Begenadigd toneelmeester

BIJ HET AFTREDEN VAN GERRIT ZALM

‘Vreugdeloos maar efficiënt’ – zo karakteriseerde de Financial Times begin deze maand Gerrit Zalm. Het artikel trachtte een rangorde aan te brengen onder de twaalf ministers van Financiën van de eurozone. Zalm kwam maar liefst als tweede uit de bus en niet alleen op fiscale gronden. Nu de langstzittende minister van Financiën in Buitenhof heeft bekendgemaakt dat hij zich terugtrekt uit de politiek, zal Nederland zich hem vooral herinneren als de rekenmeester die zij naam wist te verbinden aan een onverbiddelijke uitgavennorm. Dat imago heeft hij gecultiveerd, voor zover dat nodig was in een land dat toch al een traditie van zuinige gezinshoofden op Financiën heeft. In het eerste Paarse kabinet liet hij zich erop voorstaan nooit één opmerking van sociale aard te hebben gemaakt. Het verhaal gaat dat Hans van Mierlo, behalve minister van Buitenlandse Zaken ook kwaliteitsbewaker van dat kabinet, in de ministerraad eens opmerkte dat zelfs de minister van Financiën hart voor cultuur had, waarop Zalm hem toevoegde: ‘Dat neem je terug. De opmerking dat ik een hart zou hebben, is een ernstige beschuldiging.’

Het FT-artikel bevestigt zijn fiscale rechtlijnigheid. Aan de monetaristische meetlat (belastingdruk, aandeel publieke sector, inflatie) gemeten eindigt Zalm als tweede achter zijn Ierse collega Brian Cowen en op gelijke hoogte met de Fin Eeno Heinäluoma. Maar in een enquête onder FT-correspondenten over de politieke effectiviteit van de onderscheiden ministers staat Zalm opeens bovenaan, samen met Jean-Claude Juncker van Luxemburg. Kennelijk zijn de buitenlandse collega’s nog niet vergeten hoe Zalm in 2002 vrijwel eigenhandig zijn partij redde van de electorale ondergang. Hoewel hij zijn aandeel in de val van het eerste kabinet-Balkenende altijd heeft gebagatelliseerd, zijn bijna alle versies van de gebeurtenissen op die geruchtmakende 16 oktober 2002 eensluidend: niemand anders dan Gerrit Zalm heeft ‘de stekker eruit getrokken’.

En hij heeft die ingreep zorgvuldig voorbereid, in afwachting van het moment waarop de LPF de allerlaatste cent van het politieke kapitaal van wijlen Pim Fortuyn zou hebben verspeeld. Als enige van de Paarse politici beschikte Zalm over de politieke intuïtie om de Fortuyn-revolutie te laten uitrazen en vervolgens de nek om te draaien. Daarbij opereerde hij behoedzaam doch kwaadsappig zoals hij dat op Financiën had geleerd. Het feit dat hij tijdens het tweede kabinet-Kok de nicotine had afgezworen, om precies te zijn op 26 april 1999 om klokslag twaalf uur, was er volgens ingewijden ook niet vreemd aan. Zalm, toch al geen lachebekje, werd er buitengewoon narrig van: ‘Ik raad het iedereen af. Een financieringsoverschot krijgen is makkelijker dan stoppen met roken.’

De nicotinehonger moet hem extra energie hebben gegeven. Nadat zijn links-liberale lijsttrekker Dijkstal op 15 mei 2001 door de kiezers was afgeserveerd, rekende Zalm het als diens opvolger tot zijn taak om de VVD weer ‘smoel’ te geven. Daarvoor moest om te beginnen de aanstormende LPF zo gauw mogelijk regeringsverantwoordelijkheid krijgen opdat de politieke en personele incompetentie van de partij aan het licht zou komen. Geflankeerd door de onervaren Balkenende ter linker- en de al even onervaren LPF-leiding ter rechterzijde kon Zalm zo ongeveer in hemdsmouwen het Strategisch Akkoord voor de nieuwe coalitie dicteren. Zelf werd hij echter geen minister, en niet alleen vanwege zijn Paarse voorgeschiedenis.

Zalm had van Frits Bolkestein geleerd dat de macht in de Tweede Kamer ligt. Bolkestein zette in 1994 het eerste paarse kabinet op de rails maar bleef zelf in de Kamer zitten om van zijn rechterflank te dekken en debatten over controversiële thema’s aan te jagen. Bolkesteins opvolger Dijkstal werd wél minister en vergroeide binnen de kortste keren zo met zijn paarse coalitiepartners dat de kiezer geen verschil meer zag. Hij leerde ook van Bolkesteins fouten. De spraakmakende VVD-leider zette zijn woorden zelden om in daden, terwijl kiezers resultaat verwachten. Het uitblijven daarvan voedde de zegetocht van Fortuyn tegen Paars. Om dat te begrijpen, hoefde Zalm niet ‘de wijken in te gaan’ zoals Pvda-politici elkaar na 15 mei 2001 beloofden. ‘Fortuyn ging nooit de wijk in, maar wist wél wat er leefde,’ aldus Zalm: ‘Melkert heeft in verkiezingstijd meer wijken bezocht dan Fortuyn in zijn hele leven, maar hij heeft het blijkbaar toch niet aangevoeld.’

Wat dat laatste aangaat had Zalm (Enkhuizen, 1952) een natuurlijke voorsprong: hij kwam zelf uit ‘de wijken’ of wat daar in socialistisch idioom voor doorgaat. Als vijfde zoon van een West-Friese kolenboer stond hij ook nog eens onderaan de familiaire pikorde. Dat moet geen pretje zijn geweest, te meer omdat hij als enige van het gezin ging studeren. Eind jaren negentig werd hij in de talk show van Paul de Leeuw volledig weggespeeld door zijn vijf jaar oudere broer Sjirk, een schoenverkoper die zich achter een pilsje posteerde en de schaapachtig lachende Gerrit in zijn dure krijtstreepje de ene vlieg na de andere afving.

Zalm is zijn ouderlijk milieu niet vergeten, al is hij het in alle opzichten ontgroeid. Hij studeerde economie aan de VU, verbrak op zijn achttiende de knellende banden met de Hersteld Apostolische Zendingskerk en ging in de jaren zeventig als militant PvdA-lid met rode ballonnen langs de deur. Hij demonstreerde tegen de Vietnam-oorlog, tekende petities tegen de Portugese politionele acties in Angola en Mozambique en werd gearresteerd toen hij posters plakte voor een boycot van Albert Heijn. Pas als ambtenaar bij Financiën, waar hij in 1975 in dienst trad, verloor hij zijn wilde haren. In 1984 stapte hij over naar de VVD.

De liberale beginselverklaring die hij bij de algemene beschouwingen in 2002 aflegde, was een volgende slimme zet. Hij profileerde zich niet alleen tegenover de LPF, maar ook tegenover het CDA en zelfs zijn eigen VVD-ministers. Zijn openingswoord was een soort intellectueel reisverslag waarin hij verantwoording aflegde voor zijn ideologische omzwervingen, een waagstuk waarvoor hij zelfs door Jan Marijnissen werd gecomplimenteerd. Alinea voor alinea nam Zalm afstand van zijn gereformeerde opvoeding en de bijbehorende opvattingen over soevereiniteit in eigen kring; van het socialisme dat hij in zijn studietijd uitdroeg; van de bureaucratische meet- en regeldrift die hem als topambtenaar en later als CPB-directeur aankleefde; van de paarse consensus politiek die door de kiezer zo hardhandig was afgestraft, en niet in de laatste plaats van de terughoudendheid die hij tijdens zijn Paarse ministerschap in acht nam. Indien nodig zou hij tegen zijn ‘eigen’ kabinet keihard oppositie voeren: ‘We zullen de ministers beoordelen op hun prestaties en niet op de schoonheid van hun ballonnen.’

In die laatste uitspraak zat de angel. Zalm wist dat de LPF zou stuklopen op zijn eigen verdeeldheid en dat de LPF-bewindslieden vroeg of laat kolossale fouten zouden maken. Pas wanneer de publieke opinie daarvan overtuigd was, kon de VVD hopen de verloren zetels terug te winnen. Dat moment kwam op woensdagochtend 15 oktober 2002. Terwijl de LPF in totale verwarring verkeerde en CDA-fractieleider Verhagen amechtig in de touwen bleef hangen, begaf Zalm zich resoluut naar het Torentje om Balkenende te vertellen dat zijn partij er geen vertrouwen meer in had. Een dag later werd hij door journalisten in zijn werkkamer gesignaleerd met een Barclay tussen de lippen: ‘Wat wil je ook met zo’n kabinet! Nee, dat is een grapje. Ik ging voor de bijl toen ik mijn tekst moest schrijven voor de algemene beschouwingen.’

Wie, zoals de Financial Times, meent dat Zalm een vreugdeloos mens is, begrijpt zijn sardonische humor niet. In de volgende dagen en weken werd hij keer op keer omstuwd door journalisten die telkens dezelfde vraag stelden: had hij de LPF ‘gepiepeld’? Dan trok Zalm een van zijn onnavolgbare grimassen, knipperde met zijn luie linkeroog en verzuchtte terwijl hij zijn grote, vierkante Jan-Klaassenhanden hulpeloos ten hemel hief: ‘Er is veel te veel gedoe in die partij geweest. Vorige week beweerden ze nog dat ze op één lijn zaten; achteraf blijkt dat ook weer een toneelstukje te zijn geweest. Nou, dan knapt er iets.’ In werkelijkheid was er natuurlijk iets ‘geknapt’ bij de achterban van de LPF, die op dat moment in de peilingen nog maar op vijf zetels stond.

Met Gerrit Zalm verliest de VVD-top niet alleen een kundig fiscalist, maar ook een begenadigd toneelmeester met een grote politieke intuïtie. En een stemmentrekker, ook al dankte hij die kwaliteit niet in de eerste plaats aan een hartveroverende glimlach. Samen met Henk Kamp behoorde Gerrit Zalm tot de laatste VVD-leiders met een zelf bevochten politieke overtuiging die zich niet liet wegmasseren door focusgroepen, mediacoaches en adviesbureaus.