De politie in veranderende tijden #3: Erik Akerboom

‘Bij de politie werk je niet, je bént het’

Voor Erik Akerboom, korpschef van de Nationale Politie, is diversiteit onder agenten geen principiële discussie, maar noodzaak. Makkelijk is dat niet altijd: ‘Het gaat met horten en stoten.’

Medium anp 49893681
Erik Akerboom: ‘Overal moet kunnen worden gezegd: hé, ik zag je dit of dat doen, waarom deed je dat?’ © Bart Maat / ANP

Erik Akerboom verschijnt iets later dan afgesproken op het hoofdbureau van de Nationale Politie in Den Haag. Zijn kantoor ligt in een statig gebouw, waar vooral de vier verdiepingen hoge plant wall in het oog springt. Hij komt net uit Amsterdam, hij bezocht daar een grote banenbeurs met duizenden jongeren, het blauwe bandje dat als toegangsbewijs diende, zit nog om zijn pols. Akerboom is bijna twee meter en met die lengte én zijn bedachtzame blik straalt hij van nature gezag uit. Sinds maart 2016 is hij korpschef van de Nationale Politie. Gedurende zijn loopbaan, die hij begon bij de regiopolitie Utrecht, maakte hij tot nu toe een paar keer een overstap. Zo was Akerboom tussen 1998 en 2003 directeur democratische rechtsorde van de aivd, en was hij van 2009 tot 2011 Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en daarna nog vier jaar secretaris-generaal bij het ministerie van Defensie. Nu is hij dus weer terug bij de politie, maar deze keer als hoogste baas. Hij praat voorzichtig, ieder woord lijkt hij te wikken en te wegen.

Was het voor de hand liggend dat u bij de politie zou gaan?

‘Mijn toekomst was voorbestemd. Ik zou eigenlijk mijn vader opvolgen bij de scheepswerf in het Friese Bergum bij Drachten, die hij in 1961 was begonnen. Mijn broer studeerde scheepsbouw, ik deed bedrijfskunde en economie, toen mijn vader plotseling om gezondheidsredenen moest ophouden.’ Het bedrijf hield op te bestaan en daarmee verviel ook Akerbooms concrete toekomstperspectief. Hij glimlacht: ‘Toch is die stap in het duister het beste dat me is overkomen, nu moest ik gaan nadenken: wat wilde ik nu eigenlijk echt? Ik ben meteen met mijn studie gestopt. Niet veel later maakte ik een bewuste keuze voor de politie.’

Maar waarom de politie? Waarom niet een jaar rond de wereld reizen?

‘Ik wilde een studie volgen die tot een beroep zou leiden. Reizen was misschien aantrekkelijk geweest vóór mijn studie, maar na twee jaar bedrijfskunde was ik toe aan een volgende stap. Ik had geen zin in een zoektocht, ik wilde mijn bestemming vinden. Ik heb me zowel voor de politieacademie als voor de Koninklijke Militaire Academie, de kma, opgegeven. Ik wilde heel graag vlieger worden, maar ik was te lang! Ik mocht wel helikopterpiloot worden, maar ik wilde in een F-16. En daar bleek ik, merkte ik toen ik bij defensie werkte, nauwelijks in te passen.’ Hij doet voor hoe opgevouwen hij in een F-16 zat.

Akerboom verlangde na de wat abstracte studie naar iets praktisch. ‘De politie combineerde actie, boeven vangen, met hulp bieden.’ Concreet en zinvol, een ideale combinatie. ‘Op de dag dat ik klaar was met de politieacademie ben ik weer met mijn studie bedrijfskunde begonnen. Ik zag dat politiemensen een leven lang bij de politie bleven, ik wilde ervoor zorgen dat ik iets anders zou kunnen gaan doen als we op elkaar uitgekeken raakten.’

U hebt vaker gezegd dat politieman zijn voor het leven niet meer zo van deze tijd is.

‘Kijk, je begint een baan met een fase van verliefdheid op de organisatie, dan wordt het werk en wanneer je iets al vaak voorbij hebt zien komen, ligt cynisme op de loer – en uiteindelijk kan de vlam doven. Die fase wilde ik voor zijn. Overigens raad ik collega’s dat ook aan, want je bent op je best als je af en toe twijfelt, onzeker bent, dat houdt je scherp. Dat motiveert en het maakt het beste in je wakker.’

Draagt het idee dat je politieman voor het leven bent eraan bij dat de politie een gesloten bolwerk is?

‘Bij de politie werk je niet, je bént het, je wordt er gevormd, het is veel meer dan alleen een opleiding. Waarden spelen een grote rol, net als collegialiteit en loyaliteit. De onderlinge band tussen collega’s is belangrijk en dat beïnvloedt je dna. De politie is je thuis, dat gold ook voor mij. Op de universiteit was dat anders, daar zat ik met honderden in de zaal en was ik na tien minuten geestelijk geëmigreerd.’

Op de politieacademie werd Akerboom juist gedwongen bij de les te blijven. ‘Het gaat over zaken als integriteit en weerbaarheid. In je werk maak je vervolgens aangrijpende dingen mee. Het gaat soms over leven en dood, of over collega’s die in de problemen komen.’ Hij herinnert zich een zaak waarbij hij samen met collega’s van de politie aarzelde om ergens naar binnen te gaan. Uit het huis klonk ijselijk gekrijs, ze hoorden glas of spiegels breken. De agenten besloten, hoe spannend ook, toch op te treden. Zo’n stap in het ongewisse blijft je bij. In een ander geval stierf er een jongen in zijn handen, een vreselijke herinnering, net als die keer dat iemand een been moest verliezen bij het uitzagen uit een auto na een verkeersongeluk. Vroeg in zijn loopbaan raakte hij betrokken bij een incident waarbij een collega werd doodgeschoten: ‘We gingen op zoek naar de dader, die uiteindelijk in Turkije bleek te zitten.’ Akerboom bedoelt maar: politiemensen krijgen heel wat voor hun kiezen en moeten daarmee zien te dealen.

Bij de politie-eenheid in Breda die vorige week in De Groene werd geportretteerd, legt wijkagent Rachid al Kahja uit dat hij Nederlandser dan Nederlands wilde zijn. Alsof hij moest bewijzen erbij te horen. ‘Je moet jezelf nooit verloochenen, niet je authenticiteit prijsgeven’, zegt Akerboom.

Is dat niet makkelijker gezegd dan gedaan? Ik sprak met agenten die zich liever niet uitspraken als er bijvoorbeeld etnisch geprofileerd werd. Want, zeiden ze, doe je dat, dan hoor je er niet meer bij.

‘Het mechanisme dat ik net beschreef als kracht, loyaliteit, collegialiteit heeft een sterk nadeel: in een gesloten cultuur lever je niet gemakkelijk kritiek op elkaar, op bijvoorbeeld degene die naast je in de auto zit. Er is altijd een non-interventieprincipe, omdat je weet dat je elkaar nodig hebt. “Zet je die relatie op het spel?” – dat is de vraag die elke agent zichzelf stelt. Kom ik dan niet in de problemen, kan ik me dan handhaven? Wat zijn de gevolgen als ik me niet verenig met de dominante norm?’

Akerboom hamert erop dat agenten als ze iets zien wat niet kan er wel mee naar buiten komen. ‘Er wordt veel op instinct geopereerd, het zogenaamde Fingerspitzengefühl, een gevoel dat je hebt ontwikkeld als politieman. Dat is goed, maar je moet er ook mee uitkijken. Je moet achteraf kunnen uitleggen waarom je iets deed, iemand staande hield. Zeggen dat het je intuïtie was, is niet voldoende, onze professie vraagt dat je je handelen altijd moet kunnen objectiveren.’

Dat lijkt me lastig.

‘Ja, en daarom is het logisch dat we af en toe een misser maken. Maar te vaak een misser kan ook niet, dan word je kennelijk te weinig aan de tand gevoeld en op de proef gesteld door collega’s. En dat goede gesprek moet overal worden gevoerd, dat geldt voor de briefing (dagelijks overleg voor de wisseling van de dienst – mk), dat geldt voor de kantine, voor mijn part ook voor de board room, overal moet kunnen worden gezegd: hé, ik zag je dit of dat doen, waarom deed je dat?’

Toch gebeurt dat niet zo vaak, zeggen agenten.

‘Te weinig, ja het is moeilijk, en de leiding moet hier het voortouw in nemen.’

In Breda stapte een vrouwelijke agent zelf op collega’s af als ze iets zag of hoorde wat haar niet beviel.

Akerboom knikt instemmend: ‘En waarschijnlijk stellen collega’s dat ook op prijs. Kijk, loyaliteit aan de organisatie is niet genoeg. In onze missie staat dat we loyaal moeten zijn aan de waarden van de rechtsstaat. Dus je moet een kompas zoeken buiten de relatie met je collega’s. Je moet jezelf regelmatig de vraag stellen: ben ik wel goed bezig? Artikel 1 van de grondwet, waarin staat dat iedereen gelijk moet worden behandeld, staat niet voor niets in ieder politiebureau. Je moet je regelmatig afvragen: sta ik nog voor die ambtseed die ik heb afgelegd? Als het gaat om discriminatie, toepassen van geweld, integriteit, heb ik nog de juiste koers?’

Hoe is die openheid te realiseren? Agenten houden nu liever hun mond.

‘Ik snap dat collega’s moeten wennen aan meer diversiteit. Wij werden in het verleden via een uniform profiel geworven’

‘Het enige wat helpt is het toch ter sprake brengen en zien dat het daardoor niet onveiliger voor je wordt.’

Maar dat kunt u niet garanderen.

‘Dat kan niemand garanderen.’ Om te laten zien dat het hem ernst is: ‘Ik heb het afgelopen jaar met wel zeshonderd leidinggevenden juist over dit thema gesproken.’

Het risico is dat zo’n voornemen snel verdampt in de hectiek van alledag.

‘Dat is zo, zo’n thema wordt vaak verdrongen, in de afgelopen periode als gevolg van de reorganisatie. Zulke gesprekken kunnen voeren vraagt moed en leiderschap.’

Een ander, hieraan verwant, gevoelig punt binnen de politie-organisatie is diversiteit. Erik Akerboom is vastbesloten in zijn voornemen om het korps in rap tempo diverser te maken. Zijn streven is dat één op de vier nieuwe agenten een migratie-achtergrond heeft. Die vastberadenheid van de korpsleiding maakt de agent met een Nederlandse achtergrond onzeker, terwijl de agent met een migratie-achtergrond het idee heeft niet voor vol te worden aangezien. Akerboom noemt het een ‘hobbelige weg’, de polarisatie in de samenleving zie je ook bij de politie, ‘het gaat met horten en stoten’.

Hem wordt vaak gevraagd waarom hij per se meer diversiteit wil. Zijn belangrijkste antwoord is: ‘Omdat we dat wíllen. Niet omdat we het van de minister moeten of van de Tweede Kamer. Omdat we de noodzaak zien, daarom wil ik het onderwerp diversiteit uit de principiële discussie halen. We moeten voor iedereen die met de politie te maken krijgt herkenbaar zijn. En ik zie het praktisch, je weet nu eenmaal meer als je samenwerkt met agenten die ervaring hebben in andere culturen. Agenten die die gevoeligheid hebben, die kunnen schakelen. Je wilt onopvallend in een wijk aanwezig kunnen zijn, je hebt die kennis gewoon nodig. De noodzaak is voor mij een beter argument dan: je moet een afspiegeling van de samenleving zijn. Heel praktisch. Ik denk dat dat breed wordt gedeeld binnen de politie, maar ik begrijp ook dat collega’s moeten wennen aan meer diversiteit. Wij werden in het verleden via een uniform profiel geworven.’ Hij somt op: ‘Je had geen strafbare feiten gepleegd, je kwam uit een middenstandsgezin, je had een middelbare opleiding en je was gezagsgetrouw.’

Hij hoopt dat oudere agenten deze noodzakelijke verandering goed zullen opvangen, dat zij het pad zullen effenen: ‘Op het moment dat je een bedreiging voor elkaar bent, wordt het spannend. Dan haal je niet altijd het beste uit elkaar. Ik wil dit punt graag maken, het is belangrijk hoe oudere autochtone collega’s hier mee omgaan.’

Akerboom wil ook meer hoogopgeleiden, op alle fronten wordt de politie de komende jaren verscheidener. ‘Wij zijn onder hoogopgeleiden een van de populairste werkgevers, maar in de wereld van mensen met een migratie-achtergrond is dat helaas anders. Vaak hebben ze zelf negatieve ervaringen opgedaan, waardoor ze niet zo’n zin hebben om bij de politie te gaan. En als ze er zin in hebben, is dat vooral in functies waarbij ze de straat niet op hoeven. Er is trouwens nog een reden om juist sterk op diversiteit in te zetten: we hebben goede voorbeelden nodig.’

Maar hoe gaat u dat doen?

‘De goede mensen moeten we zelf gaan werven. We moeten erop uit, zelf scouten, broers en zussen benaderen. Het is onvermijdelijk. Realiseer je: een groot deel van de schoolverlaters heeft straks een migratie-achtergrond, wij hebben straks 15.000 vacatures. Het is zaak dat je een relatie met die groepen hebt en dat je goede voorbeelden hebt. Ik denk dat het enorm helpt als er een atmosfeer is waarin gevoelige thema’s ook aan tafel bij de briefing besproken kunnen worden.’

Akerboom vergelijkt het met de positie van vrouwen binnen de politie. Zij hadden het lange tijd niet makkelijk, ze moesten vechten voor een gelijkwaardige plek, maar hun positie is in de afgelopen 25 jaar aanzienlijk verbeterd. ‘Vrouwen die bij de politie kwamen, behoorden tot een voorhoede. Ze hadden het moeilijk in het begin. Dat is met onze allochtone collega’s niet anders. Voorlopers hebben het altijd moeilijk. Dat is realiteit.’

Agenten met een migratie-achtergrond moeten zichzelf als voorlopers zien?

‘Ja, ik hoop dat dat zo kort mogelijk duurt en daarom is het van belang om flinke aantallen agenten met een migratie-achtergrond te werven.’

En de witte collega’s dan? Zij hebben het gevoel te worden achtergesteld, ze denken minder carrièreperspectieven te hebben.

Akerboom weet dat die gevoelens er zijn. ‘Ik denk dat goed moet worden uitgelegd waarom we dit doen. Je kunt politiemensen niet overtuigen door te zeggen: je gevoel is verkeerd. Je moet zeggen: ik snap dat je dit voelt, maar denk even mee naar de toekomst van de politie. Zie je ook wat ik zie? Zie je ook dat het heel moeilijk is om in bepaalde wijken contact te leggen en dat we vaak tegen onbegrip aan lopen.’

Maar zij vragen zich af of zij nog een toekomst bij de politie hebben.

‘Dan zeg ik: weet je dat we de komende tijd 15.000 mensen nodig hebben, dat betekent veel voor doorstroming. Politiemensen zijn over het algemeen emotionele mensen en gevoelig voor onrecht. Als ze zelf het idee hebben gediscrimineerd te worden, is dat niet goed en moet ook dat op tafel komen.’

De afgelopen tijd was het al dan niet dragen van een hoofddoek door vrouwelijke agenten een gespreksonderwerp. Nadat de Amsterdamse politiechef Pieter-Jaap Aalbersberg vorig jaar had laten weten daar wel voor te voelen, brak er een storm van kritiek los. ‘Wij hebben nu gezegd: bij een uniform hoort geen hoofddoek’, zegt Akerboom. ‘Die discussie werkt als een splijtzwam in de organisatie en ik heb geen enkele behoefte om daarin voorop te lopen. Juist omdat ik zie hoeveel onrust dat veroorzaakt binnen de organisatie. Ik heb nu gezegd: dit is het. De hoofddoek hoort niet bij de neutrale uitstraling van de politie, het brengt vooral conflicten met zich mee.’

Alweer een praktische aanpak?

‘Ik wil die principiële discussie niet de politie in trekken, want die verdeelt alleen maar. We voeren hem wel, het onderwerp moet wel besproken worden, maar voorlopig doen we dat achter de schermen.’

En dan was er nog de ophef over de nekklem. Nadat Mitch Henriquez in 2015 tijdens een festival in Den Haag, mede als gevolg van het gebruik van de nekklem, was overleden, wordt die niet meer aangeleerd. Jammer, vinden veel agenten.

‘Onderzoek heeft uitgewezen dat het risico te groot is’, zegt Akerboom. ‘Alleen in uitzonderlijke gevallen, in een situatie van leven en dood, kan het gebruik van de nekklem nog proportioneel zijn. En het moet met grote deskundigheid gebeuren.’

Veel politieagenten die ik sprak vonden dat de politietop de agenten in de zaak-Mitch Henriquez onvoldoende heeft gesteund. Dat gaf hen een onveilig gevoel, ze willen zich beschermd weten.

Dat snapt Akerboom, maar er is een grens, is zijn boodschap. ‘Je moet erop kunnen vertrouwen dat de politieleiding achter zijn mensen staat. De korpsleiding is bereid je te steunen als je in de problemen komt, zelfs als blijkt dat je in de fout bent gegaan. Dat neemt niet weg dat je zelf altijd verantwoording moet afleggen over het door jou toegepaste geweld. De politie moet heel voorzichtig met haar geweldsmonopolie omgaan. Je hebt geen blanco cheque om alles maar te doen. Je moet je altijd afvragen of het toegepaste geweld in verhouding is. Dit luistert nauw, want zaken als geweldstoepassing, integriteit en discriminatie, juist dáár beoordeelt de samenleving ons op. En dit zijn nu net de thema’s die zich niet laten voorschrijven. Daarom is een kritische reflectie op je eigen handelen cruciaal.’