Bij ons op school

Bij ons op de praktijkschool

De Pakistaanse Mumtaz, een grote, dikke, wat onhandige veertienjarige jongen, heeft het met zijn klas niet getroffen. Zelf geef ik de klas van Mumtaz maar zelden les, een enkele keer als ik moet invallen, maar het is van al onze klassen de meest chaotische. Deze klas hangt als los zand aan elkaar, als je dat zo kunt zeggen. De leerlingen verschillen evenveel van elkaar als, zeg, de zon, de aarde en de maan, en al zijn ze, bijeengehouden door het klassenverband, nu al twee jaar gedwongen om elkaar heen te cirkelen, ze zijn elkaar niets, geen centimeter, nader gekomen.

Misschien is het de invloed van de half Antilliaanse Judith, die in deze klas de leerlingen tegen elkaar opzet en zo een permanente sfeer van pesterij en wantrouwen weet te creëren, een sfeer overigens waarvan zijzelf vaak genoeg het slachtoffer is. Ik heb geen hekel aan Judith, het is óók een lief kind en ze kan er niks aan doen maar ik ben wel blij dat ík haar niet in de klas heb. Soms vraag ik mij af of ik er iets van zou hebben weten te maken, van deze klas, en ik heb wel de neiging te denken van ja, dat ik iets als een eenheid zou hebben weten te creëren, maar ik weet ook dat ik de neiging heb mezelf te overschatten, en trouwens, het is niet alleen Judith die moeilijk is. Er is ook nog de Iraakse Ahmed met zijn grove knuisten, door Judith graag op de korrel genomen, die dan zijn zelfbeheersing verliest en als een dolle stier op Judith af gaat, of met een stoel gaat gooien. Op zijn bovenlip is al een donzen snor maar hij is niet zo groot, deze Ahmed, wel sterk, vierkant, en als tranen van onmacht en woede hem half verblinden is het niet meer zo gemakkelijk hem tegen te houden.

Dan is er nog de Marokkaanse Younes met zijn engelengezichtje, die het omdat hij nog klein is in de klas en in de kantine en op het schoolplein niet van slaan en schoppen maar van machiavellisme moet hebben, van stiekeme pesterijtjes waarop hij niet te betrappen valt, van openlijke bedreiging als hij zich sterk genoeg voelt, sterker is dan zijn klasgenoot of zich gedekt weet door andere klasgenoten, of, als het zo uitkomt omdat het beter is die klasgenoot te vriend te houden, het moet hebben van geslijm en een allerliefste glimlach. Het moet gezegd dat hij gevoel heeft voor verhoudingen, Younes, en strategisch inzicht. Dat is waarmee Younes bij ons en ik neem aan op straat overleeft, en ook Younes is verder best aardig.

Dit drietal, Mumtaz, Judith en Younes, heeft niets met elkaar. Mumtaz zie ik wel vaak samen met twee andere leerlingen uit diezelfde klas, de lange en dunne Surinaamse Clarence, een jongen met een blik als van een geslagen hond in zijn ogen, waarin toch ook iets berekenends zit, iets achterbaks zelfs, die nu al twee jaar lang zijn eigen stille gang gaat en maar zelden iets zegt, en de Marokkaanse Habib, die even dik is als Mumtaz en net als Mumtaz iets goedmoedigs heeft maar die mij toch altijd aankijkt alsof hij meer weet dan ik. In de pauze lopen ze vaak samen naar de bakker en daarvoor hoeven ze maar één straat door, een straat van kleine eengezinshuizen waar nog wat bejaarde Nederlanders wonen en waar af en toe ook gespuis rondloopt, dat net iets ouder is dan onze leerlingen, zestien, zeventien, achttien jaar. Die jongens zoeken dan naar auto’s waar nog wat in zit, een autoradio of weet ik wat, of naar leerlingen die zo dom zijn met het een of ander te koop te lopen – zoals Mumtaz met zijn nieuwe telefoon van, zoals iedereen moest weten, zeshonderd euro. Ik heb die telefoon niet gezien en ik begrijp ook niet hoe Mumtaz in het bezit kan zijn van zo’n duur toestel, maar alle leerlingen en ook hijzelf zeiden dat die telefoon zeshonderd euro kostte, dus dat zal wel zo zijn – leerlingen kennen de prijzen van telefoons heel goed. Mumtaz is niet iemand die steelt, de jongen is daarvoor te netjes, te sullig ook, te zacht moedig, de tranen schieten hem te snel in zijn ogen, hij heeft het thuis ook iets beter dan veel andere leerlingen, misschien zijn zijn ouders iets slimmer. Natuurlijk neemt Mumtaz die dure telefoon mee naar school, want hoe sullig en onhandig en zachtmoedig ook, ook hij is gevoelig voor status, en op weg van het schoolplein naar de bakker loopt hij er door die ene straat zo opzichtig mee rond dat twee jongens die niet bij ons op school zitten en in die straat lopen dat opmerken, naar Mumtaz toe lopen, er niet omheen draaien en hem een klap geven, hem op de grond gooien en hem schoppen, zijn arm op zijn rug draaien en zijn telefoon uit zijn hand grissen en wegrennen. Clarence en Habib durfden hem niet te helpen, het had ook niks uitgemaakt.

Op zo’n moment zie ik onder de leerlingen van de klas van Mumtaz wel iets van een eenheid ontstaan. Allemaal vinden ze het erg voor Mumtaz, dat was een hele dure telefoon, zeshonderd euro, en die jongens dat waren echte kut-Marokkanen en ze hadden Mumtaz ook nog geslagen. Ook Judith zie ik Mumtaz dan proberen te troosten, Mumtaz die met vochtige ogen en rode wangen op school rondloopt, hij is geslagen en van zijn dure telefoon beroofd, en nog wel op deze dag, deze dag van een zekere glorie, de dag dat ook hij, onhandige dikkerd die te netjes is en die eigenlijk iets vrouwelijks heeft, dat ook hij even een soort held leek te zijn.

Het zou Younes nooit zijn overkomen.