Bij de maranen in de leer

ZE ZIJN DEZE EEUW al verschillende keren herontdekt, de crypto-joden van Belmonte, een dorp ver weg in de bergen van het noordoosten van Portugal. Iedere keer is men weer verbaasd dat deze maranen al vijf eeuwen de openlijke belijdenis van het christendom combineren met geheime joodse rituelen. Iedere keer worden er rabbijnen heen gestuurd om ze Hebreeuws te leren en de gebruiken van de joodse orthodoxie. Iedere keer reageren ze beleefd en dankbaar, ogenschijnlijk zelfs enthousiast. En iedere keer worden ze na enige tijd weer vergeten en blijken ze achteraf de nieuwe, oude godsdienst weer te hebben verlaten en teruggekeerd te zijn naar hun eigen, specifieke combinatie van jodendom en christendom.

Vooral de vrouwen houden liever vast aan hun eigen godsdienst, die van moeder op dochter is doorgegeven. Ze prefereren de gebeden in de Portugese taal, want het Hebreeuws kunnen ze niet begrijpen. En zelfs lijken ze gehecht aan de geheimzinnigheid die misschien sinds de afschaffing van de inquisitie niet meer echt nodig is, maar die onlosmakelijk deel is gaan uitmaken van hun ‘ware godsdienst’.
Het spijt me bijna dat ik niet godsdienstig ben, anders zou ik me graag bij deze matriarchale, relativerende en combinerende religie aansluiten, die het elk individu of gezin mogelijk maakt haar eigen mengsel uit verschillende godsdiensten samen te stellen en er vooral een eigen interpretatie aan te geven. Zo kan een oude vrouw uitleggen dat niet de joden Jezus hebben verraden, zoals de christenen beweren, maar dat Jezus de joden heeft verraden en daarom niet de Messias kan zijn.
SINDS DRIE JAAR is joods zijn in de mode in Portugal. Een adellijke dame vertelde mij tijdens een diner op haar kasteel glimlachend dat haar vrienden - een oud-burgemeester van Lissabon, een dame die een society-rubriek heeft in een krant - nu bij haar komen om haar in vertrouwen te vertellen dat ze eigenlijk van joodse afkomst zijn. Dat wist zij natuurlijk al, zij heeft boeken waarin zij een en ander na kan kijken. Haar echtgenoot, de oude burggraaf, zei het op een andere manier: 'Het ging goed met Portugal toen de joden hier nog woonden. Toen ze vijf eeuwen geleden in groten getale naar Nederland vertrokken, ging het vervolgens goed met Nederland.’
Terwijl de joodse gemeente van Lissabon nauwelijks een paar honderd leden heeft, worden er nu graag berekeningen gemaakt: wel zeventig procent van de Portugezen zou joods bloed hebben. Namen - van planten en dieren bijvoorbeeld - worden als bewijs gebruikt, maar ook geheime gewoonten. 'Ik ben christelijk opgegroeid in een van de Portugese kolonien in Afrika’, vertelde de echtgenote van een zeer rijke joodse heer. 'Mijn ouders wisten van niets, maar ze hielden er wel rare gewoonten op na: met Pasen werd het hele huis schoongemaakt en op vrijdag werd er altijd een kaarsje aangestoken. Nu begrijp ik dat het om joodse gebruiken gaat en ik dus van maraanse afkomst ben.’
Maar terwijl de meerderheid van de Portugezen zich nu in zekere zin als maraan ziet, blijven de maranen van Belmonte en andere bergplaatsen een curiositeit. Niemand neemt ze als voorbeeld voor een nieuwe, echt Portugese menggodsdienst. Ze worden geduld zolang ze in hun gewoonten willen volharden. Ze worden nu zeker niet meer met geweld tot het christendom bekeerd, zoals ooit het geval was. Als er vanuit het buitenland een rabbijn wordt gestuurd om ze het juiste joodse geloof bij te brengen, mag die zijn gang gaan. Maar niemand is tot nu toe bij hen te rade gegaan om te zien hoe zij in staat zijn jodendom en christendom te combineren vanuit een grote tolerantie, waarmee ze zeggen: 'Wat maakt het uit of ik bid in de synagoge of in de katholieke kerk. Ik bid toch immers tot dezelfde God?’
Als je de Portugezen mag geloven, dan zijn ze altijd gek geweest op hun joden. Alleen onder grote druk van Spanje heeft ook Portugal uiteindelijk het juk van de inquisitie geaccepteerd. De illustere koning Manuel I had er zijn zinnen op gezet met de Spaanse prinses Isabella te trouwen. Maar zij stelde als voorwaarde dat eerst alle Portugese joden moesten worden verdreven of bekeerd. Kort daarvoor, in 1492, was Spanje jodenvrij geworden; honderdduizend Spaanse joden vluchtten naar Portugal, waar in die tijd al vijftig- a zeventigduizend joden woonden. Op een bevolking van een miljoen is dat een aanzienlijk aantal en bovendien waren ze economisch onmisbaar voor de koning. Manuel nam daarom in 1497 het besluit de joden niet te laten vertrekken, zoals hij eerder per decreet had besloten, maar ze allemaal in een keer gedwongen te bekeren. Of deze 'nieuw-christenen’ zich ook werkelijk christelijk voelden, werd voorlopig niet gecontroleerd. Vandaar dat velen van hen zich naar buiten toe aanpasten, maar in eigen kring trouw bleven aan hun oude geloof.
Dat wil niet zeggen dat de Portugezen zich indertijd altijd zo vriendelijk gedroegen tegenover deze Crista
os-Novos. In 1506 vond in Lissabon een ware pogrom plaats op de nieuw-christenen. Twee- a drieduizend van hen werden gedood door een door priesters opgehitste menigte nadat ontdekt was dat ze op Pasen volgens de joodse riten ongezuurd brood en bittere kruiden hadden gegeten. In 1536 werd ook in Portugal, 56 jaar later dan in Spanje, de inquisitie ingesteld. Tot ver in de achttiende eeuw konden de Portugezen allerwege op de stadspleinen genieten van spectaculaire auto-da-fe’s, 'geloofsdaden’, waarbij ketters levend werden verbrand. Duizenden kwamen daarbij in ruim twee eeuwen om. Onder hen waren veel nieuw-christenen. Veel joden en nieuw-christenen vluchtten, voor een groot deel naar Nederland, waar in feite veel meer Portugees-joodse tradities bewaard bleven dan in Portugal zelf.
De ketterverbrandingen werden eind achttiende eeuw verboden, maar verder veranderde er maar weinig nadat de markies van Pombal in 1768 het onderscheid tussen 'oude’ en 'nieuwe’ christenen had afgeschaft en alle registers waarin de namen van nieuw-christelijke families waren opgetekend had laten verbranden. In 1821 werd de inquisitie in Portugal afgeschaft. De vroegere joden leken geruisloos in de rooms- katholieke bevolking van Portugal te zijn opgegaan. De kleine joodse gemeente van Lissabon bestond en bestaat nog altijd bijna geheel uit recent uit Marokko, het Midden-Oosten of Oost-Europa geemigreerde joden. Van joods leven is nauwelijks sprake. Portugal was, ook na de Tweede Wereldoorlog, in de eerste plaats een doorgangsland voor joden, veelal op weg naar Amerika.
DAAROM WAS DE verrassing zo groot toen in 1917 werd ontdekt dat er in geisoleerde bergdorpen in het oosten van Portugal kleine gemeenschappen leefden die al die tijd, sinds meer dan vierhonderd jaar, in het geheim een aantal joodse gewoonten hadden bewaard. Samuel Schwarz, een Poolse mijningenieur die op huwelijksreis op het Iberisch schiereiland door de Eerste Wereldoorlog was overvallen en niet terug kon, moest voor zijn werk in Belmonte zijn en kreeg daar van iemand te horen dat hij bij die en die beter geen inkopen kon doen: 'Want dat is een jood, meer hoef ik je niet te zeggen.’
Dat hoefde inderdaad niet, Schwarz ging meteen naar hem toe. Maar de man ontkende in alle toonaarden dat hij inderdaad een jood was. Enige tijd later ontmoette Schwarz dezelfde man in Lissabon. Hij nam hem mee naar een synagoge aldaar. De crypto-joden in het geisoleerde Belmonte wisten niet dat er buiten hen in de wereld nog joden bestonden en ze geloofden niet dat Schwarz een jood was. Tot een oude, gezaghebbende vrouw hem vroeg een joods gebed op te zeggen. Van het Hebreeuws verstond zij maar een woord: Adonai, de Heer, God. Dit is het enige Hebreeuwse woord dat in hun Portugese gebeden bewaard was gebleven. Als Schwarz dat woord kende, moest hij inderdaad een jood zijn.
Schwarz publiceerde zijn ontdekking in 1925 in een boek, Os Crista
os-Novos em Portugal no Seculo XX, voorzien van foto’s en van de teksten van tientallen gebeden in het Portugees. De joden van Belmonte oefenden hun godsdienst in het diepste geheim uit. Zondags gingen ze naar de kerk. Ook doop, huwelijk en begrafenis vonden noodgedwongen op christelijke wijze plaats. Maar voor het betreden van de kerk prevelden ze een formule: 'Ik aanbid geen hout of steen, maar alleen de almachtige God.’
De joodse riten werden vooral binnenshuis uitgevoerd, vaak in een kast of kelder. In tegenstelling tot het normale, orthodoxe jodendom, waar vrouwen apart worden gezet en niet actief aan de dienst mogen deelnemen, was het geloof hier geheel en al een vrouwenzaak. Vooral die gewoonten die door vrouwen worden uitgeoefend bleken het te hebben overleefd: het branden van een lichtje op vrijdagavond aan het begin van de sabbat, het schoonmaken van het huis en het bakken van ongezuurd brood voor Pasen. Koningin Esther, die immers ook haar joods-zijn geheim moest houden, werd als een heilige vereerd, en de uittocht uit Egypte, 'op de vlucht voor de inquisitie’ zoals zij het uitdrukten, stond centraal. Symbolisch werd zelfs de tocht door de Rode Zee weergegeven door met een stok op het water te slaan.
DE PUBLIKATIE VAN Schwarz leidde internationaal tot grote belangstelling voor de maranen in Portugal. De term 'maraan’ is eigenlijk een scheldwoord: marrano betekent varken. Sommigen namen de term als geuzennaam aan. Anderen prefereerden een alternatieve afleiding van het woord vanuit het Hebreeuws, waarin het 'op bittere wijze gedwongen’ betekent. Dan wordt het woord niet met twee, maar met een r geschreven. Deze etymologie werd met name gepropageerd door een kleurrijke figuur, kapitein in het Portugese leger Arthur Carlos de Barros Basto, die zich vanaf de jaren twintig tot doel stelde de Portugese 'maranen’ weer tot het joodse geloof terug te brengen.
Aan een Franse schrijfster, Lily Jean-Javal, vertelde hij zijn levensverhaal. Het was het verhaal van een nogal verscheurd mens. Zijn vader en moeder gingen uit elkaar en hoewel hij zich vooral verbonden voelde met zijn moeder, nam hij ook kennis van de lessen van zijn - joodse - grootvader van vaderskant. Na een hele periode van zoeken, waarbij hij ook belangstelling had voor de islam, wierp hij zich op het jodendom. En niet alleen hijzelf, maar alle Portugese geheime joden moesten weer naar buiten komen.
Barros Basto kreeg steun in het buitenland, ook in Nederland, waar Ir. M. van Son een Nederlandsch Marranen-Comite oprichtte met de bedoeling geld in te zamelen en een rabbijn te sturen die de onwetende Portugezen in het jodendom kon onderrichten. In 1934 bezocht Ir. van Son een synagogedienst bij de maranen te Braganca en berichtte daar diep ontroerd over in het Nieuw Israelietisch Weekblad. Tot zijn verbazing werden na de Hebreeuwse dienst door oudere aanwezigen nog een aantal gebeden in het Portugees gezegd en in een begeesterde toespraak wordt steeds benadrukt: 'Adonai e Uno, nao ha outro’ - 'Adonai is de enige, er is geen Ander.’ Toch besefte Van Son op deze reis ook wel hoe moeilijk deze joodse gemeenschap het ondanks financiele steun van buiten had.
Er is niets van overgebleven, van deze joodse zending in Portugal. Barros Basto ging ten onder in wat nu 'een Portugese Dreyfuss-affaire’ wordt genoemd. Hij werd beschuldigd van homoseksualiteit en uit het leger gezet. Was het maar een voorwendsel omdat zijn joodse missiedrang woede opwekte? Werd Portugal antisemitischer in de jaren dertig? Of kwam de beschuldiging voort uit zijn omgang met joodse jongens tijdens de joodse lessen? Er is zelfs gezegd dat het misverstand te maken had met een verkeerd begrijpen van wat de besnijdenis inhield. Een feit is dat Barros Basto volgens eigen zeggen graag bij het besnijden van dertienjarige jongens aanwezig was. In elk geval stierf hij teleurgesteld en verlaten in de jaren zestig. Zijn levenswerk was op niets uitgelopen.
Intussen waren de crypto-joden van Belmonte weer in hun oude gewoonten teruggevallen en konden ze dus ook telkens weer worden herontdekt. Zo verscheen er in 1978 een uitgebreid artikel over hen in de Engelse Jewish Chronicle en vonden er in Portugal polemieken plaats over de vraag of zij nu eigenlijk wel werkelijk van joodse afkomst waren. Zo beweerde H. P. Salomon in 1976 dat de bekeringen tot het jodendom in de jaren twintig eigenlijk niet zozeer te danken waren aan Barros Basto maar aan een Portugese priester, de abt van Bacal, die uitzonderlijk vriendelijk over het jodendom had geschreven.
De meest recente herontdekking van de maranen van Belmonte vond plaats in 1992, toen het prachtige boek van de Franse fotograaf Frederic Brenner verscheen (Les Marranes, Editions de la Difference). Hij had toestemming gekregen hen te fotograferen en hun riten vast te leggen, al was het niet hun bedoeling dat hij deze foto’s ook zou publiceren en zo hun geheimen aan de openbaarheid zou prijsgeven. Brenner filmde hen ook en liet in de film zien hoe onder invloed van een uit Israel gezonden rabbijn tweespalt in de gemeenschap ontstond. Met name de vrouwen hielden liever vast aan hun oorspronkelijke geloof, waarin zijzelf en niet de mannen de dienst uitmaken.
WIE NU IN BELMONTE gaat kijken, vindt in een flat een kleine synagoge ingericht. De vrouwenafdeling is strikt gescheiden van de mannen, misschien nog strikter dan gebruikelijk in een orthodoxe synagoge. Tijdens de dienst wordt alleen Hebreeuws gebruikt. De rabbijn uit Israel wordt betaald door de Jewish Agency, maar dreigt zijn geld binnenkort kwijt te raken. Waarschijnlijk zal hij dan weer naar Israel vertrekken. De helft van de joden van Belmonte heeft zich bij zijn gemeente aangesloten, de andere helft houdt het voor gezien. Zetten zij in het geheim de oude gebruiken voort? Nu tegen de joodse bekeringsijver in? De rabbijn vertelde hoe verwarrend het voor hem en voor hen is. Toen een gemeentelid schrok van iets, sloeg hij onwillekeurig een kruis, zoals hij dat gewend was.
In Belmonte zijn de judeus nu een bezienswaardigheid geworden, maar ze laten zich niet graag zien. De Israelische rabbijn zit buiten op z'n balkon te benschen, maar de crypto-joden (zelf noemen ze zich liever da nazao, van de natie) zijn moeilijker te vinden. Een Nederlandse onderzoekster, Hans Dresden, die werkt aan een religieus- antropologische doctoraalscriptie over de joden van Belmonte, komt tot de conclusie dat degenen die de maraanse riten willen handhaven, het nu moeilijk hebben in Belmonte. In zekere zin is er voor hen weinig veranderd. Vroeger waren ze in het openbaar katholiek en thuis maraan, nu zijn ze openlijk orthodox-joods en binnenshuis maraan!
Waar het allemaal toe zal leiden, is volkomen onduidelijk. Blijft er nog iets van de eigenheid van het maraanse jodendom van Belmonte behouden? Of zal het zo gaan zoals het al zo vaak is gegaan? De rabbijn vertrekt weer, de gemeente vervalt, de orthodoxie wordt vergeten en de vrouwen nemen de oude draad weer op. Ze bidden stilletjes thuis in het Portugees, dat ze tenminste kunnen begrijpen. Ze vasten op de dagen die ze zelf hebben uitgezocht. Ze beschouwen Jom Kippoer - Grote Verzoendag - als de Dia Puro, de dag van de Zuiverheid. En ze identificeren zich met koningin Esther, die met zachtheid, niet met geweld, het joodse volk in het Perzische Rijk wist te redden. Het Poerim-feest, dat overal elders door joden uitbundig wordt gevierd, zijn ze vergeten. Poerim is een soort van carnaval waarbij de kinderen zich verkleden. In Belmonte is dat al vijf eeuwen niet zo nodig.