INLEIDING

Bij een Scenarioprijs voor Satire

De beste manier om met een boek, een film of een speech te beginnen, zei Kurt Vonnegut jr. altijd, is met een grap.

Bij deze aldus een mop, waarbij de rol van de lezer alvast is ingevuld: waarom wil de paus niet gecremeerd worden?
Lezer: Dat weet ik niet.
– Omdat hij nog niet dood is.
Goeie grappen zijn belangrijk omdat ze inspelen op de meest menselijke emoties. Wij zijn zulke brave schoolkinderen, geconditioneerd om keurig te doen wat van ons gevraagd wordt. Het moet in onze hersenen slijten, al die jaren van proefwerken, tentamens, examens. We krijgen de vraag en we willen ’m beantwoorden. Waarom wil de paus niet gecremeerd worden, en we gaan er echt over nadenken. Zou het met katholieke voorschriften te maken hebben? De Wederopstanding uit Openbaringen? We vragen het ons echt af. Wat zegt de Belg tegen de Duitser? Wat zegt de voetbalcoach tegen Paulus bij de hemelpoort? Hoe maken koeien chocolademelk?
En dan komt het tweede gedeelte van de grap en hé!, we hoefden helemaal niet na te denken: ‘Omdat hij nog niet dood is’, ha!, dat konden we onmogelijk verzinnen. We lachen, want eindelijk wordt ons een vraag gesteld waar we niet onze intelligentie voor moeten aanspreken.
Het wordt echter een heel ander verhaal als het tweede gedeelte van de vraag wegblijft, als we de premisse van de grap krijgen, maar het verlossende antwoord in het luchtledige blijft:
– Waarom wil de paus niet gecremeerd worden?
Het is meteen duidelijk dat dit zonder antwoord helemaal niet grappig is, het is eerder verontrustend, alsof we de paus iets naars toewensen. Maar neem een betere premisse, geef er geen antwoord op, en de vraag blijft als een donderwolk boven ons hangen. Woody Allen heeft een oeuvre dat vol zit met zulke situaties en het beste voorbeeld komt uit zijn grappigste film, Annie Hall (1977). Het bestaat uit één regel tekst: een verstokte New Yorker reist naar het volgens hem leeghoofdige Los Angeles, om met een oude vriend een feestje te bezoeken. De camera pant langs de rijke, indolente gasten en blijft hangen op een jongen (een piepjonge Jeff Goldblum), die waarschijnlijk net zijn goeroe opbelt: ‘Hello? I forgot my mantra.’
Hier betreden we, volgens mij, het domein van satire. Het is een oneliner die een heel milieu bespot, maar het is geen clou. En hier zien we ook het verschil tussen een grap en satire: waar de clou van een grap uit mentale vingervlugheid voorkomt, heeft satire altijd iets gereserveerds, het heeft iets bedachts – het is bij uitstek het domein van schrijvers.
Daarom is het helemaal geen slecht idee van de Lira Scenarioprijs, voor het eerst uitgereikt in 1993, om dit jaar het thema ‘Satire’ te nemen. De laatste jaren kenden een terugkeer van de satirici op de Nederlandse televisie. Tussen de hoogtijdagen van oppersatirici Koot & Bie en nu zit inmiddels een hele generatie, dus scenarioschrijvers kunnen hun gang gaan zonder die eeuwige vergelijking te moeten vrezen. En misschien vraagt de tijd er ook wel om: in een tijd waarin het publieke debat feller wordt en de meningen steeds verder uit elkaar lopen, is er steeds meer vraag naar relativerende humor. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan; satire is op eieren lopen. Als het te expliciet is, is het niet leuk. Is het te impliciet, dan snapt niemand het. Scenarioschrijvers zijn evenwichtskunstenaars. En sommige kunnen dat op heel hoog niveau.