DE DRUKSELS VAN HENDRIK NICOLAAS WERKMAN

Bij een lekker bordje soep

De ogenschijnlijk naïeve en terloops vervaardigde ‘druksels’ van Hendrik Nicolaas Werkman zijn van internationale klasse. Het bekendst werd de avant-gardist met de clandestiene drukwerken die hij maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog.

VAN DE VELE toeristen die het Van Gogh Museum bezoeken belandt maar een klein gedeelte op de tweede etage, waar het prentenkabinet is gevestigd. Bovendien zijn ze dan, na die overweldigende Van Gogh-collectie, visueel behoorlijk verzadigd. Vandaar dat ik op de tentoonstelling met ‘druksels’ van Hendrik Nicolaas Werkman, waarmee het Stedelijk Museum deze zomer ‘te gast’ is bij de eigenlijke buren, nogal wat mensen gehaast en verbaasd zag rondlopen. Naast verzadiging zal ook onbekendheid een rol hebben gespeeld. De schilderijen van Van Gogh zijn immers overbekend en bovendien hebben de mensen geleerd die mooi te vinden. Wie met een hoofd vol beelden over deze kleine tentoonstelling loopt, denkt wellicht te maken te hebben met de zoveelste vertegenwoordiger van de inmiddels gedateerde avant-garde uit het interbellum.
Toch is het werk van Werkman, met zijn ogenschijnlijk eenvoudige composities en heldere kleuren, van internationale klasse. Het blad Compositie uit 1925 getuigt van de verbijsterende evenwichtigheid en doelmatigheid van deze abstracte vormen, waarvoor Werkman gebruik heeft gemaakt van de achter- en zijkanten van zetmateriaal. Dat geldt ook voor de diverse exemplaren van The Next Call, het avant-gardistische tijdschrift dat Werkman in de jaren 1923-26 maakte.
Maar waarschijnlijk zijn het vooral de latere ‘druksels’, waarbij Werkman uit papier geknipte vormen gebruikte en op volstrekt unieke wijze inktrollers hanteerde, die de meeste aandacht trekken. Terwijl de abstracte composities uit de jaren twintig sterk doen denken aan De Stijl en het constructivisme, ontwikkelde Werkman in de loop van de jaren steeds meer een eigen stijl. Een van de eerste hoogtepunten is de reeks Hot Printing uit de jaren 1935-36, waarvan hier een aantal bladen te zien is. Naast de bekende Mannetjes aan tafel zijn dat ook de minder vaak afgebeelde nummer 17, Haven, en nummer 3, Vrouw in ’t groen.
Een heel andere aanblik bieden de bladen uit de oorlogsjaren waarop Werkman ruiters heeft afgebeeld, en de reeks Vrouweneiland, waarvan vooral het voor Werkmans doen grote blad (76x102 cm) dat bekendstaat als nummer 23 opvalt. Hoewel de heldere, transparante kleuren sterk zijn, beginnen ze nergens te schreeuwen en wekken ze associaties op met een paradijselijke omgeving. Dat was ook de bedoeling, aangezien Werkman deze reeks in een brief omschreef als ‘de druksels van het paradijs, niet het bekende paradijs, maar het onbekende, ergens in een werelddeel dat nog door geen mensch uit de cultuurstaten is ontdekt’. Zowel de bladen met de paarden als die met het idyllische eiland zijn van een naïviteit en soms ‘onhandigheid’ die je Werkman graag vergeeft. Zijn voorstellingen zijn immers zo zuiver, zo wars van effectbejag, zo vrij van maniertjes, en de melancholie die ze opwekken is zo overtuigend dat je je onmogelijk kunt ergeren aan de anatomische onjuistheden en kinderlijke eenvoud.
Dat vooral de reeks Vrouweneiland melancholiek stemt, terwijl de kleuren bijzonder vrolijk zijn, heeft vermoedelijk alles te maken met de wetenschap dat Werkman deze bladen vervaardigde in 1942, en dat hij dit paradijs voor zichzelf creëerde zodat hij daarheen kon vluchten, ‘omdat het in onze wereld haast niet meer uit te houden is’. En toch schiep Werkman in de jaren 1940-45 het overgrote deel van zijn oeuvre en stamt ook zijn beste werk uit deze periode. Niet alleen was deze eigenaar van een handelsdrukkerij in artistiek opzicht een laatbloeier, ook had hij in deze jaren meer tijd om zich met zijn beeldend werk bezig te houden. Bovendien werd hij nu sterk gestimuleerd door anderen en werd uitgerekend in deze tijd zijn, deels zelfgekozen, isolement steeds meer doorbroken.

De in 1882 in het Groningse Leens geboren Werkman leek niet in de wieg gelegd om kunstenaar te worden. ‘In mijn familie kwam zoiets niet voor’, zou hij later schrijven. Nadat hij op de hbs twee keer was blijven zitten werd hij van school gehaald en bij een drukker in de leer gedaan. Van zijn 21ste tot zijn 25ste was hij verslaggever voor het Groninger Dagblad, maar in 1908 koos hij definitief voor het drukkersvak. De drukkerij die hij in de stad Groningen begon floreerde en spoedig had hij meer dan twintig man personeel in dienst. Maar hij was niet bepaald zakelijk en in 1922 wist hij een faillissement alleen af te wenden door het grote bedrijfspand te verkopen en zich met slechts twee drukkersknechten te vestigen op de zolder van een immens pakhuis aan de Lage der Aa, waar hij drie jaar later alsnog failliet ging. Door financiële hulp van een vriendin kon hij opnieuw beginnen, waarna hij nooit meer dan één knecht in dienst zou hebben.
Rond 1918 was hij gaan schilderen en enkele jaren later sloot hij zich aan bij de roemruchte Groningse kunstenaarsvereniging De Ploeg, waar ook kunstenaars als Jan Wiegers, Johan Dijkstra, Jan Altink, Wobbe Alkema en Hendrik de Vries lid van waren. Terwijl de meeste Ploeg-leden bleven steken in het expressionisme of constructivisme, werd Werkman wel door deze richtingen beïnvloed, maar ontwikkelde hij een volkomen eigen beeldtaal. Vooral dankzij The Next Call vond Werkman aansluiting bij de internationale avant-garde, wat in 1930 leidde tot zijn deelname aan de tentoonstelling van de groep Cercle et Carré in Parijs. In de jaren daarna bewaarde hij echter een zekere afstand tot andere kunstenaars en moderne kunststromingen, wat niet zo moeilijk was aangezien hij in Groningen naar eigen zeggen ‘in een hoek [zat] waar bijna geen geluid doordringt’. Eind jaren dertig werd hij daar ‘ontdekt’ door Willem Sandberg, de conservator van het Stedelijk Museum te Amsterdam. Deze was onder de indruk van Werkmans geheel eigen stijl en zorgde ervoor dat hij in 1939 een solotentoonstelling kreeg in een Amsterdamse kunsthandel.
Het contact met Sandberg werd in de oorlog voortgezet en in mei 1941 ging Werkman op zijn uitnodiging voor een paar dagen naar Amsterdam, waar hij kennismaakte met een aantal kunstenaars, verzamelaars en kunsthandelaars. Bovendien nam Sandberg hem mee naar de bunker in de duinen bij Castricum, waar om veiligheidsredenen een groot aantal topstukken uit de collectie van het Stedelijk was opgeslagen. Diep onder de indruk van de schilderijen van Van Gogh, Matisse en Picasso en van de kring rond Sandberg maakte Werkman na terugkeer de prachtige reeks Amsterdam-Castricum, waarvan op deze tentoonstelling een aantal van de fraaiste bladen te zien is.

Hoewel in het Van Gogh Museum een flink aantal druksels uit de oorlogsjaren wordt geëxposeerd, ontbreekt het werk waarmee Werkman het bekendst is geworden. Dat zijn de uitgaven van de Blauwe Schuit, de clandestiene drukwerken in kleine oplages die Werkman, geholpen door vrienden, vanaf eind 1940 maakte. Ze bestaan meestal uit één gedicht of korte tekst, die indirect altijd verwijst naar de realiteit van de oorlog en de bezetting, waarbij Werkman niet alleen het zet- en drukwerk voor zijn rekening nam, maar er door middel van zijn illustraties en vignetten zelfstandige kunstwerkjes van maakte. De teksten – van onder anderen Nijhoff, Marsman, Vestdijk, Charles Péguy, Verlaine, Trakl en Maarten Luther – werden meestal door de overige ‘schippers’ van de Blauwe Schuit aangedragen, met name door predikant August Henkels. Zij zorgden ook voor de verspreiding van de uitgaven.
Het werk dat gemaakt werd in het kader van de Blauwe Schuit mag dan in het Van Gogh Museum ontbreken, het staat centraal in de tentoonstelling die momenteel te zien is in het Joods Historisch Museum. Het bijzondere van deze expositie is dat hier goed te zien is hoe deze uitgaven tot stand kwamen. Zo zijn verschillende brieven geëxposeerd die Werkman aan Henkels schreef, maar het gaat vooral om proefdrukken, die Werkman voorlegde aan de anderen en die later soms gewijzigd werden. Zo zien we de proef voor het omslag van Trakls gedicht Menschheit, waarop Henkels met potlood wat opmerkingen had gekrabbeld. Volgens hem moest de titel gecentreerd worden, maar bovendien had hij bezwaren tegen de voorstelling: ‘Kun je de apostelkop niet beter iets meer en face maken? En profile accentueert als vanzelf de neus zoo sterk, en dat is minder mooi.’ Wie deze prachtige, bijzonder eenvoudige en krachtige, in roodbruin uitgevoerde kop vergelijkt met een ander ontwerp, dat inderdaad en face is, moet constateren dat het goed was dat Werkman zich wat het beeldende aspect betrof niet te veel van zijn vrienden aantrok.
Hoogtepunt van de tentoonstelling, en van het complete oeuvre van Werkman, wordt gevormd door de twintig bladen van de zogenoemde Chassidische legenden, gemaakt nadat Henkels hem het boekje Die Legende des Baalschem van Martin Buber had gegeven. Deze verhalen gaan over de achttiende-eeuwse Poolse ‘wonderrabbi’ Israel ben Eliezer, ook bekend als Baäl Sjem Tov, de grondlegger van het chassidisme. Dat was een spirituele en mystieke reactie op de gortdroge, puur intellectualistische wijze waarop veel talmoedisten inhoud gaven aan het joodse geloof. Het chassidisme zocht God in vreugde, in opgewekte meditatie, in extase – en met zijn ijle, transparante, maar bijzonder ‘pakkende’ druksels wist Werkman zowel de angstige realiteit als de hoopvolle verwachting van dit geloof exact te treffen.

Doordat Werkman tijdens de oorlogsjaren veel contact had met anderen, die vrijwel allemaal buiten Groningen woonden, werd er over het totstandkomen van de Blauwe Schuit-uitgaven en ander werk druk gecorrespondeerd. De brieven van Werkman bevatten veel informatie over zijn werkwijze, de steeds moeilijker wordende omstandigheden waaronder hij moest werken, en zijn opvattingen over kunst en kunstenaarschap. Maar bovenal zijn ze mooi en ontroerend en schetsen ze een beeld van een wat verlegen, gereserveerde maar zeer emotionele man, met een feilloos oog voor wat echt en zuiver was en een enorme weerzin tegen flauwekul en pretenties. Een man die oprecht verbaasd was toen een bezoeker zei dat in zijn werk ‘het sociale vraagstuk’ ontbrak, en die vol tederheid beschreef hoe zijn volkomen nat geregende vrouw de drukkerij binnenkwam met het verzoek een brief uit te typen: ‘Nadat ik met de zakdoek een klein plaatsje op haar gezicht heb droog gemaakt om daar een zoen te plaatsen heb ik dat karweitje ook maar aangenomen in de hoop op een lekker bordje soep.’
Een bloemlezing uit deze brieven verscheen al in 1968 in de Privédomein-reeks van De Arbeiderspers, een uitgave die tweemaal herdrukt is, maar tegelijk met de opening van de tentoonstelling in het Joods Historisch Museum werd eind juni de volledige, wetenschappelijk verantwoorde uitgave van Werkmans brieven met betrekking tot de Blauwe Schuit gepresenteerd. Ruim twaalfhonderd bladzijden, in twee prachtig uitgegeven en voorbeeldig bezorgde delen, waarin alle besproken kunstwerken in kleur zijn afgedrukt. Samen met de onlangs verschenen oeuvrecatalogus vormen deze boeken een schitterend overzicht van het werk van deze unieke kunstenaar, die uit zijn brieven naar voren komt als iemand die even helder, oprecht, eenvoudig en eerlijk was als zijn druksels en typografische experimenten.
Hoewel het relatieve isolement waarin hij werkte en zijn tragische einde – hij werd drie dagen voor de bevrijding van Groningen door de Duitsers vermoord – ingrediënten vormen voor een sterk geromantiseerd beeld van Werkman, bestaat er weinig gevaar dat hij ‘te mooi’ wordt gemaakt, dat aan zijn werk een grotere betekenis wordt toegekend dan eigenlijk terecht is. Wie de tijd neemt om de kleine tentoonstellingen in de twee Amsterdamse musea te bezoeken en die ogenschijnlijk naïeve en terloops vervaardigde druksels te ondergaan, kan niet ontkennen dat Werkman een van de grootste Nederlandse kunstenaars uit de vorige eeuw was.

De tentoonstelling in het Van Gogh Museum is nog te zien tot 12 oktober, die in het Joods Historisch Museum tot 30 november.
Genoemde publicaties: Hendrik Nicolaas Werkman, Brieven rond de Blauwe Schuit, 1940-1945. Twee delen. Bezorgd en van annotaties voorzien door Frans R.E. Blom, Willem van Koppen en Mieke van der Wal. SUN, 672 en 576 blz., € 95,-; Diewertje Dekkers, Jikke van der Spek en Anneke de Vries, H.N. Werkman: Het complete oeuvre. NAi Uitgevers, 536 blz., € 69,-