Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

In de meivakantie ga ik met vier leerlingen naar de première van rZpkt, een toneelstuk over twee Marokkaanse jongens die een tijdlang niet willen deugen maar uiteindelijk – op de Glen Mills School – hun leven beteren. Het stuk is prachtig, ik heb genoten van de grappige en herkenbare dialogen en om-gangsvormen van die twee jongens die, daar lijkt het tenminste op, min of meer zichzelf hebben gespeeld want een vergelijkbare weg hebben afgelegd. Ze waren overigens al eerder te zien, deze Farhane el Hamchaoui en Fouad Mourigh, in de speelfilm Cool van Theo van Gogh. Hoe het met twee kut-Marokkanen toch nog goed kan komen.

Ik zei dat ik er met vier leerlingen heen gegaan was maar eigenlijk waren het er maar drie. Eén kwam niet opdagen. Ik had Abdel uitgenodigd, Abdel-de-slang die de MP3 van de kleine Turk Ersin had verkocht, wat in de klas voor enige consternatie had gezorgd. Abdel die met het brandblusapparaat de conciërge in zijn gezicht had gespoten, die de lokalensleutel van een van mijn collega’s had gestolen, die uit de jaszak van zijn klasgenote Ouafa vier euro had gepakt en er maar twee had terug-gegeven – de Abdel, kortom, om wie ik mij

zorgen maak, van wie ik dacht: dat is misschien wel eens goed voor hem, zo’n stuk te zien. Abdel stond keurig op tijd voor theater De Meervaart in Osdorp te wachten. De Ghanese Jacob was er ook al voor achten, Jacob is altijd op tijd, ik zal hem missen, want na de vakantie zal ik hem niet meer terugzien op school, hij verhuist naar Almere.

We zullen hem allemaal missen, en met wij bedoel ik de hele klas, deze Jacob, die ooit zo lastig was maar die de laatste maanden vooral een bron van vrolijkheid was. Ook voor Jacob leek het me goed eens van leeftijdgenoten te horen dat niet-deugen de weg niet is, om Jacob maak ik me overigens niet zo’n zorgen meer. Hij is geen etter en hij zal mensen nooit zomaar slaan, maar ook op hem oefenen

telefoons en empees en mooie kleren grote aantrekkingskracht uit. Dan had ik ook op mijn lijstje staan de dikke Khalid, die de kleine Turk Ersin zo graag te grazen neemt, die veel meer moreel besef heeft dan bijvoorbeeld Abdel, maar hij bevindt zich wel graag in Abdels gezelschap, en in het gezelschap van

de grootste schurk van allemaal, Adil.

Adil stond zelfs boven aan mijn lijst, Adil die al in de jeugdgevangenis heeft gezeten,

die laatst, die vijftienjarige jongen, in een auto aan kwam rijden, «maar die auto was al

gestolen meester, dat kan je zien». Adil die

op school door al zijn vrienden Tokkie wordt genoemd, omdat hij, aldus Abdel, «uit zo’n gezin komt». Voor politie is Adil niet bang meer, de gevangenis noemt hij «een vijfsterrenhotel», tegenover de politie is hij ongelooflijk brutaal maar ik maak hem vooral vriendelijk en beleefd mee – zo kan hij dus ook zijn. Hij had tegen mij gezegd dat hij graag een film wilde maken «over de problemen in de buurt»,

en ik had gezegd dat hij dan zeker met mij mee moest naar rZpkt, dat ik hem in contact kon brengen met mensen die hem daarmee misschien konden helpen. Hij was de enige van de vier die al wist dat in rZpkt twee jongens mee-deden die ook een rol in de film Cool hadden, en die op de Glen Mills hadden gezeten, hij was ook de enige die niet op kwam dagen, helaas, helaas.

Het stuk is snel, er zitten veel grappen in en je moet goed opletten om niks te missen. Maar ik had niet het gevoel dat het te hoog gegrepen was voor mijn leerlingen. Integendeel, ze zaten voortdurend te lachen, Jacob vooral. Op een gegeven moment doet één van de acteurs Scarface na, Al Pacino in de gelijknamige film, en hij had nog geen drie woorden gesproken of Jacob riep al: «Scarface!» Het is zijn favoriete film, hij heeft ’m op dvd, hij kent ’m praktisch uit zijn hoofd, in de klas doet hij zelf soms Scarface na. Jacob was in zijn reacties sowieso erg levendig. Ik zat naast hem en hoorde hem dus goed. Maar ook als ik elders in de zaal had gezeten, had ik zijn aanstekelijke lach er telkens weer bovenuit gehoord. Khalid moest erg lachen toen een van de acteurs vanachter een lange zwarte baard zijn eigen vader begon te spelen en daarbij zelfs in het Tamazight (Berbers) sprak. Ook de Ghanese Jacob zat zich te verkneukelen om die scène, die toch verder van hem af moet staan maar blijkbaar ook

niet al te ver, tenslotte is hij al zijn halve leven onder Marokkanen en ook Marokkaanse ouders heeft hij inmiddels vaak genoeg gezien. Zo’n prototypische vader alleen al ten tonele te zien verschijnen – al heeft Jacob zelf geen vader en geen moeder meer, zó’n vader

te hebben daar ziet hij de humor wel van in. Ik kon niet zien wat precies de reactie van Abdel was, die ook geen vader meer heeft, want de dikke Khalid zat tussen ons in.

Na afloop hebben we wat gedronken in de

foyer, en Abdel kwam met een verhaal dat hij laatst nog door de politie was opgepakt, met een hele groep jongens hadden ze dingen

vernield, maar, zei Abdel erbij, ze hadden allemaal afgesproken hetzelfde verhaal te vertellen, hij noemde dat «een rap», wat ik niet begreep. Ik had niet het gevoel dat hij het

toneelstuk dat hij zojuist had gezien verbond met deze eigen ervaring, maar het was te druk en rumoerig in de foyer en er was te veel afleiding – Katja Schuurman liep er ook rond – om de pedagoog uit te gaan hangen.

Dat moet wachten tot na de vakantie, dan kan ik er met Abdel nog eens rustig op terugkomen, met Khalid ook, want ook die kwam na Abdel met een verhaal over een neef die een strafblad had.