Bij de tegenstanders thuis

De Nigerianen De leden van de Nigerian Football Supportersclub verzamelen bij Emeka thuis. Emeka is een jaar of dertig en woont in de Kleibergflat in de Bijlmer. In de huiskamer een bar, drie leren bankstellen, plastic tuinstoelen en een flatscreen-televisie. De keuken is in de slaapkamer en in de kleinere slaapkamers staan wat tafels en stoelen. Emeka’s huis heeft veel weg van een restaurant.

Volgens Eddy Nwafor, voorzitter van de supportersclub, zijn er in Nederland ongeveer duizend leden. Zelf gaat hij naar Frankrijk om de wereldkampioenschappen te bekijken. De meeste supporters zullen de wedstrijden volgen bij Emeka.
Het is donderdagavond, het WK is nog niet begonnen, toch is het druk in de Kleibergflat. Vijftien mannen kijken zwijgend naar een video-opname van de oefenwedstrijd Nigeria-Joegoslavië. Maar ook op de video verliezen de Nigeriaanse Super Eagles met 3-0. Karen, de enige vrouw in het gezelschap, staat in de keuken en komt af en toe een bord rijst met vis of een Guinness-biertje brengen.
Om de haverklap gaat de voordeurbel, een nieuwe supporter komt binnen. Kunstenaar Valentine is er met zijn neef. Otis komt net uit zijn werk, hij is financieel adviseur. Op het balkon zit Toni, hij behandelt zijn favoriete thema: voetbal is politiek. Hij studeerde politicologie in Lagos.
En Nigeriaans voetbal is zeker politiek. Bijna werd Nigeria uitgesloten van de wereldkampioenschappen, omdat de mensenrechten in het land worden geschonden. Twee jaar terug liet generaal Sani Abacha de schrijver en milieu-activist Ken Saro-Wiwa en acht andere activisten executeren. De dag erna zou een belangrijke voetbalwedstijd worden gespeeld. Toni: ‘Maar om de aandacht af te leiden verplaatste hij de wedstrijd naar de dag van de executie.’
Toni ontvluchtte de militaire dictatuur van zijn land, hij zit nu illegaal in de Bijlmer. Eigenlijk zou hij het het Nigeriaanse voetbal moeten boycotten, vindt hij zelf. 'Maar dan straf ik mezelf dubbel.’
Ondertussen verkoopt voorzitter Nwafor kaartjes voor de tweede oefenwedstrijd van het Nigeriaanse team, tegen Nederland in de Amsterdamse Arena. Toni koopt geen kaartje. Niet uit principe en ook niet omdat het kaartje te duur is, maar omdat hij dan zijn paspoortnummer moet invullen op een ambassadeformulier.
Het is vrijdagavond, de oefenwedstrijd tegen Nederland. Voor de ingang van de Arena staan demonstranten van Amnesty International en Milieudefensie. Minister Pronk en Freek de Jonge houden betogen tegen de Nigeriaanse dictatuur. De Nigerianen knikken beleefd en spoeden zich naar hun vak. Vanavond is voetbal even niet politiek. De reclameborden van multinational Shell zien ze niet. Ze zien alleen internationals: Nwanko Kanu en Celestine Babayaro, Finidi George en Taribo West.
Het stadion is bijna helemaal oranje, een klein stukje is groenwit. Dit keer hebben de Nigerianen hun vrouwen meegenomen, om bier te halen. Het WK-lied wordt geoefend: 'Als Nigeria Brazilië ontmoet, zal Bebeto weer huilen.’ Nigeria won in 1996 de finale van de Olympische Spelen van Brazilië. De groenwitte Nigeriashirts zijn nog schoon en nieuw, de vlaggetjes met Super Eagles erop wapperen, de gezichten zijn beschilderd. Een enkeling heeft een speciale agbada genaaid, een traditioneel Nigeriaans tuniek. Er wordt driftig mobiel gebeld, om de tactiek door te nemen met supporters die hoger op de tribune zitten, of om de thuisblijvers de stand door te geven.
Tot de achtendertigste minuut is het gezellig. Dan scoort Hasselbaink, vervolgens Overmars. En daarna Kluivert. Kanu neemt een strafschop, het is weer even feest. Maar het wordt 5-1, voor Nederland. Nog voor de wedstijd is afgelopen verlaten de supporters hun vak.
Er was spanning in het team, zeggen ze. Tussen de spelers onderling, en tussen de spelers en bondscoach Milutinovic. Maar die wereldtitel winnen ze echt wel. Zaterdag spelen ze tegen Spanje, de eerste echte WK-tegenstander. De wedstrijd begint om half drie, bij Emeka thuis.
Een juichende Emeka aan de telefoon, op maandagmiddag. Nee, er is geen doelpunt gevallen, en de Joegoslavische bondscoach is niet opgestapt. Sani Abacha is dood. Een hartaanval. Emeka is het Engels ineens niet meer machtig. Zoveel vreugde uitdrukken gaat alleen in het Nigeriaans. (RK)
De Argentijnen
'Si, si.’ Nery Zucotti, eigenaar van het Argentijnse restaurant La Pampa te Alkmaar, is best bereid zijn terras ter beschikking te stellen. Maar hoeveel mensen denken Emanuel, Maximiliano en de rest nou helemaal bij elkaar te krijgen? En elke week tot aan de finale? vraagt Zucotti zich af. Want daar zal het geheid wel weer van komen met sterspelers als Gabriel Batistuta, Nestor Sensini en Ariel Ortega.
Emanuel, Maximiliano en de vier andere Alkmaarse Argentijnen op het terras van La Pampa geloven ook dat er voor het vaderlands elftal een finaleplaats in zit.
In de jaren zeventig golfde de ene staatsgreep na de andere door Argentinië. Een exodus kwam op gang. Ongeveer achthonderd politieke vluchtelingen kwamen naar Nederland. Vijftien van hen streken neer in Alkmaar. 'We hadden elkaar nodig. We zaten met leed. Alles hadden we achtergelaten’, zegt Johan. 'De Argentijnen hebben die periode nog niet verwerkt’, zegt Emanuel. 'Er is amnestie verleend aan al die gruwelijke legerleiders.’
'Sinds de periode '76-'82 zijn dertigduizend mensen vermist’, zegt Mirta. 'Los van de vijftigduizend die dood zijn verklaard en vele anderen die politiek gevangen zaten. Ik ben in 1981 gevlucht omdat ik lid was van een studentenvakbond.’
'Er waren concentratiekampen, dictatuur. Er zijn mensen zonder parachute uit vliegtuigen gegooid’, zegt Maximiliano.
'Op weg naar mijn werk werd ik wel vier keer aangehouden’, zegt Johan. 'Studenten, journalisten en vakbondsleden waren misdadigers.’
Emanuel: 'Ons hart bloedt nog steeds. Iedereen hier mist wel een familielid.’
Johan: 'Ik was journalist. Ik werkte bij een piratenzender die berichtte over de uitgemoorde Indianen. We werden uit de lucht gehaald. Ik heb artikelen geschreven over de rechten van het kind en de vrouw want die hebben in Argentinië geen rechten. De artikelen zijn nooit geplaatst.’
Er komen foto’s van Buenos Aires op tafel. Het stadion van Boka Juniors en River Plate, het Ajax en Feyenoord van Argentinië.
Johan: 'Toen de Argentijnen het moeilijk hadden konden ze altijd nog voetballen. Door de repressie werden we in 1978 wereldkampioen, tijdperk Di Stefano.’
Hans: 'En ook in 1986, met Maradonna.’
Emanuel: 'Ik ben niet trots op Maradonna. Hij heeft Argentinië te schande gemaakt met zijn gesnuif.’
In 1982 werd de democratie hersteld. Johan: 'Aarzelend keerden de eersten terug. Uiteindelijk zijn de meesten gerepatrieerd. Alleen diegenen die alles kwijt waren, huis en familie, die zijn gebleven.’
Mirta: 'Er is maar een kleine gemeenschap over. Er werd veel getangodanst. Dat is nu minder. Veel kinderen zijn helemaal vernederlandst.’
Johan: 'Argentijnen in Nederland zijn elkaar uit het oog verloren.’
Middels het voetbalevenement in Alkmaar hopen Emanuel en de anderen de Argentijnse gemeenschap in Nederland weer hecht te krijgen.
Emanuel: 'Ik wil de tijd van vroeger terughalen. De gemeenschap moet weer gestalte krijgen. Je ziet de jeugd hun wortels verkwanselen. En zwichten voor Nederlandse verlokkingen als marihuana.’
Mirta: 'En er wordt minder mate gedronken.’
Maximiliano: 'Wij moeten het gaucho-gevoel nieuw leven inblazen, tradities in stand houden. De gaucho is de trots van Argentinië. De nomadische veehouder, die mate drinkt uit een uitgeholde kalebas en vlees braadt op gloeiende kolen.’
Nery Zucotti zet Mercedes Sosa op.
'Het is muziek van de opstand. Over wat pijn doet, over wat blijft,’ zegt Emanuel. 'Zonder Sosa heeft het volk geen jas’, zegt Maximiliano.
Emanuel: 'Echte Argentijnen krijgen hiervan tranen in de ogen, tweede-generatie-Argentijnen lopen er niet warm voor.’
'Het is nog niet zo erg als bij de Turken en Marokkanen’, zegt Emanuel. 'Wij hebben onze mensen aardig onder controle.’
Maximiliano: 'Wij zijn prima geïntegreerd. Spreken de Nederlandse taal vloeiend. Onze gemeenschap is niet in zichzelf gekeerd. Wij werken gewoon.’
Zondag 14 juli om half drie speelt Argentinië tegen Japan. Live te zien op het terras van Argentijns restaurant La Pampa te Alkmaar. (JVC)
De Jamaicanen
Sinds het aantreden van de Braziliaanse born again-christen Rene Simoes als bondscoach van het Jamaicaanse nationale elftal gaat het goed met het voetbal op het eiland van Bob Marley en Peter Tosh. Als eerste team uit de geschiedenis van de Caribische eilanden plaatsten de 'reggae boyz’ zich op 16 november 1997 via een 0-0 tegen Mexico voor de eindronde van een WK-toernooi. Premier Patterson riep gelijk een nationale feestdag uit. De 2,5 miljoen bewoners van het eiland verkeerden in een staat van euforie, alsof Zijne Heiligheid Haile Selassi zojuist weer op het vliegveld van Kingston was geland. Jah lives, zo veel werd in ieder geval duidelijk. De plaatsing was niet over rozen gegaan. Tijdens de inmiddels beruchte wedstrijd tegen El Salvador ging aanvaller Paul Peschisolido zo over de rooie dat hij een tegenstander met de cornervlag attaqueerde. Het cruciale duel was in de ban van een omkoopschandaal, nadat aanvoerder Horace Bureel eerder in El Salvador was betrapt met twee koffers geld, naar eigen zeggen om extra kaartjes voor de fans thuis te kopen, naar Salvadoraanse mening smeergeld voor de Joegoslavische bondscoach van dat land. De Fifa heeft de zaak nog steeds in onderzoek. Het mag de pret niet drukken.
'Dat Jamaicanen balvaardig zijn was al langer bekend’, zegt Bobby Shakespeare van de Amsterdamse afdeling van de International Reggae Boyz Supportersclub, de snelst groeiende supportersvereniging (die van een nationaal elftal tenminste) van de wereld. 'Maar de voetbalsport op zich was nauwelijks ontwikkeld. Jamaicanen speelden liever cricket.’ Bijkomende handicap was de legendarische onhandelbaarheid van de spelersgroep, die vaak hikkend van een stonede lach op het veld stond en tijdens wedstrijden in den vreemde te pas en te onpas ontraceerbaar verdwenen bleek. Door toedoen van 'voetbalprofessor’ Simoes, een Groucho Marx-lookalike, en de komst van vier in Engeland spelende profs in het nationale elftal, is daar nu allemaal een eind aan gekomen. Simoes beweert deel te zijn van een van Hogerhand gegeven plan, dat erop aankoerst het Jamaicaanse voetbal naar de top van de wereld te brengen. De ambities van de coach worden nogal eens vergeleken met die van de onlangs overleden acteur John Candy in de film Cool Runnings, over een Jamaicaanse bobsleeploeg. De voorbereiding verliep overigens weinig prettig: er was een 6-0 nederlaag tijdens een toernooi in Brazilië, een massale vechtpartij in Mexico en veel onrust in het team, vooral rond de positie van aanvaller Walter 'Black Pearl’ Boyd.
Hoe het ook zij, bij het Natty Dread Culture Centrum in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt zijn ze er al helemaal klaar voor. Aldaar zullen de fans van de reggae boyz zondag aanschuiven voor de eerste wedstrijd van de iry lions, tegen Kroatië. Daana volgen Argentinië en Japan. Een en ander zal overigens geschieden achter een wal van Oranje ballonnen, want hoewel in de rasta-leer Haile Selassi als heel wat heiliger geldt dan Beatrix, is er ook hier brede steun voor Hiddink en zijn mannen. En voor Brazilië. En voor Nigeria. 'We houden van alle tropische teams’, zegt beheerster Jeanette. 'Het maakt niet uit wie er wint, wij winnen altijd’, zegt Bobby Shakespeare. 'Denk maar aan Peter Tosh: no matter where you come from, as long you’re a black man, you’re an African’. (RZ)
De Marokkanen
Veel Marokkanen zijn Algerijnen. Achteloos de partijen over één kam scherend zien wij ze allemaal aan voor 'Marokkaan’. Als ze dan ook nog rondhangen is de vergissing helemaal snel gemaakt.
Rondhangen moet je kunnen. Het is moeilijker dan je denkt. Het is niet zomaar een kwestie van ergens gaan staan, zonder doel, zonder bezigheid, en dat lange tijd volhouden. Nee, er is meer. Het gaat om de blik, de houding, het charisma. Ook rondhangend kan men respect afdwingen.
Hassan hangt rond op de fiets. Hij is vriendelijk, beleefd en grappig. Zijn haar begint al een beetje uit te vallen. Wijzend op zijn tonsuur: 'Ik word al oud, jongen.’
Of we bij hem thuis gaan kijken, of in de coffeeshop, of bij een vriend van hem, dat is nog niet duidelijk. Het lijkt wel een illegale party: pas vlak voor aanvang wordt de locatie bekendgemaakt. Verzamelen daar en daar.
Als we bij Hassan thuis kijken maakt hij paella voor ons. 'Kan ik jou meteen leren hoe je dat doet. Anders heb je er niks aan. Dan maak ik paella, en dan sta jij er een beetje bij te kijken, en dan is het lekker, maar dan weet je de volgende keer niet hoe je het zelf moet maken. Ik leer het jou dus.’
Hassans moeder is dood, ongeveer net zo lang als mijn vader er niet meer is. Dat schept toch altijd een band, onuitgesproken. Met zijn vader gaat het redelijk. Het is al een oude man, in de zeventig. Hassan hoopt dat hij geen hartaanval krijgt bij het voetballen kijken.
Zijn vader belt hij eens in de paar weken. Bellen naar Marokko is duur. Hij mist hem wel, natuurlijk. Het is toch je vader, tenslotte.
Het Marokkaanse elftal van 1986 was iets sterker dan dat van nu, vindt hij. Hoewel het gelijkspel tegen Chili (1-1) in de oefencampagne hem goede hoop heeft gegeven. Maar het gaat hem in de eerste plaats om mooi voetbal. Wie er dan wint, maakt hem niet uit. Ja ja.
Het probleem van dit Marokko? Dat is geld. Koning Hassan heeft niet genoeg geld over voor de voetballende helden. Het gevolg daarvan is dat iedere speler een premiejager wordt: omdat een doelpunt wordt gehonoreerd met een aardige bom duiten, zal niemand het in zijn hoofd halen in kansrijke positie de bal af te spelen naar een medespeler die er nog iets beter voor staat dan hijzelf. Dan ben je een dief van je eigen portemonnee. (RVE)