Bij het overlijden van een op dit moment onbekende dichteres

Martin Reints staat stil bij zijn favoriete werk van Lela Zečković.

Vrijdag 9 februari is Lela Zečković overleden, in Trieste. In de top-tien van mijn lievelingsgedichten staan twee van haar gedichten. Daarmee wijkt mijn persoonlijke voorkeur nogal af van wat zo vreselijk wordt genoemd ‘de canon’. Zečković is op dit moment als dichteres niet bekend. Maar als ik tien boeken mee mag nemen naar het spreekwoordelijke onbewoonde eiland zou ik haar tijdschriftpublicaties meesmokkelen in haar bundel.

Haar Nederlandse debuut Belvédère uit 1981 werd bekroond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs. Daarna kwamen er alleen nog een paar losse publicaties: in Raster, De Revisor, de NRC en een boek over Amsterdam-Zuid dat werd uitgegeven door Het Martyrium. Bij mijn weten heeft ze na 2000 geen eigen werk meer gepubliceerd.

Voor mij is een blijvend hoogtepunt haar Brief. Ze las het in 1983 voor bij de prijsuitreiking in het Odeon-theater aan het Singel en ze publiceerde het in 1984 in De Revisor. Ze heeft het ook eens voorgelezen in de Nacht van de poëzie.

Brief

In het postkantoor, in Florence,
het postkantoor bekend om zijn schoonheid,
op een avond, aan een enorme, lege tafel
zit een beeldschone man
en schrijft een brief.
Verlicht door melkachtig schijnsel
uit een tafellamp.

Tussen hem en de wereld staan:
de rand van de tafel,
wijdopenstaande deuren,
in schaduw verzonken ruimte
onbegaanbaar als een rivier
vol draaikolken.

In een film hadden ze deze scène
ingekort met een kogel door zijn
nobel voorhoofd of door de binnenkomst
van een beambte.

Het begint met een totaalbeeld, en het zoomt rustig in op een briefschrijver. Tot het haast een genreschilderij uit de zeventiende eeuw wordt: de verstilde omgeving met iemand die zich concentreert op wat hij zit te schrijven. In de woordkeus is het op een bijna belachelijke manier twintigste-eeuws. Dat postkantoor, ‘bekend om zijn schoonheid’! Dat moet wel uit een slechte reisgids komen. En dan is die man ook nog eens beeldschoon’. Iedere schrijver weet dat je de woorden ‘schoonheid’ en ‘beeldschoon’ niet kunt gebruiken, en al helemaal niet zo vlak na elkaar. Maar dit soort regels zijn er om te worden doorbroken als je daar zin in hebt. Zečković was daar erg goed in.

De schrijver van de brief is niet in onze wereld, maar in zijn eigen wereld. In een ruimte waar om het zo te zeggen alleen dwazen binnenstappen en waar engelen geen voet durven te zetten. Tussen hem en de wereld staat eigenlijk niets: je wordt tegengehouden door ‘wijdopenstaande deuren’. Maar het is een rivier vol draaikolken, daar in het postkantoor van Florence.

Een tijdloze scène als in een schilderij: hoe lang is dit al aan de gang, hoe lang duurt het nog voort? Je vergeet de tijd, en de tijd speelt ook geen rol. Een gedicht is geen verhaal. Dat benadrukt Zečković door een vergelijking met de filmkunst, die juist wordt beoefend door echte verhalenvertellers. In een film moet er een einde komen aan deze scène, geeft niet hoe. En dan past Zečković deze filmische ingreep toe op haar gedicht, en laat en passant zien dat een kogel door dat beeldschone voorhoofd gelijkwaardig is aan de binnenkomst van een beambte. Schokkend, maar raak.

In zulke overrompelende typeringen was ze sterk. Ik moet denken aan mijn andere lievelingsgedicht van haar: Moeder en dochter, ook in De Revisor. Daarin zegt ze van de vrouw van een magistraat: ‘Zij houdt niet van hem./ Zijn huid stinkt naar gezag en angst.’

Lela Zečković werd in 1936 geboren in Varaždin (Kroatië). In 1953 leerde ze op het eiland Krk Hans Faverey kennen, die was toen negentien of twintig. Hij stuurde haar The Waste Land van T.S. Eliot, zij stuurde hem A Sentimental Journey van Laurence Sterne. Zes jaar later kwam ze naar Amsterdam. Ze doceerde aan het Slavisch Seminarium en bij Vertaalkunde. Uit Faverey’s nagelaten werk stelde ze de bundel Springvossen samen. Over hun boekenverzameling schreef ze in De vijver in het meer: De bibliotheek van Hans Faverey (2008). Ik ben beschroomd haar hier op te voeren als de weduwe van Faverey, want je moet haar werk op zijn eigen merites beoordelen. Ik had altijd gehoopt dat ze nog eens zou publiceren. Ze wordt binnenkort gecremeerd in Zagreb.