ook altijd weer zei: met Suriname ben ik getrouwd, Nederland is mijn minnaar, met Afrika heb ik een homoseksuele relatie en met elk ander land ben ik bereid slippertjes te maken. En: ‘Grenzen zijn kunstmatige grenzen. Heel de aarde is de mens gegeven.’ De afstand van Nederland kon haar dieper doen nadenken over de essentie van haar werk, en bracht vrijheid en hernieuwde werkkracht met zich mee: de twee volgende delen van haar autobiografie zijn geschreven. Bij de publicatie daarvan in de loop van het komende jaar zal ze dan opnieuw een drieling hebben gebaard.

‘Grenzen zijn kunstmatige grenzen. Heel de aarde is de mens gegeven’

Misschien omdat ze als schrijfster even leek weggezakt, kwam de uitverkoring met de meest prestigieuze Nederlandse literaire prijs aanvankelijk over als een demonstratieve of politieke keuze. Eindelijk een bekroning voor een stem uit het Caribisch gebied, eindelijk erkenning voor werk dat ons koloniale verleden problematiseert. Je opnieuw verdiepende in haar romans is het echter onmogelijk er niet weer voor te vallen, hoe gezocht en ontoegankelijk ze in onderdelen ook zijn. In de jaren tachtig maakte ze naam met haar feministische romans, vooral Over de gekte van een vrouw werd een iconisch werk, door Roemer een ‘fragmentarische autobiografie’ genoemd. In het sensuele verhaal over het turbulente liefdesleven van Noenka die ‘nobelnaakt’ haar eigen leven wil leiden liet ze voor het eerst haar spanwijdte zien, qua stijl, symboliek, complexe structuren en woorden voor hete, hete seks. Een ‘postmodern’ schrijfster noemde ze zichzelf; Over de gekte van een vrouw werd geaccompagneerd door de romans Nergens ergens en Een naam voor de liefde, een trilogie die werd herdrukt onder de titel Maar ik blijf in 1996.

Met haar filosofische inzet, exuberante taalgebruik en fragmentarische aanpak verschilde Roemer van meet af aan van populaire Surinaamse auteurs als Cynthia McLeod en Bea Vianen, en later Clark Accord, die romans schreven die meer gericht waren op onmiddellijke herkenning van de lezer, van zichzelf en de eigen geschiedenis. ‘Ik wil laten zien hoe de geschiedenis dóórwerkt, en heden en toekomst omspant’, zei ze in een interview.

Astrid Roemer was 51 toen ze de daad bij het woord voegde en haar grote Surinaamse trilogie voltooide; het laatste deel verscheen toen net het drugsproces gaande was tegen oud-legerleider Bouterse en de moeizame betrekkingen tussen Suriname en Nederland weer voorpaginanieuws waren. In ruim duizend pagina’s wordt het trauma van de geboorte van Suriname verwerkt, de koloniale geschiedenis en de militaire dictatuur van de jaren tachtig. Dekolonisatieromans noemde de schrijfster ze zelf, Gewaagd leven (1996), Lijken op liefde (1997) en Was getekend (1998). De drie romans hebben telkens een ander hoofdpersonage dat terugblikt op zijn leven; de verhalen worden niet chronologisch verteld, er wordt zowel teruggekeken als vooruitgeblikt. Vooral Lijken op liefde is nog steeds een ontzagwekkend boek, dat zich afspeelt in wat toen een nabije toekomst was, het jaar 1999. Een na hevige etnische conflicten gevormde nieuwe Surinaamse regering heeft besloten om het land ‘schoongewassen’ het nieuwe millennium in te laten gaan. Hoe moeten de Decembermoorden van 1982 worden verwerkt? Per referendum is gekozen voor een tribunaal dat eindelijk recht zal spreken. Maar is er wel een eerlijke jury te vinden, een dito rechter, in een land dat als gevolg van het slavernijverleden lijdt aan een geboortefout en misschien wel voorgoed gecorrumpeerd is?

Het is Roemers verdienste dat ze in haar romans grote politieke vragen inbedt in intieme geschiedenissen van personages die hun eigen gezicht en lichaam krijgen. Haar symboliek spreekt in haar bloederige vrouwelijkheid onverminderd tot de verbeelding; Suriname beschrijft ze als een opengereten baarmoeder, als een geaborteerd land. Zoals literatuurwetenschapper Maaike Meijer in een diepgravende analyse van met name deze laatste trilogie aangeeft, is Astrid Roemer de eerste schrijver die op een zelfbewuste en volkomen oorspronkelijk literaire manier stem gaf aan de postkolonialiteit van Nederland. Haar kracht is dat zwaarte en lichtheid, ernst en ironie hand in hand gaan. Bij haar geen nostalgische verlangens naar volkstradities of eigen inheemse cultuur, noch cynisme over postkoloniale corruptie.

In een interview vlak na de voltooiing van het laatste deel vertelde ze te willen breken met de gebruikelijke geborneerdheid over Suriname. ‘Zo van: we weten nu wel hoe het zit met dat landje. We moeten de waarheid onder ogen zien: we hebben weliswaar bepaalde fysieke kenmerken die verwijzen naar een bepaalde etniciteit, maar onze mentale kenmerken zijn gevormd door een totaal andere cultuur: de Nederlands-Surinaamse. Dáár moet onze generatie het mee doen. Sommigen vinden me te Nederlands, anderen te Surinaams. Ik weet het niet, ik pas nergens in. Dat is een ideale situatie voor een auteur.’

Dat er nu nog twee delen van haar autobiografie gaan verschijnen is verheugend en nieuwsgierigmakend. Want wat een compromisloos en uiteindelijk verwarmend boek is dat eerste deel, Zolang ik leef ben ik niet dood. Met zinnen als: ‘Ik was bezig een erotische ochtenddroom te overdenken toen de telefoon op mijn werktafel overging.’ En: ‘Ik heb enorm gepoept, maar dat terzijde.’ Onorthodox, warm, wijs en geestig wordt hierin het hoogste – het verlangen naar intimiteit – met het laagste – de stoelgang – verbonden, mistig gemijmer aaneengeregen met lucide inzichten. Als een paria beschrijft ze zichzelf: een buitenstaander die aanvaardt dat hij van de maatschappij is vervreemd, iemand die afwijkende denkbeelden en meningen koestert en accepteert dat hij door zijn excentriciteit meer en meer geïsoleerd raakt.

Haar schrijverscredo, dat ze halverwege expliciteert, is hierop toegesneden: als lezer, hoe deskundig je ook bent, weet je altijd minder dan de auteur. De consequentie daarvan is, zo schrijft ze, dat als je als lezer – ‘denk: consument’ – iets niet begrijpt, dat aan je eigen beperkingen ligt en nooit aan ‘wat-dan-ook’ van de auteur. Typische Roemer_-bravery_ waarvoor je niet anders dan het hoofd kunt buigen.