Bij de tegenstander thuis (4)

De Marokkanen
Mustapha is chagrijnig. ‘Marokko weg.’ Ja, dat is jammer. ‘Spanje weg.’ Ja, dat is ook jammer. ‘Nigeria weg.’ Ook vervelend, ja. ‘Kameroen weg.’ Arme jongen.

Voor wie ben je nu?
‘Ik denk dat ik dan toch maar voor Nederland ben’, aarzelt Mustapha.
Brazilië misschien?
Aan zijn gezicht is te zien dat hij eigenlijk als laatste land op de wereld Nederland zal gaan aanmoedigen. Hij houdt niet zo van Nederland.
Welke finale had jij gewild, Mous?
'Marokko-Nederland.’
En dan?
'Dan 7-0 voor Marokko.’
Hou je niet van Nederland?
Hij kijkt iets chagrijniger dan daarnet.
Mustapha houdt niet van Nederland. Niet echt. Echt niet. Hij woont hier wel, al een jaar of zes, maar met tegenzin.
Dat is ook de reden dat hij de taal nog niet goed spreekt: je leert de taal van een land pas als je je daar echt thuis wilt voelen.
'Ik voel me hier niet thuis’, zegt Mustapha. 'En ik wil me hier eigenlijk ook niet thuis voelen. Rotland.’
Nederland gaat door naar de kwartfinale, denk je niet?
'Ik denk het wel, maar ik hoop het niet’, miezert Mustapha.
Marokko speelde een pracht van een laatste wedstrijd. Het werd 3-0 tegen Schotland. Verdiend. Ze speelden soepel, snel en doelgericht. Technisch begaafd, vol inzet, met het hart gespeeld. De beleving deugde honderd procent.
De eerste wedstrijd, het gelijkspel tegen Noorwegen, zette Marokko in vuur en vlam. De bondscoach heeft inmiddels een lintje gekregen. Hij is ridder in de orde van Koning Hassan geworden.
Het gelijkspel werd gevierd als een overwinning. Het was feest. Mustapha was blij, en trots. Zijn Nederlands was plots een stuk beter dan daarvoor.
De overwinning tegen Schotland wordt gevierd als een nederlaag. En dat is het ook. Want ondertussen kregen die klote-Noren een strafschop, in de laatste minuten tegen Brazilië. Noorwegen scoorde. Brazilië liet zich inpakken - door scheidsrechter en Scandinaviërs - en Marokko droop af. Naar huis.
Mustapha smijt zijn opgebrande sigaret weg. Hij vloekt in het Spaans. Dan in het Frans. In Spanje heeft hij een paar jaar gewoond. In Frankrijk werkte hij ook een jaar of drie.
Nu, na zes jaar Nederland, heeft hij heimwee naar overal.
Hé, kop op, Mustapha.
'Wat nou, kop op?’
Het leven gaat door.
'Tuurlijk, het leven gaat door. Maar wat is dat nou voor een leven? Ik heb niks. Ik ben niks. Ik kan niks.’
Je zou kunnen denken dat Mustapha een pracht van een leven heeft. Hij beweegt zich soepel door de Nederlandse cultuur, hij denkt snel en doelgericht. Hij is technisch begaafd, doet wat hij doet met inzet, met zijn hart. Maar het schort aan zijn beleving.
Is het dan geen verbetering ten opzichte van Marokko om hier te wonen?
In vergelijking met het bestaan in het kleine dorpje in de Marokkaanse bergen is het hier beter, dat wel. In die zin is zijn emigratie naar Nederland een overwinning. Maar Mustapha viert die overwinning als een nederlaag. Elke dag. Men wil hem hier niet. Dat merkt hij steeds opnieuw. Tegenwoordig heet hij etnische minderheid. Of profiteur.
Op een dag kan hij er niet meer om glimlachen, voorspelt Mustapha. Dan wordt het hem te veel. Dat is de dag dat hij weet dat hij is uitgeschakeld. Dan gaat hij weer naar huis.
Is het echt zo erg, Mous?
'Ja. Maar er is één ding erger, gelukkig.’
Wat dan?
'Noorwegen. Daar woont mijn neef. Dat is nog erger dan Nederland.’
De Joegoslaven
Er gaat niets boven een voorbeschouwing van Mart Smeets en een kundige analyse van Johan Cruijff. In de sociëteit van de Vereniging van Joegoslaven aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam-Oost is men daarvan overtuigd.
Gespannen kijkt een deel van de circa dertig aanwezigen naar Smeets’ studio vol oranje uitgedoste idioten. Er zitten ook wat Joegoslaven in Hilversum. Zoals de zoon van meneer Frantic, de cultureel attaché van de Vereniging. Al heeft hij hem nog niet gezien.
Als Smeets aankondigt over te schakelen naar het veld in Toulouse, loopt de barman op het televisietoestel af. Plotseling trekt hij het stekkertje van de kabel-tv eruit en gaat het beeld op zwart. Terwijl in Toulouse de spelers het veld op komen, hebben de Joegoslaven in Amsterdam geen signaal.
Gelukkig maar voor even. De NOS mag dan deugen voor voorbeschouwingen en analyses, de wedstrijd moet gewoon via TV Belgrado, de Joegoslavische staatstelevisie. De avond wordt voortgezet in het Servisch.
Als het Wilhelmus speelt, springt een van de heren spontaan op. Hij keert zijn rug naar het toestel. 'Hadden jullie nu gewild dat ik me zou omdraaien?’ roept hij dreigend. Hij wendt zich weer naar de televisie en gaat rustig zitten. 'Nee, zoiets zouden wij nooit doen. Wij hebben respect voor alle volken’, murmelt hij nog, kennelijk geschrokken van zijn eigen fanatisme.
Politiek komt verder nauwelijks ter sprake. Bijna niemand heeft gehoord over de door de PvdA voorgestelde boycot van de wedstrijd. Frantic zou zoiets ook onzin vinden. 'Het gaat vandaag om voetbal, en daar staat de politiek los van. Onze Vereniging is er toch ook voor iedereen? Ik kom uit Bosnië-Herzegovina, maar dat doet er hier helemaal niet toe. Ik woon al zo'n 25 jaar in Nederland en dat geldt voor bijna iedereen van de Vereniging. Deze mensen zijn ver voor de oorlog weggegaan uit Joegoslavië. Dat ieder volk daar nu zijn eigen land heeft, is voor ons minder belangrijk. Samen zijn wij nog gewoon Joegoslaven. Geen Serviërs, geen Kroaten en geen Bosniërs. Daarom kijken we gezamenlijk naar TV Belgrado.’
Of de staatsomroep zo'n goede keus is geweest, wordt door sommigen in de zaal betwijfeld. De jonge Dejan merkt op dat commentator Pantavic wel heel erg positief is over Nederland. Frantic weet hoe dat komt. 'Die man werkt voor de zender van Milosevic. Hij heeft als opdracht gekregen de Nederlanders te vriend te houden.’
Miodrag Despotovic is het hier niet mee eens. Liefkozend spreekt hij van 'Panta’, als hij de Joegoslavische Evert ten Napel bedoelt. Vroeger waren Miodrag en Panta nog bevriend. Vroeger, in Belgrado. Inmiddels is Miodrag al lang hier. Als choreograaf heeft hij zo'n beetje ieder dansgezelschap in Nederland onder zijn hoede gehad. Miodrag: 'Ik heb overal lesgegeven. Eigenlijk zou iedereen me hier moeten kennen.’
In de rust van de wedstrijd worden de stekkertjes weer verwisseld en zit de meute lurkend aan een glaasje Loza aandachtig de heldere analyses van Cruijff door te nemen. Ondertussen is de choreograaf op zijn praatstoel gaan zitten en geeft hij, tot ongenoegen van de fanatieke supporters vlak bij hem, zijn weinig serieuze analyse van de wedstrijd.
De scheidsrechter is door Oranje omgekocht, dat weet hij zeker. Lachend: 'Nederlandse voetballers hebben zo veel geld. Ze weten niet meer wat ze ermee moeten doen.’
Toch gunt Miodrag Nederland de winst. 'Die Joegoslaven zijn veel te oud. Hoe lang doet Stojkovic al mee? Er moeten meer jonge spelers komen, anders is er binnenkort geen elftal meer.’
Als donderslag bij heldere hemel komt er een eind aan de matte stemming die het begin van de avond domineerde. Kort na het begin van de tweede helft scoort Komljenovic.
Aan de Oostelijke Handelskade vliegt het bier door de lucht, vallen de glazen Loza om en breekt de gekte uit. 'We gaan naar Schiphol toe!’ roept de wat louche uitziende Bojan. 'Morgen gaan we Oranje halen.’
Hoofdschuddend sjokt de barman met een vaatdoekje naar het drijfnatte tafeltje toe. Pontificaal gaat hij voor de replay van het doelpunt staan.
Niemand heeft het door. Maar als de man weer achter zijn buffet staat, lijkt het of de wedstrijd is afgelopen. Zoetroze ijsjes en glimmende snelkookpannen vliegen door het beeld. Eindelijk een dood spelmoment, moet de Joegoslavische regie hebben gedacht. De commerciële schade van de eerste helft wordt tijdens de wedstrijd ingehaald.
Vijf minuten lang is de spanning te snijden. De Joegoslaven hebben er weer vertrouwen in. Iedereen schreeuwt om het hardst. 'Nederland is de weg volkomen kwijt’, vertaalt Dejan zijn landgenoten.
Na de gemiste strafschop van Mijatovic slaat de stemming weer om. 'De bal is rond, dus Nederland wint’, analyseert Frantic, kennelijk door Cruijff geïnspireerd.
Hij krijgt gelijk. Als Edgar Davids in de laatste minuut scoort, springt Bojan op. Hij balt zijn vuisten en werpt nog wat vervloekingen de tent in. Boos stampt hij weg. Om teruggeroepen te worden door de nog immer heldere barman: eerst betalen.
De Nigerianen
Twee minuten en zes seconden, zo lang heeft de wedstrijd Nigeria-Denemarken geduurd. Om twee over negen scoort Möller 1-0. Bij Emeka thuis zijn de rapen gaar. Ruzie, tweedracht, woede en verdriet.
'Het is finished’, zegt de ene helft van de Nigeriaanse Bijlmersupporters. Ze pakken hun jas en gaan weg.
'Relax’, zegt de andere helft. 'Hou je kop, dit is voetbal, kijk naar de wedstrijd. Alles zal goed komen. Geen probleem.’ Om tien over negen scoort Laudrup 2-0. De supporters die er nog in geloofden haken nu ook af en stappen op.
'Geen probleem, alles komt goed, we zullen winnen’, zegt de enige optimistische Nigeriaan. Hij herhaalt zijn woorden keer op keer, als een litanie. Geïrriteerd verfrommelt hij een paars zakdoekje tussen zijn vingers. Hij memoreert de wedstrijd tegen Brazilië in de halve finale van de Olympische Spelen. Toen stonden de Super Eagles toch ook met 2-0 achter? En wie won er toen? Juist, Nigeria. Dus: 'Niet zeuren, dit is voetbal, kijk naar de wedstrijd. Alles komt goed.’
Zijn optimisme irriteert de paar overgebleven supporters. Ziet hij dan niet dat de Eagles mislukken? Woedend grijpt de optimist zijn portefeuille. Voor duizend gulden wil hij wedden dat Nigeria wint. Zijn weddenschap wordt meewarig afgeslagen.
Emeka staat grinnikend achter de bar. Zijn mond lacht, zijn ogen huilen. Hij ziet Lawal het doel missen, Kanu mist ook, Babayaro schiet over, Ikpeba sloopt een Deense neus, Uche tikt een blonde schedel in. 'Er rust een vloek op de Nigerianen.’
De Denen hebben het Nigeriaanse spelsysteem overgenomen. Ze spelen snel en agressief. De Nigerianen spelen prachtig, ze dansen en dribbelen, ze zwaaien met de heupen en toveren met de bal. Maar scoren doen ze niet. Het is ieder voor zich, 'het is geen team’.
Dan is het rust. De optimist slaat zijn handen ineen en bidt. Wat hem precies wordt ingefluisterd is onduidelijk. Hij staat op, pakt zwijgend een krat bier en een koelbox, en gaat weg.
Twee supporters zijn na de rust achtergebleven. De rest is weg of zit in de zijkamer te eten. De Deense invaller Strand staat koud op het veld of hij scoort 3-0. De commentator noemt keeper Rufai zwak en onzeker. Emeka stopt even met glazen poetsen. 'Soms is Rufai heel goed’, mompelt hij. 'En soms niet.’ Dat geldt voor het hele Nigeriaanse team. Soms zijn ze goed, onverslaanbaar, de Brazilianen van Afrika. De Bulgaren en de Spanjaarden waren kansloos, maar uitgerekend de saaie Denen winnen. Helveg maakt het vierde doelpunt.
Babangida maakt 4-1. Niemand juicht. Emeka staat op het balkon. 'Mooi doelpunt’, zegt hij bitter. Waarom kwam 'Baba’ pas zo laat in het spel? En waarom verving coach Bora Kanu voor de oude, dikke Yekini? Tweehonderddertig keer was Bora Milutinovic bondscoach op een WK, maar de Nigerianen een wereldcup bezorgen, dat lukt niet. Met een dikke, zwarte stift streept Emeka op het WK-schema aan de muur Nigeria door. 'Grüss Gott, Eagles’, zegt hij. Het laatste Afrikaanse land verlaat de wereldkampioenschappen.
Emeka probeert te lachen als hij zijn groenwitte pet opbergt. 'Ik heb ergens nog een oranje pet liggen.’ Voetbal is verdriet.
De Argentijnen
In de zesendertigste minuut mag er dan gescoord zijn door Hector Pineda na een vernuftige steekbal van Ariel Ortega, tegen Kroatië is het geen spectaculair duel. 'We zijn verwend’, zegt Emanuel. 'Na de 5-0 tegen Jamaica ben je niet snel tevreden.’
Een selecte afvaardiging van de Alkmaarse Argentijnen - velen moeten gewoon werken op deze vrijdagmiddag - zit bij César thuis. César is een wat oudere man. Hij leeft van een uitkering, zijn vrije tijd besteedt hij aan het lezen van boeken. Niet alleen Jorge Luis Borges, even gemakkelijk neemt hij een filosoof als Immanuel Kant tot zich.
César heeft de gordijnen dichtgetrokken, de telefoon uit het contact gehaald en een fles wijn ontkurkt. De juiste context voor een mooie voetbalmiddag. En toch, het Argentijnse elftal wil maar niet fonkelen. In de huiskamer slaat de verveling toe. Al voor de rust trekt César een volgende fles wijn open.
'Vinden jullie het niet idioot’, zegt César, 'dat we ons hoofd zo op hol laten brengen door dat stomme voetbal? Dat we aanmoedigingen schreeuwen of onze handen beschaamd voor de ogen slaan. In werkelijkheid zitten we hier in Alkmaar in een huiskamer naar een wedstrijd te kijken. Sterker nog, we staren naar een apparaat. Meer is er niet.’
'Och Jezus’, zegt Emanuel, 'hij krijgt het weer. Voel jij je dan geen Argentijn?’
César slaat zijn glas in één keer achterover: 'Ik zou niet weten wat dat is, een Argentijn. Maar goed, dat is nou eenmaal de afspraak. Je bent ingezetene van het land waar je geboren bent. Maar het land is een conventie, de grenzen zijn kunstmatig. In werkelijkheid bestaat een land niet eens. Argentinië bestaat ook niet. De naam alleen is een afspraak. Dat Buenos Aires hoofdstad is, allemaal afspraak.’
Maximiliano: 'Hou je op? Je verwoest het nationaal besef.’
César verheft zijn stem: 'Dat niet alleen, ik maak je bang, doodsbang. Je bent bang dat de wereld die je zo zorgvuldig om je heen hebt opgebouwd, in elkaar stort. Want als voor jou Argentinië niet eens bestaat, en even zo hard alle andere zekerheden die je dacht te hebben, dan besef je hoe naakt je in de wereld staat.’
Emanuel: 'Ik word hier een beetje moe van.’
In Bordeaux komen de spelers het veld op voor de tweede helft.
César: 'Kijk naar de tv. Wat zie je? Mannen in shirtjes. Wat voor shirtjes? Blauwwitte. Wat doen ze? Ze spelen een bal rond. Dat is het enige wat er feitelijk gebeurt. Alles wat daarna komt, Argentinië, de stand, de regels van het voetbal - het zit allemaal in je hoofd. Niet in de werkelijkheid. Zelfs het in beweging brengen van de bal is verbeeldingskracht. Alleen met hulp van ons begrip van oorzakelijkheid kunnen we constateren dat een uithalend been er de oorzaak van is dat de bal in beweging komt. Dit principe komt uit het verstand voort, is het niet om gek van te worden?’
Maximiliano: 'Dank je wel, hoor. Je verpest de hele wedstrijd. Door dat doemdenken van jou wordt er zo belabberd gevoetbald.’
Het eindsignaal klinkt.
Emanuel: 'Laat hem maar. Dinsdag piept hij wel anders. Dan spelen we tegen Engeland. Zelfs César zal op het puntje van zijn stoel zitten.’