Bij nacht en ontij opgepiept

Alex van Warmerdam
Van alle kanten komen ze
Nieuw Amsterdam, 64 blz., 16,90,-

Medium cover

VAARWEL MIJN LIEFSTE

Ik heb een vredelievende jurk voor je gekocht

op het aanrecht ligt een kilo thee

je lievelingsmes heb ik laten slijpen

en dat behang uit Zwitserland komt eraan

De man van de overkant

weet je wel die alpinist

houdt een oogje in het zeil

laat de luifel zakken

en hij komt onmiddellijk langs

dat heb ik met hem afgesproken

nee, hij is niet eng

hij was vroeger priester

Heb je geldtekort

verkoop die Tytgat

vraag daaromtrent aan Anton raad

zeg de jongens als ze groot zijn

dat ze de schuur maar beter kunnen slopen

dat ze modern moeten zijn

anders worden ze weggevaagd

Beloof me nooit mijn post te openen

ik moet gaan

Dit is een gedicht uit Van alle kanten komen ze, het poëziedebuut van Alex van Warmerdam. Een afscheidsbrief die een reeks vragen oproept. Wat is een ‘vredelievende jurk’? Is dat een jurk die tot over de knieën reikt en mannen het hoofd niet op hol brengt? Is het een hippiebloemetjesjurk met een neutronenbombutton als accessoire? In regel twee is er sprake van thee en in regel drie komt ineens een ‘lievelingsmes’ ter tafel, maar dat blijkt een keukenmes. Toch wordt het niet vredig. Want met de overbuurman, die graag abseilt, is een merkwaardig teken afgesproken (neerlaten van de luifel). Ergens voel je dat die alpinist niet deugt, maar dat ‘nee, hij is niet eng/ hij was vroeger priester’ werkt dan weer niet, dat is te veel ingevuld en bovendien geginnegap, humor in poëzie is niet verboden maar het moet dan wel beklijven, al na de tweede keer lezen draagt deze mop een baard.

Daarna volgen de drie mooiste regels. Er moet wellicht een Tytgat verkocht worden en zelfbenoemd kunstkenner ‘Anton’ (goed gecast) zal zorgen dat er een mooie prijs op tafel komt voor het schilderij. Anton deugt natuurlijk ook niet. Het ‘daaromtrent’ is goed gekozen omdat het een werkelijke formele instructie betreft, emotieloos, een beetje Duits. ‘Tytgat’ is ook goed gekozen, om de barse klank, de idiote banaliteit van de naam, en ook omdat de dichter niet schrijft: ‘verkoop het schilderij van Tytgat’, maar ‘verkoop die Tytgat’, de man heeft het klaarblijkelijk helemaal met deze Vlaamse impressionist gehad. Hij is schoonheidsmoe. De ik-persoon vertrekt maar blijft wel degelijk de baas, hij eist dat de enveloppen dichtgeplakt op de tafel voor de Tytgat blijven liggen, tot hij terugkomt. Dat is een machtsspel, want hij komt niet terug, en wanneer mag zijn liefste dan eindelijk de postzak langs de kant van de weg zetten? De alpinist zal uitkomst bieden.

Van alle kanten komen ze is een verzameling van dit soort maffe scènes, vol vondsten (‘Gaan naar de disco aan de rijksweg’, ‘Matroos, bestijg de vlizotrap’, ‘de zomer kom ik nog wel door/ rond oktober moet ik iemand hebben’), vol ‘magere jaren’ en de diepe wens die te ontvluchten. Een reeks romantische teleurstellingen, die je wel degelijk wilt herlezen. Zoals wanneer de ik-persoon in het gedicht We zijn er mooi doorheen gezwijnd hand in hand met zijn broertje zijn ouders nastaart, die ook al weer vertrekken, hen beiden alleen achterlatend. ‘We zien onszelf lopen/ maar als we roepen/ wordt er niet meer omgekeken’, klinkt het. Je kunt er zo muziek van Ennio Morricone onder zetten. De jonge broers moeten overleven, en Van Warmerdam komt goed weg met het strijdplan:

nog eenmaal pionieren

als jij nou penen teelt

teel ik de uien

maar dat feestje eindigt dan wel weer met de overbodige regels:

maar weet: men kan enkel overleven

met een onbeduidend jasje aan

Want ik heb werkelijk geen idee wat een ‘onbeduidend jasje’ is, en als dat niet uitmaakt is de taal zelf eenvoudigweg niet schoon genoeg. De dichter had de lezer hier meer informatie moeten geven. De laatste regel van dit gedicht luidt:

Voor onze zusjes is er een herdenkingsdienst

terwijl het ratten waren

Een beetje een tja-einde, maar scenariotechnisch maakt het indruk, omdat de verlaten baby’s in het gedicht ‘al dagen stil’ zijn, genegeerd door beide broers, die als donaldduckneefjes uitdokteren hoe ze hutspot kunnen vreten, terwijl twee jongere spruiten ‘zwaar beledigd in hun sarcofaag’ wachten ‘op wuivend graan en chocola’.

Van alle kanten komen ze kent een sterk bedreigende component, door de omschreven harteloosheid van dit bestaan, maar ook indringende berusting, omdat er voortdurend vertrokken wordt. En een terugkerend au, omdat de vertrokkenen meer aanwezig zijn dan ooit. ‘Als silhouet was hij tevreden’, dicht Van Warmerdam. En voortbordurend op dat thema, waar de muziek van Morricone wederom goed onder past: ‘Ooit was ik een gestalte/ die een korte schaduw wierp’. De beste vader is een vader ‘die er zelden is’. Die wordt ‘bij nacht en ontij opgepiept’. Veel verder reikt de tevredenheid niet. En daarmee is ook meteen de titel van de bundel verklaard. Wat-van-alle-kanten-komt zijn geen vrienden. Het zijn demonen.