Hoofdcommentaar: islam en homo’s

Bij een nieuwe kruistocht

Hoe homofoob is de islam nu eigenlijk? Hoewel verre van voorbeeldig is de koran vergeleken met de bijbel in ieder geval aanzienlijk zachtaardiger ten aanzien van gelijkslachtig verkeer. «Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!» weet de Heilige Schrift der christenheid in Leviticus 20:13.

De koran kent weliswaar een straatverbod voor lesbiennes («sluit haar in de huizen op totdat de dood haar achterhaalt, of totdat God een weg opent»), maar is verder aanmerkelijk minder bloeddorstig dan de bijbel, in zoverre dat er tenminste niet wordt opgeroepen tot directe liquidatie: «Als ze berouw hebben en zich verbeteren, laat hen dan met rust.»

Ook vergeleken met het boeddhisme springt de koran er qua homofobie nog redelijk uit. Zo kreeg de dalai lama het onlangs aan de stok met zijn achterban in San Francisco, waar zijn nauwelijks van het officiële standpunt van het Vaticaan afwijkende uitlatingen aangaande de vermeende onwenselijkheid van homoseksuele betrekkingen als «zonde tegen de schepping» slecht waren gevallen.

Toch wordt de dalai lama alom aanbeden als boegbeeld van menselijkheid. Een verband tussen het aantal gevallen van «potenrammen» en de uitbundige groei van het Tibetaanse boeddhisme in Nederland is in ieder geval nog nooit gelegd. De roep om inburgeringscursussen voor yogi’s uit het Oosten heeft vooralsnog niet geklonken.

Er zit dan ook iets dubbels in de heilige verontwaardiging die ontstond naar aanleiding van de op Bevrijdingsdag door Nova wereldkundig gemaakte homofobe opvattingen van de obscure Rotterdamse imam el-Moumni. Wat vooral opvalt, is de gretigheid in de collectieve woede die over de rug van de imam over de gehele islamitische bevolking in Nederland wordt uitgestort. Jarenlang opgekropte frustraties komen er nu in een lange stream of consciousness uit. Het is bijna alsof men er blij mee is.

In de Volkskrant van zaterdag 19 mei sprak GPV-socioloog Herman Vuijsje al warme woorden over de «positieve effecten» van de affaire-el-Moumni, die volgens hem «een fantastische win-win-situatie» heeft gecreëerd. Vuijsje sprak van een «mijlpaal van vrijmoedigheid» die is bereikt in het denken over de islam in Nederland. In het gerestylede Vrij Nederland werd het anti-el-Moumni-offensief aangemerkt als een historische ommezwaai, waar het weekblad maar meteen het «gelijk van Bolkestein», de pionier van het minderheden debat, aan koppelde.

Ook de overheid blijkt inmiddels ontwaakt. De nog immer naar nieuw emplooi speurende BVD kondigde een onderzoek naar alle imams in Nederland aan. De gebeds voorganger die niet probaat wenst in te burgeren, kan in de toekomst direct vertrekken, zo stelt de politiek fier. Ook weer zo'n teken van de «nieuwe vrijmoedigheid», die vooralsnog alleen wordt toegepast op de islamitische bevolking (het uitwijzen van vertegenwoordigers van het vrijmoedig homofobe Vaticaan kwam tot op heden niet aan de orde).

De tijd van de «benepen correctheid» (de uitdrukking is van Herman Vuijsje) is inderdaad voorbij. Voor het eerst na de oorlog wordt nu aangestuurd op een directe clash met een religieuze minderheid. Het enthousiasme waarmee het hoofddoekjesverbod ter redactie van het feministische orgaan Opzij werd begroet, was ook al zo'n teken aan de wand.

Het is het einde van een bepaald soort tolerantie en het legt blijkbaar geen windeieren. Zo schiet de oplage van Elsevier telkens weer spectaculair omhoog als het «failliet van de multiculturele samenleving» wordt verkondigd. Een voor bode van een nieuw autochtoon fundamentalisme?

De gevaren die aan al deze «nieuwe vrijmoedigheid» kleven zijn tot dusver onderbelicht gebleven. Het stellen van scherpe grenzen en het zoeken naar zo pregnant mogelijke verschillen, zoals het naar voren schuiven van een karikaturale rand figuur als el-Moumni, lucht misschien tijdelijk op, maar gaat ondertussen wel voorbij aan de complexe realiteiten die met de multiculturele samenleving samenhangen. Wie daar omwille van «duidelijkheid» aan voorbij wenst te gaan, vist al snel in troebel water. Wie geen ruimte wenst te geven aan de dubbele identiteit van de allochtoon zal in de praktijk al snel even onverdraagzaam opereren als de imam uit de Maasstad. Die «nieuwe vrijmoedigheid» slaat dan naar te vrezen valt al snel om in een nieuwe hufterigheid.

Hoe het ook kan werd deze week bewezen door het kabinet, dat in de goedkeuringswet voor het huwelijk van de kroonprins met Máxima Zorreguieta geen enkel probleem maakte van de dubbele nationaliteit van de nieuwe prinses der Nederlanden. Aangezien het volgens de Argentijnse wetgeving blijkbaar niet mogelijk is dat een ingezetene van dat land zijn of haar nationaliteit verliest, krijgt Máxima zowel een Nederlands als een Argentijns paspoort.

Sterker nog, tijdens de huwelijksplechtigheid van Constantijn en Laurentien liet Beatrix zich per ongeluk ont vallen dat Máxima al Nederlands is geworden, en wel bij koninklijk besluit, nog voordat de Kamer zich daarover heeft kunnen buigen.

Een dergelijke tolerantie en voortvarendheid is voor alle andere allochtonen in Nederland vooralsnog niet weggelegd. Maar als de wet in Nederland voor iedereen gelijk is, is dat probleem in elk geval snel van de baan.