2007 De Sahel Opera

Bij het prikkeldraad

Een bijzondere rol in Bintou Wéré, de door prins Claus zo gekoesterde droom van een Sahel Opera, is weggelegd voor de griot, de dichter-zanger die de bewaarder is van seculiere, mondeling overgeleverde verhalen.

De Sahel Opera opgevoerd in het Théâtre du Châtelet. Parijs, 2007 © Marie-Noëlle Robert

Het was een lang gekoesterd visioen van prins Claus: een opera gemaakt door Afrikanen, over de ‘doornige’ verhouding tussen ‘noord’ en ‘zuid’, tussen Europa en Afrika. In 2007, vijf jaar na zijn overlijden, ging die opera in première in Bamako, Mali, aan de oever van de Niger, en reisde de wereld rond. De thematiek ervan is sindsdien alleen maar actueler geworden, en de visie van de prins evenzeer: ‘Afrika kan zingen, het kan dansen, laat het uiting geven aan zijn eigen opvattingen over de Afrikaanse situatie.’

De opera had een bijzondere ontstaansgeschiedenis die jaren in beslag nam. Niemand bij het Prins Claus Fonds wist hoe je een opera zou moeten produceren in een deel van de wereld waar ‘opera’ niet bestaat. Voor het libretto en de muziek werd geadverteerd in verschillende landen in de regio; een internationale jury met vooraanstaande leden uit Ghana, Zuid-Afrika, Congo, Frankrijk, Nederland en de Verenigde Staten begeleidde het selectieproces.

Dat bleek zeer gecompliceerd. De eerste voorstellen waren in allerlei verschillende talen gesteld, het ene libretto behandelde gedwongen huwelijken, een tweede pedofilie, een derde vertelde een verhaal over een slang en een man die uit hetzelfde ei geboren werden. Vier componisten kwamen uit het proces als gelijkwaardig naar voren, maar niet allen beheersten muzieknotatie, de ene gebruikte een pentatonische schaal, de andere een heptatonische – enzovoort.

Dat was lastig kiezen, en in dat proces kwamen precies de heikele punten naar boven die Prins Claus graag wilde aansnijden: de dominante positie van westerse culturele vormen, ontwikkelingshulp als uiting van blanke suprematie, de cultuur van de Sahel die staatkundige grenzen overschrijdt, de autonomie van de Afrikaanse kunstenaars en – om nog maar wat te noemen – het gebruik van de taal van de kolonisator, Frans, die in de Sahel lingua franca is, maar daarmee juist het eigene van al die talen en culturen met een Europese deken overdekt. Uiteindelijk kwam er uit vier verschillende proposities één voorstelling tot stand, geschreven door Koulsy Lamko uit Tsjaad en Wasis Diop uit Senegal – in vier verschillende talen – met muziek van Zé Manel uit Guinee-Bissau.

Het verhaal was en is actueel: de migratie van asielzoekers, economische gelukzoekers en vluchtelingen. Een groep Sahel-bewoners, aangevoerd door een zwanger meisje, Bintou Wéré, een voormalige kindsoldaat, trekt uit wanhoop over hun uitzichtloze situatie door de woestijn naar Melilla, de Spaanse enclave in Marokko, op zoek naar toegang tot Europa. Een mensensmokkelaar leidt de groep. Onderweg moet Bintou Wéré haar ongeboren kind beschermen tegen mannen die claimen de vader te zijn, inclusief de man die haar verkrachtte. De tocht faalt: het kind wordt ‘bij het prikkeldraad’ geboren, de moeder sterft. Voordat zij de laatste adem uitblaast, werpt zij het kind over het prikkeldraad naar het Afrikaanse continent. De groep keert terug naar ‘het hart van Afrika’. Het is muziektheater met een boodschap, geheel vormgegeven door Afrikaanse kunstenaars; de choreografie is levendig, de scenografie is sober – alles speelt zich af in de woestijn – en alleen enkele veelzeggende rekwisieten worden in de vertelling ingezet, zoals de ladder, als voorbeeld van de machteloze verwachting de barrière van Melilla te kunnen overwinnen. De hoofdrol werd in 2007 vervuld door Djénéba Koné, een jonge danseres en actrice uit Ségu. Zij schitterde in Bamako bij de première; helaas kwam ze in 2011 bij een auto-ongeluk in Mali om het leven.

Een bijzondere rol in de opera is weggelegd voor de griot, de dichter-zanger die in de Sahel-regio de bewaarder is van seculiere, mondeling overgeleverde verhalen. Griots raken in hun eeuwenoude vormen van verhalen vertellen aan een ‘magische kosmogonie’; lokale rituelen, begrafenissen, rites de passage en ceremonies zijn alleen te begrijpen in relatie tot een ‘mythische tijd’, aldus Lamko. Door de modernisering van de Afrikaanse samenlevingen is de griot op de achtergrond geraakt. Islam, christendom en het koloniaal bestuur hebben die oude status bestreden. In de Sahel Opera werd de griot echter herboren, en zijn immaterieel erfgoed werd door jonge dichters, folkzangers en rappers naar de wereld van vandaag gebracht.

‘Prins Claus kon Afrikaan met de Afrikanen zijn (“Ik ben eigenlijk een oude Afrikaan”)’

De Sahel Opera was een van de zeer schaarse projecten in Afrikaanse podiumkunsten waar de problematiek van de Sahel-regio vanuit een Afrikaans perspectief werd getoond. Het blijft natuurlijk frappant dat het idee afkomstig was van een prins, een geboren Duitser, echtgenoot van een koningin, maar prins Claus had natuurlijk een kleurrijk en veelstrengig dna: opgegroeid in Oost-Afrika, ambassadesecretaris in Ivoorkust, gewerkt op de sectie ‘economische betrekkingen met Afrika ten zuiden van de Sahara’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn.

In Afrika moet hij tegelijkertijd het gezicht zijn geweest van het oude, koloniale Europa én van het nieuwe Duitsland, dat in die periode een relatie met de ontwikkelingslanden zocht. Dat meervoudige kon hij goed aan; zijn denkwereld werd na zijn overlijden in 2002 door Herman Tjeenk Willink, vice-voorzitter van de Raad van State, gekarakteriseerd als ‘zuiver humanistisch’: ‘Op basis van die humanistische traditie kon hij Nederlander met de Nederlanders worden, Duitser met de Duitsers blijven en Afrikaan met de Afrikanen zijn (“Ik ben eigenlijk een oude Afrikaan”).’

Vaak is over het hoofd gezien dat prins Claus inzake ontwikkelingssamenwerking buitengewoon goed onderlegd was en dat hij er vooruitstrevende ideeën over had. Zijn bemoeienis met het project is wel eens beschouwd als de dure hobby van iemand die vastzat in het staatsrechtelijk panopticum dat wij ‘koninklijk huis’ noemen. In 2002 brak Tjeenk Willink de staf over de ‘angsthazige’ invulling van ministeriële verantwoordelijkheid, die Claus had gedegradeerd tot lintenknipper (‘onze core business’, zoals de prins later zei).

Maar zijn visie op ontwikkeling was wel degelijk relevant en werd internationaal herkend, ook in het culturele veld. In Okwui Enwezor (1963-2019), de meest invloedrijke tentoonstellingsmaker en curator van zijn generatie, had prins Claus bijvoorbeeld een directe geestverwant. Enwezor was vanaf het begin betrokken bij het Prins Claus Fonds. Hij bracht vanaf de jaren negentig met ongebroken ijver de cultuur van Afrika naar het hart van de kunstwereld, in het bijzonder als directeur van Documenta 11 in 2002, en de Biënnale van Venetië, All the World’s Futures, in 2015. Afrikaanse kunsten stonden centraal in zijn presentaties, niet alleen om de kleurenblindheid en Oost-Indische doofheid van het almaar voortsudderende eurocentrisme tegen te spreken, maar om ook te laten zien dat de manier waarop cultuur ‘van elders’ zich manifesteert eindeloos veel verschillende manieren en methoden kent – historische, logistieke, artistieke, theoretische, taalkundige en politieke. Hij liet zijn grote projecten daarom gepaard gaan met studie naar de diversiteit aan kaders, waarbinnen de cultuur van het Afrikaanse continent en de Afrikaanse diaspora zou kunnen worden gewaardeerd.

Zijn tentoonstellingen waren natuurlijk ook onderdeel van de reactie, in het ‘postkoloniale’ deel van de wereld, op het conventionele bolwerk van westerse culturele dominantie, maar die reactie was niet alleen maar politiek, niet alleen maar een respons op ongelijkheid en machtsmisbruik. De essentie van die culturele dominantie, de werkelijke macht, lag (en ligt) in het monopolie op de constructie van betekenis. De westerse kunstwereld beheerste en beheerst de taal van de cultuur, en schept de kaders, de criteria en de tegenstellingen. Neem het idee van ‘moderniteit’ en ‘moderne’ kunst: Afrikaanse kunst werd en wordt daar tegenover gezet, en ‘traditioneel’ genoemd, een subtiele manier om het ene van het andere te onderscheiden, maar in feite een machtsverhouding, een tegenstelling waar Afrikaanse kunstenaars zich tegen wil en dank toe moeten verhouden.

In die visie stonden Okwui Enwezor en prins Claus opvallend dicht bij elkaar. Voor beiden was kunst – een tentoonstelling, een opera – een ‘analytische lens’, een denkmachine om te leren hoe je om moet gaan met de erfenis aan rampspoed die het westerse kapitalisme en de koloniale uitwassen daarvan aan de wereld heeft nagelaten, en wat ‘all the world’s futures’ zoal zouden kunnen zijn. Het ontstaan van de Sahel Opera is één van die ‘futures’: een poging om iets tot stand te brengen dat buiten de macht van de bestaande instituten – westers of lokaal – betekenis kon krijgen, uitsluitend door de bijdrage van de kunstenaars. Vrijwel niemand in het project, de producenten, het artistieke team, de zangers noch de dansers, had ooit een opera gezien: er was geen opgelegde definitie.

De Sahel Opera was een succes. Er volgden na Mali voorstellingen in Senegal, Burkina Faso, Mauritanië, Amsterdam en Parijs. De librettist Koulsy Lamko legde in een publicatie over de opera uit 2017 de vinger op de nog altijd ongebroken macht van westerse culturele instituten, hun onvermogen om de diversiteit en meerlagigheid van de Afrikaanse ervaring op waarde te schatten, en de neerbuigende blik op postkoloniale cultuur. Hij wijst op een curieus effect: lokale kunstenaars in Afrika keren zich van die westerse modellen af, verbinden zich in een verzet tegen koloniale acculturatie en verzanden vervolgens in een sektarisch idee over ‘authenticiteit’ – wat ook al onvruchtbaar is, zegt Lamko: ‘Als er zoiets als “het globale” zou bestaan, dan zou dat het samengaan van alle periferieën in één cultuurontmoeting moeten zijn, het eindtotaal van alle eigenaardigheden van de wereld.’

In 2018 werd Bintou Wéré opgevoerd in Palermo, in het kader van de reizende Biënnale ‘Manifesta’, in aanwezigheid van prins Constantijn en prinses Beatrix. Palermo is een brandpunt in de opvang van migranten uit Afrika; vluchtelingen uit de kampen vormden het koor. Spaanse tanks bewaken inmiddels de afrastering rond Melilla.