van ‘wat zeg je?’, in de hoorn, en de woorden worden misschien herhaald, of niet, want voor het begrip hoeft dat niet, de stilte, ik hoor je ademen, sluit de ogen voor gehoorde
veronderstelling, je klemt me vast, en valt hoger mijn bekken in, de toon verandert in de mijne, en dezelfde, duidelijk
samen, en tegelijk, ik moet ruiterlijk bekennen, ruik geur die mij veranderen zal in die ik ben, die een ander maken zal.
MARIA VAN DAALEN