Hoofdcommentaar

Bij de dood van prins Bernhard

Om het eufemistisch te formuleren: het gebeurt niet elke week dat deze krant het eerste onderwerp is van het NOS-Journaal. Afgelopen vrijdag was dat voor de gelegenheid wél het geval: van ’s ochtends acht tot ’s avonds tien. Reden? De gesprekken die Martin van Amerongen tussen 1995 en 2002 heeft gevoerd met de woensdag overleden prins Bernhard en ruim twee jaar geleden al had verwerkt tot het In Memoriam dat in dit nummer is te lezen.

Geen misverstand. Deze krant heeft vorige week daartoe zelf aanleiding gegeven door een week eerder een persbericht te verspreiden. De lezer heeft dan ook recht op uitleg. Die heeft weinig tot niets te maken met het republikanisme dat bij De Groene Amsterdammer van oudsher sterk is vertegenwoordigd. Toen de redactie donderdag een paar telefoontjes kreeg of het waar was dat Van Amerongen voor zijn eigen overlijden in mei 2002 een artikel had nagelaten over zijn ontmoetingen met de prins werden we geconfronteerd met de vraag: glashard ontkennen dan wel niet liegen. Er lag ter redactie een In Memoriam dat, zo had Van Amerongen voor zijn dood laten weten, gepubliceerd mocht worden meteen ná het verscheiden van prins Bernhard. In journalistiek jargon: het was «fit to print». Enkele passages hebben we donderdag daarom aan de openbaarheid prijsgegeven, onder het even klassieke motto: «Publish and be damned.»

Getuigde dit van een gebrek aan piëteit, zoals ons afgelopen week via telefoon of e-mail werd verweten, al dan niet voorzien van het woord «schofterig»? Nee, de door deze critici geëiste kiesheid zou toch echt één stap te ver zijn geweest. Alsof prins Bernhard niet een deel van zijn leven in het epicentrum van verschillende schokken in de Nederlandse geschiedenis had gestaan. Alsof de Lockheed-affaire in de talloze necrologieën in de media niet al lang en breed aan de orde was geweest. En – het klinkt ongeloofwaardig, maar het is wel gebaseerd op feiten – hoe bijzonder is zijn mea culpa eigenlijk? In 1976 heeft de Commissie van Drie hard geoordeeld over het oordeelsvermogen van de prins. Hoewel hij zich veel details niet meer herinnerde of ontkende, logen de formuleringen in het eindrapport er niet om. Bijvoorbeeld over de cheque die op «de toch wel curieuze – naar moet worden aangenomen fictieve – naam Victor Baarn» was uitgeschreven: «Z.K.H. heeft ook met betrekking tot deze $100.000 uitdrukkelijk verklaard, dat hij het bedrag niet heeft ontvangen, noch erover heeft beschikt. De Commissie heeft geen bewijzen van het tegendeel gevonden.» Let op de dubbele ontkenning. Voor juristen – voorzitter Donner was een jurist en wat voor één – is tweemaal nee vaak een manier om ja te zeggen zonder het woord te hoeven gebruiken. Tegenover Van Amerongen heeft de prins zich op de keper beschouwd gewoon niet zo juridisch uitgesproken. De empathische toon van de weerslag van de gesprekken tussen beiden maakt dat aannemelijk.

Het leek er vrijdag niettemin op of er niets anders aan de hand was in Nederland en elders. Zelfs de uitspraak van het Oekraïense hooggerechtshof om de uitslag van de presidentsverkiezingen nietig te verklaren, dolf in de hiërarchie het onderspit – hoewel deze beslissing in Oekraïne van grote betekenis is voor Europa, dat zich zeer intensief heeft bemoeid met de politieke crisis in deze achtertuin van de EU respectievelijk voortuin van Rusland en daarvoor een hoge prijs zal gaan betalen.

De commotie roept daarom wel een vraag op. Is het zelfbeeld van Nederland niet te zeer uit het lood geslagen? De aandacht voor Lockheed ging gepaard met nostalgie die ook na het overlijden van prinses Juliana en prins Claus opwelde. Die nostalgie is niet verwonderlijk. Ze steekt in verschillende gedaanten de kop op, in het vertonen van oud filmmateriaal bij de dood van leden van het koningshuis en in het driedelige kostuum op herenfiets van de minister van Justitie, ook een telg uit de Donner-dynastie. Ze is een uiting van heimwee naar het optimistische en ordelijke naoorlogse Nederland, dat voor velen ook door het koningshuis werd vormgegeven. Juist nu kerkelijke en ideologische zekerheden teloor zijn gegaan in een onvoorspelbare en onveilige wereld is een redelijk oude institutie als het koningshuis die voor velen ’s lands eenheid symboliseert van belang. De monarchie is voor velen een identiteitsdrager.

Het republikeinse standpunt tegen deze constitutionele monarchie is niet onzinnig. Iedere logisch denkende burger moet erkennen dat erfopvolging in een democratische maatschappij, waar bijna alle hoogwaardigheidsbekleders worden gekozen, ongerijmd is. Maar de republikeinen moeten ook rekening houden met de waardering voor en de behoefte aan dit archaïsche element van het staatsbestel: bij de abonnee van Ons Vorstenhuis, het lid van een Oranjevereniging of de islamitische bovenmeester die in een poging tot integratie het portret van de koningin ophangt. Het heeft iets armoedigs om eindeloos door te steggelen over de ophef en het rumoer waartoe de monarchie uitnodigde. Soms was dat terecht. Bijvoorbeeld toen het koningshuis zweeg over de slachtoffers van de Argentijnse terreur van generaal Videla. Soms was het onterecht, zoals toen de Tweede Wereldoorlog medio jaren zestig nog eens werd overgedaan door prins Claus op boetetocht door Nederland te sturen en als toppunt van vernedering hem te dwingen onder begeleiding van dr. Loe de Jong diens documentaire De Bezetting te laten bekijken.

Het is daarom belangrijk dat republikeinen niet alleen iets moeten willen afschaffen maar ook iets te bieden hebben, namelijk een idee over de res publica in Nederland die een alternatief kan bieden voor de mythologie van de monarchie. Zoals ook koningshuis en monarchisten meer ideeën moeten leveren dan louter een cultus die zakelijke kritiek bijna tot heiligschennis reduceert.

Tot nu toe leven we kennelijk nog in de twintigste eeuw.