Opheffer

Bij Klaas

Nederland, zo denkt men in het buitenland, wordt mettertijd een groot themapark. Chinezen en toeristen uit India komen hier om naar onze dijken te kijken, om klompen te zien maken en om te zien hoe wij hasj verkopen en hoeren achter rood verlichte ramen hebben.

Als natie hebben we over een tijdje niets meer te betekenen. We zijn klein, blijven klein, en wat we ook doen, we zullen altijd ondergeschikt blijven.

De laatste theorieën zijn dat heel Europa een themapark wordt. Alleen de toeristenindustrie zal overblijven. We worden de Grieken van de wereld. China en India de Romeinen. Fransen, Spanjaarden, Duitsers – het stelt allemaal niks voor, want de bevolking veroudert, de economische spankracht neemt af, de energie wordt te duur en raakt op en daarbij laten we ons overlopen door de islam, die het hier binnen niet al te lange tijd voor het zeggen krijgt.

Ben ik naïef dat ik dit niet geloof?

Ik heb altijd een vermoeden dat we slimmer zijn dan de rest, dat Nederland en Europa meer intelligente gekken en idioten telt dan heel China en India bij elkaar – maar terwijl ik dit opschrijf, weet ik ook dat dit een onzinnig geloof is.

De rol van Europa. Hoe moet ik daarover denken?

Ik weet het niet.

Ik ben nog uit de tijd dat mijn grootvader mij vertelde dat hij er weken en weken over deed om naar Parijs te lopen. Dat waren spannende verhalen over slecht verlichte herbergen in België waar je een half bed kon huren, zodat je met een totaal onbekende in één bed lag te slapen (‘En ik ontdekte dat de man zijn laarzen nog aan had!’). Parijs was het andere eind van de wereld.

Mijn ouders beschreven New York eens met huizen die zo hoog waren dat ze wel ‘honderd keer’ ons huis waren. ‘En als je op een knop drukte, dan kwam er water uit een kraan.’ Het zijn dezelfde verhalen die ik nu hoor over Peking en Bombay. (‘Iedereen kijkt daar al televisie op zijn mobiele telefoon.’)

Hoe hoog kunnen de huizen worden in Peking en Bombay, en welke innovaties zullen nog indruk wekken? Hoe definieer je vooruitgang?

Vriend Klaas is gisteren 54 jaar geworden. Hij werkte tot een paar jaar geleden bij de omroep. Interesseerde zich voor filosofie en literatuur, had een groot politiek engagement, was getrouwd, ging wel eens vreemd – kortom: een aardige vent. Hij ging zich verdiepen in de wereld, wilde daar programma’s over maken, maar de omroep wilde de hele dag Frans Bauer en de Selvera’s horen en was niet geïnteresseerd in de opkomst van China en India. En nadat zijn vrouw was gestorven aan borstkanker, zijn kinderen oud genoeg waren geworden om voor zichzelf te zorgen, trok hij de consequentie van alles wat hij had gelezen, verkocht zijn huis in Oud-Zuid en schafte zich voor anderhalve ton een boerderijtje in Frankrijk aan, had vervolgens nog anderhalve ton op de bank staan en leeft nu ‘als een vorst’ van negenduizend euro per jaar. Tot zijn pensioen zit hij dus ‘gedekt’. (’s Ochtends opstaan, in café koffie met croissant, ’s middags omelet met stokbrood en ’s avonds steak frites of een andere plat du jour.) Ik neem oude Groenes voor hem mee die hij van a tot z leest. Hij heeft ook seks. Een jaar geleden kreeg hij kennis aan een vrouw van dertig jaar die net zo wilde leven als hij. Ze doet geloof ik niet aan ondergoed. Zij onderhoudt de tuin. Als ik bij ze ben, ben ik gelukkig, maar ik word er ook gek van.

Ik kan niet zo leven, al weet ik dat dit het antwoord is op alle levensvragen. Hier zijn inderdaad geen fundamentalisten, geen Chinezen met hedgefondsen en geen Indiase callcenters. Hier heerst de rust van mensen die alles hebben opgegeven en hun cynisme botvieren door een monnikenbestaan. Hier is geen Europa, geen themapark, maar er is eigenlijk ook geen verhaal.

‘Hoe denk je over Europa?’ vraagt Klaas mij.

‘Ik ben positief gestemd’, zeg ik, ‘we gaan een spannende tijd tegemoet. Ik denk dat we beter zijn dan China en India en Amerika bij elkaar.’

Hij schudt zijn hoofd. Het is half twee in de middag – tijd voor de witte wijn.