Bezwaren tegen biomassa

‘Bij “bio” denkt iedereen meteen dat het goed zit’

Vanaf deze maand worden massaal houtkorrels verstookt met 3,5 miljard euro groene subsidie. Dat is niet beter, maar slechter voor het klimaat. Daar hoor je de milieubeweging niet over.

Medium hh 18126100
Kaalslag in de Noordwaardpolder, met op de achtergrond de Amercentrale. © Ries van Wendel de Joode / HH

De vingertop van Emiel van Dorp is zwart, alsof hij net zijn vingerafdruk heeft moeten afgeven. Maar hij trok alleen een streep op het informatiebord achter hem. ‘Kolenstof’, legt hij uit. ‘Dat wordt minder als we straks hout verbranden in plaats van steenkool.’ Van Dorp, gehuld in driedelig veiligheidstenue, is projectleider biomassa bij energiebedrijf rwe. Trots geeft hij een rondleiding op het terrein van de Amercentrale in het Brabantse Geertruidenberg. Midden op het terrein ligt een berg zwarte kolen als een enorme schep suiker. Hij wijst op de zes molens van 82 meter hoog die de ketel van de centrale voeden met minuscule brokjes steenkool. Binnenkort verandert dat: ‘Nummer één en twee, en nummer vijf – die daar – zijn we nu aan het ombouwen.’

Energiecentrale ‘de Amer’ wordt ‘vergroend’. Vanaf deze maand moet bijna een derde van alle elektriciteit in de kolencentrale uit hout worden opgewekt. Het doel is helder, zegt Van Dorp: minder broeikasgas. ‘Het verminderen van onze CO2-emissies is de belangrijkste reden om deze veranderingen in gang te zetten.’ Zijn stem galmt door een van de vier nu nog lege biomassasilo’s, elk acht verdiepingen hoog. rwe experimenteerde in Geertruidenberg al eerder met het bijstoken van ‘houtpellets’, zoals de geperste houtkorrels worden genoemd. Maar nu het bedrijf in de afgelopen twee jaar 2,6 miljard euro aan subsidies voor duurzame energie binnenhaalde, gaan ze echt aan de slag.

Medium schermafbeelding 2017 11 21 om 15.50.59
Sinds 2008 is €9,3 miljard aan subsidie verstrekt voor energieopwekking via biomassa. In 2016 ging meer dan een derde van die subsidie naar houtkorrels: hout dat wordt meegestookt in kolencentrales. © Investico

De overgang van kolen naar hout lijkt een stap richting duurzaamheid. Toch is de milieubeweging nooit een groot voorstander van biomassa geweest. Het verstoken van hout leidt tot monotone productiebossen, afname van plant- en diersoorten en concurrentie tussen bosbouwers en boeren voor voedselproductie, luiden de klassieke tegenargumenten. Dat energieproducenten als rwe de ‘bij- en meestook’ van biomassa als redmiddel gebruiken om hun omstreden kolencentrales open te houden, maakt de zaak voor de milieuclubs alleen maar erger.

Over één fundamenteel bezwaar tegen biomassa in kolencentrales was tot voor kort echter geen discussie, ontdekte Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico in samenwerking met Trouw en De Groene Amsterdammer. Onze tocht langs bos- en klimaatexperts van Groningen tot Princeton, van de Brabantse kolencentrale tot de Gelderse bossen en het Europees Parlement, leidt tot een conclusie die in het publieke debat zelden wordt gehoord. De voordelen van hout verbranden, in plaats van kolen of gas, bestaan vooral op papier. Op korte termijn is hout juist slechter voor het klimaat en op de lange termijn komt de oplossing waarschijnlijk te laat. Tegen de tijd dat de CO2-winst van de biomassa in kolencentrales wordt gerealiseerd, zal het klimaat al te veel zijn veranderd om daar nog van te profiteren.

‘Bij het woord “bio” denkt iedereen meteen dat het goed zit’, zegt Timothy Searchinger, milieuwetenschapper aan de Princeton Universiteit in New Jersey. ‘Maar de aannames over biomassa zijn fundamenteel verkeerd.’ Het bekende idee achter biomassa is dat nieuwe bomen de uitstoot van het in energiecentrales verstookte hout weer opnemen. Zo ontstaat een korte koolstofkringloop; biomassa staat daarom in de boeken als CO2-neutraal.

Maar de rekenfout daarin is ‘simpel’, zegt Searchinger via Skype vanuit zijn werkkamer aan de Amerikaanse universiteit. Als een boom niet was gekapt, was hij gewoon doorgegroeid en had hij dus nog steeds CO2 opgenomen. Als je deze ‘verloren’ opname meetelt, duurt het decennia of zelfs eeuwen voordat een nieuwe boom alle door biomassa uitgestoten broeikasgassen compenseert.

Medium schermafbeelding 2017 11 21 om 16.22.43
De Europese import van houtpellets (korrels) uit de Verenigde Staten is in de afgelopen vijf jaar vervijfvoudigd. © Investico

Searchinger was in 2008 de eerste die de uitgangspunten van biomassa ter discussie stelde, in artikelen in vakblad Science. Aanvankelijk deed hij onderzoek naar het mondiale voedselsysteem, maar nu wijdt hij zijn leven al bijna tien jaar aan het ontkrachten van de mythes rondom bio-energie. Zijn eerste paper was een keerpunt in het denken over planten en bomen als energiebron: het is ondertussen ruim vierduizend keer geciteerd.

Daar komt bij dat hout helemaal geen efficiënte brandstof is. Om dezelfde hoeveelheid energie op te wekken, komt er bij het verbranden van hout ongeveer vijftien procent meer CO2 vrij dan bij het verbranden van kolen en zelfs zo’n 95 procent meer dan bij gas. Voordat biomassa überhaupt CO2-winst maakt vergeleken met fossiele brandstoffen moeten nieuwe bomen die extra uitstoot dus ook nog opnemen.

‘Op de korte termijn stoot je met het verbranden van biomassa meer uit dan je aan fossiele emissies vermijdt’, concludeert Mart-Jan Schelhaas, boswetenschapper aan de Wageningen Universiteit. Hoe kort die termijn precies is, berekenen Schelhaas en zijn collega’s met behulp van modellen voor de groeisnelheid van verschillende soorten hout. Op het eerste gezicht leidt die rekensom tot schrikbarend lange perioden: tot honderden jaren, wanneer hele bomen als biomassa worden verstookt.

Alleen voor resthout, zoals snoeiafval en zaagsel, duurt het korter dan dertig jaar voordat biomassa winstgevend is ten opzichte van kolen. Als je de juiste bomen kapt, kun je er volgens Schelhaas voor zorgen dat het bos als geheel harder gaat groeien en dat de compensatietermijn korter wordt. Maar ook dan kan het honderd jaar duren voordat biomassa winst oplevert. Is dat niet veel te lang? Veel boswetenschappers gaan die vraag liever uit de weg. Zo ook Schelhaas: ‘Dat wordt al snel een politieke discussie.’

Toch drong de easac, de Europese koepel van wetenschapsacademies zoals de knaw, aan op ‘erkenning voor de lange termijn waarop houtige biomassa teruggroeit’. En in september stuurden 190 boswetenschappers een brief aan Europese bestuurders waarin ze hun ‘ernstige bezorgdheid’ over de bijstook van biomassa kenbaar maakten. Houtkorrels zijn helemaal niet koolstofneutraal, stelden ze, en op de korte termijn zijn ze zelfs slechter voor het klimaat dan kolen.

Ook de milieubeweging begint te beseffen dat de lange compensatietijd misschien nog wel belangrijker is dan de traditionele bezwaren tegen biomassa. ‘Als biomassa nou nog goed zou zijn voor het klimaat maar slecht voor de biodiversiteit, dan hadden we een dilemma’, zegt Alex Mason, energie- en klimaatexpert bij de Brusselse afdeling van het Wereld Natuur Fonds (wnf). Maar, zegt ook hij, veel vormen van biomassa werken op klimaatgebied contraproductief. ‘Het blijkt dat het verbranden van bomen geen goede manier is om klimaatverandering tegen te gaan. Wie had dat gedacht?’

We kunnen geen decennia wachten op de potentiële voordelen van biomassa, stelt Mason, en al helemaal geen eeuwen. We moeten nú alles in het werk stellen om de opwarming van de aarde onder de anderhalve graad te houden. ‘Het is cruciaal dat we binnen vijf tot tien jaar minder CO2 uitstoten.’

Hoe problematisch is de extra CO2 die biomassacentrales op korte termijn in de atmosfeer pompen? Het knmi, hét weer- en klimaatinstituut van de overheid, zegt ‘de expertise niet in huis te hebben’ om over de kwestie te kunnen oordelen.

‘Op de korte termijn stoot je met het verbranden van biomassa meer uit dan je aan fossiele emissies vermijdt’

Pier Vellinga, klimaathoogleraar aan de Wageningen Universiteit, doet er niet moeilijk over. ‘Als het roer nu niet omgaat’, zegt hij, ‘blijft de aarde nooit onder de anderhalf à twee graden opwarming zoals afgesproken in het Parijs-akkoord.’ Hoe meer biomassagebruik, hoe langer klimaatwinst op zich laat wachten. Dat vergroot de kans op onomkeerbare schade, zoals het smelten van de Groenlandse ijskap of het massaal vrijkomen van het broeikasgas methaan uit nu nog bevroren toendra’s. ‘Twintig tot dertig jaar geleden leek het bijstoken van biomassa in kolencentrales nog een goed idee’, zegt hij. Toen was écht schone energie op grote schaal, van windturbines, zonnepanelen en waterstof, nog niet in beeld. Nu is het te laat.

Met de hak van zijn bergschoen woelt de bosbouwer een kuil in de mulle bosgrond van de Gelderse boswachterij Oostereng. ‘Zo, vanuit dit punt begin je.’ De rest van het negenkoppige gezelschap bosbouwers en beleidsmakers duwt takken uit het gezicht om de uitleg beter te kunnen horen. ‘Je trekt een straal van twintig meter, telt daarbinnen alle bomen, kijkt of ze dikker zijn geworden, welke soort het meest voorkomt en of er jonge boompjes staan’, legt hij uit. De komende vier jaar zullen 3700 stukken bos op deze manier worden opgemeten.

Twee uur lang lopen de deelnemers door het gebladerte en leren ze hoe de Nederlandse koolstofboekhouding tot stand komt. Sinds Nederland het klimaatverdrag van Kyoto tekende, moet de overheid jaarlijks aan de VN rapporteren hoeveel koolstofdioxide is uitgestoten en opgenomen. Exacte cijfers over het Nederlandse bosoppervlak mogen daarin niet ontbreken.

‘Het is gewoon boekhouden’, zegt boswetenschapper Schelhaas. Soepeltjes stapt hij over omhoog stekende boomwortels. Zijn team in Wageningen berekent de compensatietijden van bossen en zet ook de nationale bosmeting op touw. Schelhaas analyseert kaarten van heel Nederland en stuurt de opnemers het veld in. Zij oordelen wanneer een bos een bos is, en een boom een boom. ‘Eentje belde me op en vroeg of een bospad van zeven meter breed nog steeds telt als bos. Tja, de richtlijn is zes meter.’

In de koolstofboekhouding gaan de tientallen tabbladen en tabellen niet alleen over bossen. Tot twee cijfers achter de komma wordt elke ton broeikasgas bijgehouden: van de CO2-emissies door de ijzer- en staalindustrie (tabblad 2(I)s1, cel B25), tot die van de Nederlandse graslanden (tabblad 4.C, cel R10) en van de precieze uitstoot van de mest van pelsdieren (tabblad 3.B(a)s1, cel J31). Voetnoot: ‘Hiertoe behoren onder meer vossen, wasberen, nertsen en bunzings.’

Ook weet Nederland precies hoeveel CO2 jaarlijks de lucht in gaat door het opbranden van biomassa voor energiegebruik. Dat is 6070,60 kiloton, grofweg evenveel als een kolencentrale uitbraakt. Maar dat getal is niet meer dan een ‘memo item’ in de boekhouding. Het opstoken van biomassa wordt immers gezien als CO2-neutraal, waardoor dat cijfer kan worden genegeerd. De daadwerkelijk via biomassa geproduceerde tonnen CO2 staan wel in de boeken bij de VN, maar Nederland en de EU hoeven ze niet mee te tellen als werkelijke uitstoot voor hun eigen vergroeningsdoelen.

‘Biomassa is een cruciaal onderdeel van de duurzame energievoorziening in de toekomst.’ Professor André Faaij laat er geen twijfel over bestaan: tot in de kleinste details schetst hij hoe de wereldwijde energieverdeling er in 2050 uit moet zien. Faaij is hoogleraar energiesysteemanalyse in Groningen en staat aan het hoofd van de prestigieuze Energy Academy Europe. In binnen- en buitenland staat hij bekend als een fervent pleitbezorger van bio-energie.

Faaij kent de bezwaren tegen de lange compensatietijd van biomassa, maar beweert een oplossing te hebben. Nederlandse energiebedrijven gebruiken alleen snoei- en resthout zonder andere bestemming, zegt hij. In de glazen vergaderzaal van het gloednieuwe universiteitsgebouw van zijn academie (‘wekt zelfs meer energie op dan we verbruiken’) vuurt hij zijn argumenten af. Een deel van het resthout zou anders toch in de open lucht blijven rotten of als afval worden verbrand, en dan was de CO2 uit dat hout ook in de atmosfeer beland. Resthout heeft daarom wel een korte compensatietijd, in tegenstelling tot hele boomstammen. ‘We gebruiken ook helemaal geen hele bomen, behalve wanneer ze ziek zijn.’

Bovendien zorgt de vraag naar duurzame biomassa voor beter bosbeheer en daardoor ook voor meer CO2-opslag, zegt Faaij. Een volgroeid bos legt nauwelijks extra koolstofdioxide vast, maar door slim te kappen en jonge bomen te planten, zorg je ervoor dat het CO2 blijft opnemen. ‘In Zweden en Finland doen ze dat briljant!’ En een bosbouwer zou wel gek zijn om een hele boom te versnipperen tot korrels: hij verdient immers veel meer wanneer hij zijn hout verkoopt om er planken van te laten zagen.

En mochten de wetten van de markt toch falen, dan zijn er volgens Faaij altijd nog de uitgebreide duurzaamheidscriteria. Die moeten voorkomen dat het honderden jaren duurt voordat biomassa klimaatwinst maakt. Zo moet het hout dat Nederland importeert voorzien zijn van een goedgekeurd certificaat zoals fsc. Ook heeft de Nederlandse overheid extra eisen opgesteld. Toch voldoen nog niet alle plantages die leveren aan Nederlandse kolencentrales aan deze strikte eisen, geeft hij toe. Al laat dat zijn onvermoeibare optimisme niet wankelen: ‘Je moet het echt alleen doen als het duurzaam kan. En wat nog niet goed gaat, moet je beter maken.’

De Nederlandse overheid kent de bezwaren over de lange compensatietijd van houtstook inmiddels ook en heeft maatregelen aangekondigd. De Adviescommissie Duurzame Biomassa toetst of certificaten zoals fsc voldoen aan de eisen voor biomassa. Energiebedrijven krijgen dat keurmerk van een ‘conformiteitsbeoordelende instantie’. Een accrediteur ziet erop toe dat dit goed gaat. Dan controleert een verificateur of de energiebedrijven de aanvullende eisen ook naleven. Ten slotte wil Nederland een overkoepelende toezichthouder aanstellen.

Medium beeldunie 00123053
Opslagloods van houtpellets, geperste korrels afvalhout, biomassa waarmee kolencentrales worden bijgestookt. © Bram Budel/ De Beeldunie

‘Zo’n papierwinkel aan certificaten zegt helemaal niets over CO2-uitstoot’, stelt Adam Macon. Hij is campagneleider bij Dogwood Alliance, een actiegroep die zich inzet voor het behoud van bossen in het zuidoosten van de VS. Wereldwijd worden daar de meeste houtpellets (korrels) geproduceerd, het overgrote deel voor export naar Europa.

De realiteit is niet zo rooskleurig als hoogleraar Faaij voorstelt, meent Macon. ‘Hier worden hele hectares bos gekapt om houtpellets van te maken.’ Het hout in de Europese centrales is zeker niet alleen resthout, stelt hij. Er is niet eens genoeg écht resthout om in de groeiende vraag naar biomassa te voorzien. Bovendien is het de vraag wat er met resthout wordt bedoeld. ‘Van een kromme boom is het moeilijker planken zagen, dus ziet een bosbouwer die boom als afval.’ Vervolgens worden die bomen vermalen tot pellets en komt bij de verbranding daarvan een enorme hoeveelheid CO2 vrij.

Van de pellets van Enviva, de grootste producent in de regio, is sowieso maar 21 procent resthout, staat op de website van het bedrijf. Begin 2017 beschreef Enviva de Nederlandse biomassasubsidies aan kolencentrales als een positieve ontwikkeling voor de houtmarkt. rwe haalde voor een proef al eens ladingen houtkorrels uit de VS. Voor de grootschalige stook die deze maand begint, haalt het bedrijf nu eerst hout uit Letland en Litouwen. Ook Amerikaanse inkoop komt eraan.

Afgelopen juni was Macon in Nederland en sprak met Kamerleden en beleidsmakers over de extra eisen die de overheid stelt. ‘Dat Nederland erkent dat compensatie van bomenkap lang duurt, is al heel wat. Maar wat ze voorstellen is geen oplossing.’ Het meeste Amerikaanse hout komt van kleine plantages waarvoor certificering vaak te duur is. De nieuwe regels verplichten dat pas vanaf 2022, net voordat de Nederlandse bijstooksubsidies stoppen. Volgens Macon zullen er de komende vijf jaar daarom nog steeds hele bomen in de Amercentrale eindigen. Het getouwtrek over definities en duurzaamheidscriteria leidt alleen maar af van de doodeenvoudige hoofdzaak, vindt Macon: ‘Sta er eens bij stil, we kappen bomen om klimaatverandering tegen te gaan.’

‘Sta er eens bij stil. We kappen bomen om klimaatverandering tegen te gaan’

De energiebedrijven houden vol dat houtstook wel degelijk bijdraagt aan CO2-vermindering in Nederland. ‘Onze houtkorrels voldoen aan alle eisen’, laat rwe-topman Taco Douma via zijn woordvoerder weten. Het bedrijf laat zich adviseren door onder meer hoogleraar Faaij. ‘In de wetenschap zijn er twee stromingen’, vat Douma samen. De ene school stelt dat biomassa op de korte termijn een contraproductieve maatregel tegen klimaatverandering is. De tweede stelt dat bijstoken van biomassa wel degelijk goed kan zijn voor de planeet, mits je ervoor zorgt dat er bomen teruggroeien. ‘Wij zijn van de tweede stroming.’

‘Voor!? Tegen? Onthouding?’ Tientallen handen vliegen de lucht in. De Milieucommissie van het Europees Parlement in Brussel stemde in juli over de nieuwe koolstofwetgeving. In de hokjes aan de rand van de halfronde zaal struikelen vertalers bijna over hun tong om de stemronde bij te benen. Hier worden de Europese doelstellingen voor duurzame energie opgesteld en bepaalt Europa de rekenregels voor de CO2-uitstoot van bossen.

‘Dit gevecht hebben we eigenlijk al verloren’, zegt europarlementariër voor GroenLinks en dossierhouder duurzame energie Bas Eickhout later in Den Haag. Biomassa blijft geboekstaafd als CO2-neutraal, stelt hij, ook binnen de nieuwe regels. De veronderstelling is nog steeds dat de boekhouding wereldwijd klopt, ook al is dat een fabeltje. Zo zouden landen als de Verenigde Staten en Canada, die het overgrote deel van biomassa exporteren, in theorie de CO2-uitstoot van hun boskap netjes verrekenen volgens de VN-regels. Maar dat doen ze niet. Ze hebben het Kyoto-verdrag immers niet getekend (VS) of geratificeerd (Canada). De emissies van al het hout dat deze landen kappen en exporteren, tellen simpelweg niet mee in de mondiale koolstofboeken.

Ook zijn er in de bossensector amper prikkels om bomen bij te planten, benadrukt hij. Bosbeleid is een nationale of regionale kwestie. Zo beslissen Nederlandse provincies grotendeels op eigen houtje of ze liever een heidegebied aanleggen of toch een extra stukje bos. Terwijl Europa met doelstellingen en percentages het energiebeleid bepaalt en de vraag naar biomassa opstuwt met subsidies en belastingvoordelen voor energiebedrijven.

‘Europese criteria zijn echt nodig’, zegt Eickhout. Brusselse beleidsmakers onderhandelen nu over het Europese energiebeleid tot 2030. Hoogstwaarschijnlijk zullen ze de percentages voor duurzame energie flink opschroeven. Maar zonder scherpe criteria over wat écht duurzaam is, telt ook de slechtste biomassa nog steeds als duurzaam. Zo gaat het nu, zegt Eickhout: landen hebben biomassa – de goedkoopste optie – benut om hun doelen te halen. ‘Ze houden simpelweg hun oude infrastructuur in stand, en in plaats van kolen mikken ze nu wat biomassa in de centrales.’

De europarlementariër wil energiebedrijven dwingen alleen resthout te stoken. ‘Dat scoort tenminste beter op het gebied van compensatietijd.’ Het grootschalig bijstoken geheel uitbannen is politiek niet haalbaar. Bosrijke landen als Zweden en Finland lobbyen met succes voor soepele wetgeving.

De problemen stapelen zich op. Bos- en milieuwetenschappers berekenen dat het decennia tot eeuwen kan duren voordat houtkorrels netto minder CO2 uitstoten dan kolen. Die tijd hebben we niet, zeggen klimaatwetenschappers. Alleen het gebruik van resthout lijkt een daadwerkelijk groene oplossing, maar volgens experts is er daarvan lang niet genoeg om de Europese centrales te voeden en vormen duurzaamheidscriteria een papieren werkelijkheid.

Waarom is de milieubeweging hierover zo stil? ‘Je legt de vinger op de zere plek’, zegt Joris Wijnhoven, campagneleider energie en klimaat bij Greenpeace. ‘Het is een fundamenteel probleem.’ Maar volgens Europa is biomassa nu eenmaal klimaatneutraal, zegt hij, en definities aanpassen op dat bestuurlijk niveau is ‘ontzettend moeilijk’.

Bovendien zit de actiegroep vast aan de afspraken in het Energieakkoord, dat de milieubeweging, de overheid en het bedrijfsleven tekenden in 2013. Een van die afspraken: 3,5 miljard euro subsidie voor de energiebedrijven rwe (2,6 miljard), Uniper (zeshonderd miljoen) en Engie (driehonderd miljoen) in de komende acht jaar. Want biomassa mag dan een relatief goedkope vorm van ‘duurzame energie’ zijn, alleen met behulp van staatssteun is de houtstook rendabel. Zo heeft Nederland zich sterk afhankelijk gemaakt van biomassa, van onze schamele zes procent aan duurzame energie komt bijna tweederde uit biomassa. Bovendien komen alle subsidies uit dezelfde milieupot. De miljarden voor bijstook gaan daardoor niet naar bijvoorbeeld zonne- en windenergie.

‘Een compromis’, zegt Joris Wijnhoven, ‘onverstandig met de kennis van nu’. De milieugroepen wilden die subsidies ook helemaal niet, maar moesten inbinden omdat de energiesector en de overheid niet toegaven. Wel dwongen ze een maximum aan bijgestookte biomassa af. Die biomassa moet bovendien aan de strenge duurzaamheidscriteria voldoen. Zodra die eisen worden overtreden, bijten de actieclubs van zich af, maar over de meer fundamentele bezwaren tegen biomassa zijn ze feitelijk gemuilkorfd door het Energieakkoord. ‘We hebben ons de blaren op de tong gepraat om dit te halen’, zegt Wijnhoven. ‘Als wij daar niet aan tafel hadden gezeten, dan hadden ze twee keer zo veel biomassa in die centrales gegooid.’

De subsidies voor bij- en meestook stoppen na 2024, stelt Rutte III in het regeerakkoord. En de kolencentrales moeten uiterlijk 2030 dicht. Maar het is nog gissen welke vormen van duurzame energie ervoor in de plaats komen en hoe het kabinet de doelen voor CO2-reductie wil halen. Een nieuw Energieakkoord moet daar duidelijkheid over scheppen.

‘Met ons valt niet te onderhandelen over bijstook na 2024’, zegt Wijnhoven. Als het aan de Greenpeace-man ligt sluiten de kolencentrales ‘morgen al’. Maar er zijn nog niet genoeg windmolens en zonnepanelen om het hele land van stroom te voorzien.

Hoe zorgen we in zijn scenario voor een zekere elektriciteitsproductie? ‘De gascentrales staan nu in de mottenballen’, zegt hij. Als je die aan zet en gas importeert (en dus niet uit Groningen haalt), is dat duurzamer dan het bijstoken van biomassa.

‘Biomassa is zo’n complex dossier, al die mitsen en maren. Dat vind ik soms wel moeilijk.’ Jan Ros is expert op het gebied van biomassa bij het Planbureau voor de Leefomgeving (pbl) en modelleert daar het energiesysteem van de toekomst. ‘Het wordt in de wetenschap al snel een welles-nietes-discussie’, zegt Ros. Hij doet in zijn rapporten liever recht aan de complexe werkelijkheid.

Veel vormen van biomassa stoten lang niet allemaal zoveel CO2 uit als houtkorrels, benadrukt Ros. Het vergisten van rioolslib tot groen gas bijvoorbeeld, en het verstoken van landbouwafval. ‘We zijn van al die soorten afhankelijk om onze langetermijndoelen te halen.’ Zon en wind kunnen niet alle toepassingen van fossiele brandstoffen vervangen. Daarom moeten we naar een biobased economy en plantaardig materiaal gebruiken voor de chemische industrie en transport. ‘Elektrische vliegtuigen zijn er ook in 2050 niet op commerciële schaal. Vervang kerosine dan door biobrandstof.’ Volgens Ros kan Nederland beter investeren in de ontwikkeling van déze vormen van bio-energie.

Die biobased economy is de toekomst, vindt ook hoogleraar André Faaij vanuit het Groningse universiteitsgebouw. Daar helpen volgens hem de kolencentrales bij: ‘Laat ik duidelijk zijn: het was een heel slechte beslissing om nieuwe centrales te bouwen. Maar nu ze er staan, kun je ze maar beter gebruiken.’ Hij ziet de centrales als ‘laboratoria’ die experimenteren met nieuwe toepassingen. De miljarden aan subsidie noemt hij ‘leergeld’.

Expert Jan ros van het Planbureau voor de Leefomgeving ziet het nauwelijks voor zich. ‘Wanneer stappen we dan over naar echt duurzaam?’ Ook is er een kans dat energiebedrijven juist investeren in opties die de duurzame transitie in de weg zitten. Nederland heeft volgens hem vaak gekozen voor biomassa omdat het op papier leidt tot een snelle vermindering van CO2-uitstoot. ‘Maar met biomassa boek je bij uitstek langzame winst.’ Of hij de bijstook van biomassa in elektriciteitscentrales daarom afraadt? De behoedzame Ros reageert opvallend resoluut. ‘Kijkend naar de lange termijn zijn die subsidies geen verstandige beslissing.’