Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

Over de veertienjarige Ouafa schreef ik al eerder dat het prettig is ook zo’n leerling in de klas te hebben: vriendelijk, welwillend, en, ook al zegt ze altijd je en jij tegen mij, beleefd, toch. Juist tegenover haar, omdat er niks kwaadaardigs achter zit, vind ik het kinderachtig te zeggen dat ze moet leren u tegen mij te zeggen: «Zo hoort dat Ouafa, zo praat je tegen mensen die ouder zijn dan jij, ik zeg ook u tegen je vader.» Op zo’n moment kijkt ze me vrolijk aan, met die donkerbruine ogen, zonder dat ik goed begrijp waar die vrolijkheid vandaan komt, misschien vindt ze dan dat ze inderdaad wat te kinderachtig wordt toegesproken, dat ze dat heus wel weet. Ouafa is misschien een beetje té aardig, voor mij, en ook voor medeleerlingen, ze vindt het moeilijk nee te zeggen. Ook dat zeg ik wel eens tegen haar, «als je iets niet wilt moet je gewoon nee zeggen, Ouafa», en dan wordt ze iets feller, trekt haar wenkbrauwen op en schudt van ja, «maar dat doe ik ook, meester». En inderdaad zie ik haar dat tegenwoordig ook wel eens doen – maar tegen Abdel kan ze niet op.

Ouafa is klein, heeft een leuk gezicht, lang donkerbruin haar; Abdel is ook niet groot, wel iets groter dan Ouafa en in de groei, een tanige jongen van veertien jaar die het niet kan laten voortdurend in de zakken van anderen te voelen, wat zit daarin? In de jaszak van Ouafa zit vier euro. Abdel haalt die eruit, legt ze op tafel, begint ermee te spelen, schuift een euro naar Nabila, die in hetzelfde groepje zit, een euro naar Hafida, en ze beginnen Ouafa een beetje te dollen, allemaal mogen ze Ouafa graag maar nu vinden ze het leuk om te doen alsof ze dat geld inpikken. Het uiteindelijke resultaat is dat Ouafa twee euro kwijt is. Ik ben bezig bij een ander groepje en merk het pas aan het einde van de les, als het pauze is en we naar beneden lopen en Ouafa mij vraagt of ze de sleutel van het lokaal nog even mag hebben, ze is twee euro kwijt, ze wil kijken of die daar nog ergens op de grond liggen. Ik loop met Ouafa mee, ze liggen nergens. Ik trek het hele verhaal eruit, doe navraag bij Nabila en Hafida, die allebei beweren het geld te hebben teruggegeven, iets dat Ouafa bevestigt, en kom uiteindelijk bij Abdel uit. «Ik wil even met je praten.»

Als ik over het geld begin, zet hij onmiddellijk de tegenaanval in. «Wat beschuldig je mij! Noem je mij een dief?! Waarom kom je altijd naar mij toe? Wat heb ik met dat geld van Ouafa te maken, ik heb het niet, denk je dat ik die twee euro van haar nodig heb, wat is twee euro voor mij, twee euro is niets.»

Vorige week was het de MP3-speler van de kleine Ersin, die Abdel voor twintig euro verkocht had, daarvoor was het de lokalensleutel van een docent die hij gestolen had, en daarvoor was er weer wat anders. Inderdaad kom ik altijd weer bij Abdel uit, Abdel die geen vader meer heeft, die thuis woont met een oude moeder die de straat niet op komt en die geen woord Nederlands spreekt, die nog wel een oudere zus heeft die wél Nederlands spreekt en wel op hem wil letten maar die getrouwd is en in Almere woont, dus erg gemakkelijk gaat dat niet. Met andere woorden: Abdel is vrij. Al bezweert zijn moeder, volgens Abdels zus, Abdel iedere ochtend zich goed te gedragen («hij krijgt iedere ochtend een preek mee»), Abdel kan in feite doen en laten wat hij wil.

De vraag is dan, en ik breek me er het hoofd over: wat wil Abdel? Uiteindelijk, denk ik, maar één ding: status. Je zou kunnen zeggen: hij wil hetzelfde als een topman van willekeurig welk bedrijf: aanzien, status, macht en geld, geld vooral, maar anders dan die topmannen wil Abdel er niet voor werken – hij weet te goed dat het zinloos is ervoor te werken, met het werk waar hij toe in staat is zal hij zo veel geld nooit hebben. Het moet dus anders.

Dát moet je Abdel nageven: de jongen heeft wel pit. Hij is voor niemand bang, voor mij niet, voor de directeur niet, voor de politie niet. Hij is bereid zijn eigen weg te gaan. Ja, ik breek me vaak het hoofd over de psychologie van jongens als Abdel, die er geen been in zien zelfs van een Ouafa, die ze toch graag mogen en die niemand kwaad doet, te stelen. De leerlingbegeleider zegt: «Hij heeft geen geweten.» En als ze Abdel vraagt of hij weet wat dat is, geweten, dan zegt hij: dat je iets wist. Dan doelt hij met andere woorden op de voltooide tijd van het werkwoord weten.

Ik denk dat Abdel vindt, zonder dat met zoveel woorden te beseffen, dat hij gerust die twee euro van Ouafa mag pakken, dat zij die toch niet echt mist, dat ze elkaar toch graag mogen? Ik denk zelfs dat het voor Abdel, onbewust, een soort test is: kom ik hier bij Ouafa, en vervolgens bij mij, en vervolgens bij de directeur, mee weg? Veroordeelt Ouafa mij om het pakken van die twee euro, die ik helemaal niet nodig heb, die ik gewoon heb gepakt, meer niet – en als ze er een probleem van maakt, krijgt ze die toch terug? Ze kan zo tien euro van me krijgen. Veroordeelt Ouafa mij, laat ze me vallen, laat de meester me vallen, de directeur, ja of nee, daar gaat het om. Hoeveel houden die mensen nu eigenlijk van mij?