Hoofdcommentaar

Bij Dittrich valt de appel wel erg ver van de boom

Gaat het wel goed met D66? Het is een regelmatig terugkerende vraag die onvermijdelijk is voor een radicale hervormingspartij zonder navenante ideologie. Afgaande op de laatste Politieke Barometer gaat het lekker. «Mieters, de go zit er in», om medeoprichter Glastra van Loon uit een oude doos te citeren. De Democraten hebben het nu even makkelijker dan de andere coalitiepartners in het kabinet-Bal kenende. Vorige week vrijdag stond het CDA virtueel op 33 zetels in de Tweede Kamer (elf minder dan nu in werkelijkheid) en de VVD op 25 zetels (drie minder). D66 zou zowaar een zetel winst kunnen boeken. Voor het bondgenootschap van drie partijen is dat teleurstellend — er zou geen meerderheid meer zijn voor deze coalitie — maar D66 kan zich daarover juist verheugen. Hoe slechter al die peilingen voor met name CDA en in mindere mate VVD, des te meer kan juniorpartner D66 eisen. Een comfortabele positie.

Maar daarmee is alles gezegd. Want voor het overige oogt de partij verward. De eerste D66-man in het kabinet, tweede vice-premier De Graaf voor Bestuurlijke Vernieuwing, heeft zich zo vastgebeten in de hervorming van de lokale en nationale democratie dat zijn tanden onzichtbaar zijn geworden. Hij wordt bijna dagelijks overvleugeld door «old hand» Brinkhorst, de minister van Economische Zaken die vlak voor het zomerreces pleitte voor langere werkweken, hogere pensioengerechtigde leeftijden, lagere winst belastingen en minder ontslagbescherming. Uit de mond van Brinkhorst — die ooit furore maakte door op een persconferentie aan het begin van de omslagjaren tachtig «wij komen op voor de minima» te roepen — klinken deze drastische plannen geestig, maar de man bepaalt intussen wel het beleid van zijn partij. Van De Graaf kan dat niet worden gezegd.

En dus meldde partijleider Dittrich zich vorige week aan het front. In een vraaggesprek met de Volkskrant gaf Dittrich zaterdag lucht aan zijn «zorgen», vooral over de positie van De Graaf, die veertig jaar na de oprichting van de partij moet doen waarvoor ze in het leven is geroepen. De «burgers bij het bestuur» halen. «Politiek Den Haag is alweer verzand in de theorie, in technocratische uiteenzettingen over de details. Maar Thom de Graaf moet het zich ook aantrekken. Het grote verhaal is helemaal uit beeld verdwenen», verzuchtte Dittrich.

Daarbij bleef het niet. «Eén van de geheimen van het succes van Pim Fortuyn was dat hij de Haagse regentencultuur aanpakte en zich daarbij beperkte tot de grote lijnen. Als we die les nu verwaarlozen, zal er in het land weer een enorme desinteresse ontstaan voor de politiek. Dan is het weer allemaal één pot nat op het Binnenhof. We moeten oppassen. Ik heb het gevoel dat het veranderingsgezinde elan dat Pim Fortuyn ons in 2002 heeft gebracht, wegebt», aldus Dittrich. «Het probleem speelt op meer terreinen in het kabinet. Er worden verstandige beslissingen genomen over de hervormingen van de economie en de sociale zekerheid. Maar in de beeldvorming lijkt het alsof het kabinet voortdurend doelbewust bezig is mensen te pesten. Het grote verhaal wordt niet goed gebracht.»

Deze hartenkreet van Dittrich is inderdaad zorgwekkend. Want hoe we de geboorte en overlevingsgeschiedenis van D66 ook interpreteren, over één axioma kan geen misverstand bestaan. D66 was de partij die als eerste het door de Amerikaanse socioloog Daniel Bell in 1960 aangekondigde «einde van de ideologieën» begreep. D66 was de partij die vond dat praktische problemen om pragmatische oplossingen vroegen, was de partij die dacht dat de burgers zich meer lieten leiden door verstandige beslissingen dan door irrationele campagnes. D66 was, met andere woorden, de partij die beroemd werd dankzij een reclamefilm waarin voorman Van Mierlo denkend pratend in regenjas over de gracht liep, wetend dat de nieuwe burgerij zich geen oor meer liet aannaaien door kerk, kroeg of kapitaal.

Deze omkering van de waarden en normen geeft te denken. Volgens Dittrich, die de partij met glasheldere machts politiek in een kabinet manoeu vreerde waar ze conform de traditie van Van Mierlo (met het pistool op de borst koos hij altijd liever voor een progressievere coalitievariant) op de keper niet thuishoorde, moet een partij die nooit vertrouwen heeft gehad in grote verhalen ineens naar grote verhalen smachten.

Rest de vraag: waarom deze ommezwaai? Aan het politieke klimaat in Nederland kan het niet liggen. Met uitzondering van de vleugel Hirsi Ali/Wilders in de VVD en klassiek links hoeden de meeste politici zich voor grote verhalen. De nieuwe partij Nederland Transparant, opgericht in het kielzog van het succes van Paul van Buitenen bij de Europese verkiezingen met het doel alle collectieve uitgaven te onthullen, laat zich er zelfs op voorstaan. «Politiek gezien is ons kindje nog kleurloos. Zolang er geen transparantie is met betrekking tot alle uitgaven van de overheid is het zinloos om een politiek standpunt in te nemen». Weliswaar mag de club, na een interventie van Van Buitenen, de naam niet gebruiken. De poging spoort met de anti politieke stemming in het land.

Er is dus iets anders aan de hand. D66 heeft interne problemen. De jongere garde, die de fakkel van de generatie-Van Mierlo had moeten overnemen, steekt zo bleekjes af bij krachtpatser Brinkhorst en is zo bang fouten te maken dat de partij weer op existentiële vragen moet afstevenen. Bestuurders als vice-premier De Graaf en staatssecretaris Van der Laan (onzichtbaar maar nog steeds in functie) zijn niet in staat over de eigen dossiers heen te kijken. En dus bepaalt Brinkhorst de agenda, zonder dat we weten of die representatief is voor de partij.

Dittrich denkt die spanning op voorhand te overbruggen met een vlucht naar voren. Door de burgers wijs te maken dat ook D66 intussen een groot verhaal wil vertellen.